De man die zijn regenjas aanhield Olivier Todds definitieve biografie van Camus

Albert Camus geloofde niet in de Algerijnse onfhankelijkheid, hij geloofde in een beschavingsmodel. 'De cultuur kan niet leven waar de waardigheid sterft....

EEN VAN DE kleinere, minder virulente bijkomstigheden van de opmars van het islamitische fundamentalisme door de Arabische wereld is dat allerlei plaatsen vanuit het Westen nauwelijks nog toegankelijk zijn. Het komt voor dat je met brandende nieuwsgierigheid een beschrijving leest van hoe Algiers of een stad als Oran eruitzag in de jaren dertig, dat je vervolgens nog even overweegt de dienstregeling van de KLM erop na te slaan, om je in de seconde erna te realiseren dat het vrijwel onmogelijk, zo niet levensgevaarlijk is je in Algerije als westerling nog te vertonen. Oran, de stad die de achtergrond vormt van een van de meest indrukwekkende romans van na de oorlog, die zelfs al meteen in de openingszin van het boek wordt genoemd, is afgesneden van de beschaafde wereld, de wereld waarin romans kunnen verschijnen en ook nog worden gelezen.

'De absurditeit is geen hersenschim', l'absurdité n'est pas une chimère, noteerde Albert Camus op de achterzijde van een foto, gemaakt in Oost-Berlijn, in 1953, waarop te zien is hoe opstandige burgers stenen proberen te gooien naar een Russische tank.

Inmiddels zou die ene opmerking als motto boven zijn verzamelde werken kunnen worden geschreven - niet omdat Camus zo nadrukkelijk in het gelijk is gesteld (dat ook), maar omdat het lijkt alsof hij de uitvinder is van een begrip dat zich in al zijn twintigste-eeuwse toepasbaarheid juist aan het begripsmatige zo volledig onttrekt. Niet de wereld is absurd. Niet de aspiraties van de menselijke ratio zijn absurd. Het absurde schuilt in de combinatie - in het naast en door elkaar heen bestaan van de wereld buiten het bewustzijn en dat bewustzijn zelf.

Hoe zou hij er zelf op hebben gereageerd, Camus, op de fundamentalistische omwenteling in zijn geboorteland, indien hij niet in 1960 op slag was gedood in die Facel-Véga die bij Villeblevin, tussen Sens en Parijs, een klapband had gekregen en tegen een boom was gevlogen? (Alleen al het feit dat hij stierf in een Facel, een Franse sportauto die inmiddels zo exclusief is dat je eigenlijk ook daarover weer eerst een verhaal moet vertellen.) Hoe zou Camus - hij zou nu 82 zijn geweest - de politieke ontwikkelingen in de voormalige Franse koloniën in Noord-Afrika hebben gevolgd?

Die vraag kan ook nog weer wat ingewikkelder worden geformuleerd. Hoe is het om een allegorische roman te hebben geschreven over de Tweede Wereldoorlog, waarin je het nazisme niet als nazisme maar als een pestepidemie hebt afgeschilderd, om vervolgens zo lang in leven te blijven dat je ook nog kunt waarnemen dat de stad waar diezelfde epidemie heeft gewoed ook nog door een heel andere, namelijk werkelijke, ziekte - de zelfmoord van een beschaving - wordt overmeesterd?

Strikt genomen is het antwoord daarop al door Camus zelf gegeven. Aan het eind van La Peste beseft de arts Rieux zich dat de bacil die de ziekte veroorzaakt, door geen enkel serum kan worden vernietigd. 'Want hij wist. . . dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht de dag zou komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een gelukkige stad.'

Al in de jaren dertig had Camus, ondanks de trouw aan zijn geboortegrond, zijn standpunt ten aanzien van de koloniale overheersing naar voren gebracht. Hij geloofde niet in een Algerijnse onfhankelijkheid, en dat ongeloof zou hem ook niet verlaten. Hij geloofde in een beschavingsmodel. 'De cultuur', schreef hij in het tijdschrift Jeune Méditerranée, 'kan niet leven waar de waardigheid sterft. Een beschaving komt niet tot bloei als er wetten zijn die haar verpletteren. Men kan niet van cultuur spreken in een land waar negenhonderdduizend inwoners geen toegang hebben tot het onderwijs en de beschaving.'

