‘De man met het rode sjaaltje’ kon de gemoederen soms bedaren

De vroege dood van Ibrahim Rugova is ongunstig voor zowel Kosovo als de Balkan als regio. In 2006 moet een beslissing vallen over de toekomstige status van Kosovo, thans een protectoraat van de Verenigde Naties, maar officieel nog steeds een provincie van Servië....

Rugova heeft onlusten in het verleden nooit kunnen voorkomen. Desalniettemin is van zijn aanwezigheid altijd een zekere matigende werking uitgegaan.

Op korte termijn zal het wegvallen van Rugova een verdere versplintering van het politieke landschap in Kosovo tot gevolg hebben, waar Rugova na jaren nog altijd de enige figuur was die echt gewicht in de schaal legde; al bezat hij bij lange na niet meer de autoriteit en het aura van vroeger. Het was alleen in de eerste jaren van de ‘bezetting’ van Kosovo door het Milosevic-regime, de vroege jaren negentig, dat Rugova gold als de onbewiste leider van de Kosovo-Albanezen. Ook destijds was hij echter niet de Nelson Mandela of de Gandhi waarvoor hij in de westerse pers soms werd versleten.

De meeste intellectuelen in Pristina hebben altijd de pest gehad aan Rugova. Zij beschouwden hem als een ouderwets, wereldvreemd en tegelijk ondemocratisch figuur. Rugova’s Liga voor een Democratisch Kosovo (LDK) is door hen vaak vergeleken met de Socialistische Partij van Servië (SPS) van Milosevic. Beide partijen leken qua structuur en manier van opereren op de oude Joegoslavische communistische partij. Beide partijen hadden corrupte kaders en waren gebouwd rondom één leidersfiguur.

Rugova’s gezag in Kosovo werd in de periode 1997-1999 ernstig ondermijnd door de opkomst van het Kosovo Bevrijdingsleger (UCK). De jonge commandanten verweten Rugova dat zijn pacifistische strijd tegen het Milosevic-regime niets had opgeleverd.

Na het einde van de voor het UCK zo succesvol verlopen Kosovo-oorlog werden veel commandanten politiek actief en dachten van Rugova af te zijn. Dat bleek een misvatting. Iedereen in Kosovo kende Rugova, niemand kende de UCK-broekies. Vooral in de Kosovaarse dorpen bleef Rugova gelden als een politiek ‘vadertje’. Rugova en de LDK profiteerden daarbij ook van de botsende ego’s van de UCK’ers. De commandanten schaften zich dure pakken en dure auto’s aan en richtten hun eigen partijtjes op. Die hadden vaak niet meer dan twintig leden, waar de LDK kon bogen op grote gedisciplineerde kaders.

Een bijkomend probleem voor de nieuwe partijen die sinds 1999 in het bevrijde Kosovo ten tonele verschenen, was dat zij zich programmatisch maar moeilijk ten opzichte van Rugova en de LDK konden profileren. Alle politieke partijen in Kosovo hebben sinds jaar en dag maar één echt programmapunt: onafhankelijkheid voor Kosovo.

Rugova maakte als president deel uit van de Kosovaarse delegatie die de komende maanden ten leste de onderhandelingen moet gaan voeren die een vorm van onafhankelijkheid tot gevolg moeten hebben. Op papier maakt zijn dood voor het verloop van die onderhandelingen niets uit. De andere delegatieleden – en de rest van de Kosovo-Albanese bevolking – eisen precies hetzelfde als hij.

In de praktijk maakt Rugova’s afwezigheid wél uit. Rugova was geen Gandhi of Nelson Mandela. Hij slaagde er in de jaren negentig niet in met de door hem voorgestane geweldloze middelen zijn politieke doelen te bereiken. Evenmin wist hij uitbarstingen van geweld tegen achtergebleven Serviërs in Kosovo te voorkomen. Rugova’s leiding is nooit een garantie geweest voor rust en stabiliteit, maar hij leverde daar op zijn eigen onhandige, wereldvreemde wijze toch een bijdrage aan. Dat het in Kosovo de afgelopen jaren niet nog slechter ging dan het ging, is mede aan hem te danken.

Meer over