De mythes over het kabinet-Den Uyl

HET IS een prikkelend en aantrekkelijk idee om het kabinet-Den Uyl, waarvan links Nederland in de jaren zeventig hoopte dat het 'de verbeelding aan de macht' zou brengen, te onderzoeken vanuit de optiek van de beeldvorming....

Historica Ilja van den Broek stelt zich in haar zojuist verschenen proefschrift Heimwee naar de Politiek ten doel om verschuivingen in de collectieve herinnering aan het kabinet-Den Uyl in kaart te brengen. Die herinnering wordt volgens Van den Broek gekenmerkt door 'gevoelens van nostalgie, mythevorming en een blijvende actualiteit'; de onderzoekster beoogt duidelijk te maken 'hoe deze collectieve herinnering de afgelopen vijfentwintig jaar vorm heeft gekregen en zich heeft ontwikkeld in een veranderende maatschappelijke en politieke context'.

Het kabinet-Den Uyl kwam in 1973 aan het bewind in een tijd van felle politieke polarisatie. Den Uyls regering genoot de steun van de progressieve partijen PvdA, D'66 en PPR en werd met enige aarzeling in stand gehouden door twee van de drie partijen die kort daarop in het CDA zouden opgaan. Nadat de regering kort voor de eindstreep was gestruikeld over een van haar vier hervormingsvoorstellen (de grondpolitiek), behaalde de PvdA, met de verkiezingsleuze 'Kies de minister-president' een klinkende stembusoverwinning. De polarisatie werd bepaald niet geringer toen het alom verwachte tweede kabinet-Den Uyl uitbleef en de drie CDA-partijen in plaats daarvan een regering vormden met de VVD van Hans Wiegel.

De scherpe ideologische strijd rond de politiek van het kabinet-Den Uyl heeft, zoals Ilja van den Broek constateert, het ontstaan bevorderd van positief en negatief geladen mythes rondom dit kabinet. Onder de positieve mythes rangschikt zij de mythe van een volkomen nieuw kabinet dat de idealen van de generatie van de jaren zestig belichaamde. Ook noemt ze de mythe van de 'maakbare samenleving' en die van een 'vechtkabinet'. Tot de negatieve, door politieke tegenstanders van Den Uyl gekoesterde mythes rekent de schrijfster de 'potverteerdersmythe' en die van het geloof in een almachtige staat.

Het meest heldere en overtuigende deel van Van den Broeks betoog heeft betrekking op de verschuiving in de beeldvorming. In de periode-Den Uyl 'leefde' de politiek. Er was sprake van grotere openheid en mede door de opkomst van een geëngageerde journalistiek voelden veel burgers zich bij de politiek betrokken. Het idee dat politiek er iets toe doet en dat het mogelijk is met politieke middelen maatschappelijke verandering teweeg te brengen, beschouwt Van den Broek, terugblikkend, als het onderscheidende kenmerk van het kabinet-Den Uyl. Dat is ook de reden waarom Den Uyl en zijn kabinet de verbeelding nog steeds prikkelen en gevoelens van nostalgie oproepen.

In de jaren na de val van het kabinet-Den Uyl is links zich er steeds sterker mee gaan identificeren. Aanvankelijke kritiek op wat werd gezien als (te) kleine stappen op het pad van de maatschappijhervorming maakte plaats voor een dankbaar terugverlangen naar 'het meest linkse kabinet', een gevoel dat nog werd versterkt door verontwaardiging over de 'gestolen' verkiezingsoverwinning. Daarentegen had het CDA juist behoefte om zich los te maken van de herinnering aan de verbroken samenwerking in het kabinet-Den Uyl en maakte het zich daarom de al eerder door de VVD uitgedragen negatieve mythes eigen over een premier met een gat in zijn hand, die de bomen tot in de hemel zag groeien. Dat negatieve beeld van 'irreële politiek' werd, constateert Van den Broek, in de 'no-nonsens'-jaren tachtig overheersend.

Aardig is ook de manier waarop Van den Broek laat zien hoe het beeld van Den Uyl als persoon zich anders ontwikkelde dan het politieke beeld. Want ondanks de betrekkelijk geringe waardering voor het beleid van het kabinet-Den Uyl groeide de premier zelf uit tot een soort nationaal icoon over wie - van links tot rechts - met vertedering en nostalgie wordt gesproken.

Aanzienlijk minder overtuigend is Heimwee naar de Politiek waar de schrijfster probeert een eigen visie te formuleren tegenover de door haar bekritiseerde mythes. Zo overschat zij in sterke mate de betekenis van wat ze het 'doorbraak-idealisme' noemt, de invloed van tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog naar de sociaal-democratie 'doorgebroken' christenen.

Volgens haar vormde dit sociaal-christelijke idealisme een even sterke pijler onder het kabinet-Den Uyl als de ideeën uit de jaren zestig. Die veronderstelling getuigt echter van geringe kennis van de historische werkelijkheid. De na-oorlogse Doorbraak was eind jaren veertig, begin jaren vijftig mislukt, dat wil zeggen: beperkt gebleven tot een klein aantal personen. Daarentegen vond in de politieke conjunctuur van de late jaren zestig een nieuwe radicalisering plaats in katholieke en christelijke kring (in de katholieke kerk, in de vakbeweging, in mindere mate in de politieke sfeer). Inderdaad kon het kabinet-Den Uyl mede door deze ontwikkeling aantreden. Maar om in dit verband te spreken van een continuïteit met de jaren veertig, vijftig en zelfs de crisisjaren dertig, lijkt me wat al te gewaagd.

Iets heel anders is dat Den Uyl zelf, met zijn orthodox gereformeerde achtergrond, een zekere feeling had voor politici van AR-huize, met wie hij als het ware over een gemeenschappelijke taal beschikte.

Het is lastig een afrondend oordeel te geven over het proefschrift van Ilja van den Broek, omdat zij zelf in haar conclusies nogal vaag is. Het blijft onduidelijk wat de visie van de schrijfster is op de door haar aangestipte mythes. Boeiend in dit nogal impressionistisch opgezette onderzoek is wel haar poging om inzichtelijk te maken hoe het beeld van een bepaalde, als controversieel ervaren periode telkens weer wordt bijgekleurd als gevolg van veranderingen in het politieke en ideologische klimaat.

Meer over