'De mensen verdenken mij ervan bescheiden te zijn' Elvis Peeters verovert De Balie met woorden

Hij schrijft toneel, hoorspelen en verhalen. HIj zingt zijn eigen teksten, begeleid door De Legende. En niemand kent hem, althans in Nederland....

Van onze verslaggever

Arne Leffring

AMSTERDAM

Het is zaterdagmiddag rond half vijf als theatermaker Michel van Dousselaere in De Balie van papier voorleest wie de nummers één en twee in de Elfstedentocht geworden zijn. De grofweg dertig literatuurliefhebbers die zich in de hal hebben verzameld, reageren lauw. Dat Angenent gewonnen heeft wisten ze waarschijnlijk eerder dan deze Vlaming. Ze willen weten wie er schuilgaat achter die vreemde naam, Elvis Peeters.

Hij publiceerde Het Uur van de Aap (Kritak) en Wij dolen rond in de nacht en worden verteerd door het vuur (Van Halewyck). Toch zullen in Nederland maar weinigen van hem hebben gehoord. Daarin moeten De Feesten van Elvis en Pijn. . . De Feesten van Peeters en Pijn (naar Paul van Ostaijen) verandering brengen. Peeters zelf verbaast het niet zo. 'Ik ben geen mercantiele figuur', zegt hij, alsof hij zich schaamt voor zijn gebrek aan koppmanschap. 'De mensen verdenken mij ervan bescheiden te zijn.'

Wie de verlegen Vlaming ziet, kan zich nauwelijks voorstellen dat dit de man is die meedeed aan de Vlaamse punkbeweging van de jaren zeventig. Laat staan dat hij negentien dagen achter de tralies zat vanwege het bezetten van een kruisraketbasis. In België kennen ze hem al langer, als muzikant, theatermaker en schrijver van radiohoorspelen en proza.

Behalve als oproerkraaier maakte Peeters in Vlaanderen naam als zanger van de Nederlandstalige rockgroep Aroma di Amore. In 1984 stopte hij met de band. 'We waren rond', zegt hij. Met Fred Angst scoorde hij in 1986 als Bange Konijnen de hit Ik ben verliefd op Sandra Kim. De Legende heet de rockband die hij begin jaren negentig oprichtte. Met onder anderen een klassiek geschoolde pianist en een violist die ook mandoline speelt.

Vergeleken met de punktijd is het allemaal erg tam geworden, vindt Peeters nu. Activist is hij niet meer, maar de literaire teksten waarmee hij een jaar of vier geleden naar buiten trad, moeten het publiek ook verontrusten. Cynisch spreekt hij in de openingsact zijn luisteraars toe vanaf de balustrade: 'Alles is perfect in orde, de Rijkswacht grijpt alleen in als het écht nodig is.'

Daarna sluipt hij haast onzichtbaar door De Balie, waar Vlaamse acteurs zijn teksten voordragen. In de kelder, in de nok van het gebouw, in de salon en in de zaal.

Pas om half negen mag Elvis Peeters zelf weer plaatsnemen achter de microfoon, om oud en nieuw repertoire van De Legende te spelen. Hoeveel feestgangers zouden dit weekeinde in de gaten hebben dat Peeters' vriendin Nicole van Bael een stevige inbreng heeft in zijn teksten? Wat Elvis moeizaam schrijft, schrapt zij vaak weer. 'Mijn 'medeplichtige' noemt hij haar liefkozend.

De monoloog Beckett, op het prachtig sonore stemgeluid van Damiaan de Schrijver, verraadt al vroeg in de avond een belangrijke inspiratiebron van Peeters. Eigenlijk wist hij zo goed als niets van Beckett toen hij dit stuk schreef. Een foto van de Iers-Franse schrijver op latere leeftijd was de aanzet. 'De kop van iemand die je tweeduizend jaar later ongeschonden uit een veenmoeras zou willen halen', zegt hij in Beckett.

Peeters deelt Becketts opvatting dat taal belangrijker is dan de gebeurtenissen, de plaats van handeling of de personages in een verhaal. Zo kunnen de schapen die hij beschrijft in zijn fictieve ontmoeting met Beckett zich bevinden op weidegrond in Frankrijk of Ierland. Maar wellicht grazen ze op de akkers waarover Peeters uitziet vanuit zijn huis in een gehucht nabij Lier, onder Antwerpen.

In de steenkoude kelder luistert een handejevol mensen, getooid met bouwhelmen, naar Paul Verrept, die fragmenten brengt uit Het vierde verhaal. Fragmenten die klinken als een manifest. Verrept eindigt met 'De stad ligt volledig in puin. Als elk hart een steen is, ligt geen steen meer op de ander. Dit is hoe het is. Zeg het voort.' De verkleumde toehoorders haasten zich naar de Vlaamse happen op de overloop.

Maar ook boven wachten beklemmende teksten als Jazz, over een botsing op een brug. De schrille sopraansax van Luk Mishalle en de harde kop van An de Donder doen de haren recht overeind staan. Gelukkig valt er op zolder meer te lachen bij de bizarre stukken die de boomlange José Verheire uit De gehavende ten gehore brengt. 'Ik rook preventief', laat Peeters een van de personages zeggen, 'om gaten in mijn longen te voorkomen; ik teer ze dicht.'

Behalve over de dood spreekt en zingt Peeters graag over de liefde. Zijn compacte teksten nemen soms de vorm aan van poëzie. Op de tribune in de zaal luistert het publiek muisstil naar Het Uur van de Aap, een geestige monoloog door Irma Wijman in een regie van Van Dousselaere. De Nederlandse actrice houdt zich prima staande tussen de Vlaamse collega's die elders in het gebouw spelen.

Vanachter haar toilettafel rept ze over drie minnaars die ze verloor: een brandweerman, een historicus en een dichter. Telkens weer komt het venijn van Peeters' woorden naar boven. 'Dat is het ongelukkige van de liefde. Je moet haar eerst kapotslaan en zien welke stukken ervan je kunt gebruiken om haar toch zo volledig mogelijk in je leven op te nemen.'

De voordracht sluit naadloos aan op de zigeunerklanken en chansons van de vijfkoppige formatie De Legende, die de zaal in mum van tijd weet te veroveren. Hier komt de oude Elvis Peeters boven, zijn stem klinkt nu eens zoetgevooisd, dan weer rauw. Zijn elastieken benen herinneren aan 'The King'.

Meer over