Het zijn van die moedeloos stemmende waarheden: Camus heeft in bijna alle opzichten gelijk gekregen, maar geholpen heeft het niet. Als men het hem nu nog zou kunnen vragen, zou hij vermoedelijk antwoorden dat hij over het mogelijke isolement van de Algerijnse samenleving al in 1947 een boek had gepubliceerd, en dat alle politieke antwoorden tekort zouden schieten, omdat de werkelijke bezwaren die men tegen een dergelijke culturele nederlaag, het fundamentalisme, kan maken, in laatste instantie esthetisch van aard zijn. Immers, alleen dank zij de vrijheid van de kunst kan de absurditeit op haar laatste verschansingen worden teruggeworpen - dus wanneer de tegenstander die vrijheid om zeep helpt, is dat tevens het einde van elke discussie. En het enige dat dan nog overblijft, de enige individuele reactie, is de minachting, de dégout.

De tegenzin, de afkeer, de walging eventueel - dat zijn de grootheden die na de dood van God, na de dood van Nietzsche, en in elk geval na de ontmaskering van het communisme als enige constanten waren overgebleven, met als enige remedie de literatuur. Het mooiste, want minst nadrukkelijke symbool, zijn die talloze foto's waarop Camus - tijdens een toneelrepetitie, op bezoek bij zijn uitgever Gallimard - is te zien terwijl hij zijn jas nog aan heeft: imand die even is binnengelopen om een paar dingen te zeggen, wat aanwijzingen te geven; iemand die een sigaret rookt, en vervolgens weer weggaat. 'Er is', schreef hij in Noces (1938), 'een tijd om te leven en een tijd om van het leven getuigenis af te leggen. Er is ook een tijd om te scheppen, hetgeen minder natuurlijk is - ce qui est moins naturel.'

In de subtitels van Engelse en Amerikaanse biografieën kom je soms van die rare uitdrukkingen tegen als 'A Life for Our Time' (Peter Gay over Freud) of 'The Duty of Genius' (Ray Monk over Wittgenstein). Olivier Todd heeft het eenvoudiger gehouden. Hij heeft zijn biografie van Camus slechts gepreciseerd als 'Une vie', met de bescheidenheid (en de benijdenswaardigheid) van iemand die zich er vermoedelijk bewust van is dat hij de definitieve getuigenis van dat leven heeft opgeschreven.

Het is die ene nuance die schuilt in het werkwoord refaire die zich tijdens het lezen permanent opdringt, de verbeeldingskracht die van elke bladzijde afstraalt en die de overtuiging doet ontstaan dat de prestatie die Todd heeft geleverd niet meer zal worden overtroffen.

Todd heeft gewacht tot na de publikatie, twee jaar geleden, van Le Premier homme - de onvoltooide roman die Camus in een koffertje bij zich droeg tijdens dat fatale auto-ongeluk, en waarin allerlei details over zijn jeugd zijn verwerkt.

Het beeld dat Todd oproept van de eerste man, de vader die al een jaar na de geboorte van Albert uit het leven verdwijnt, is even wrang als schitterend. Het boek opent met het moment waarop Lucien Auguste Camus, twee maanden voor de geboorte van Albert, in violette inkt de opbrengst van de wijnoogst van het jaar 1913 noteert, om enkele bladzijden later, in oktober 1914, te sterven aan de verwondingen die hij als militair in de Franse loopgraven heeft opgelopen. 'Behalve zijn onontcijferbare genen, laat hij enkele documenten na met betrekking tot zijn burgerlijke staat, het verbleekte sepia van een paar foto's, zijn croix de guerre, en de paar granaatscherven die men naar zijn weduwe heeft opgestuurd.'

Behalve in zinnen als de hierboven geciteerde, blijkt vooral uit het soort terloopse details in het vermelden waarvan Todd uitblinkt, dat hij een zeer goed boek heeft zitten schrijven. Achteloos vermeldt hij welke voorstelling in de maand van Camus' geboorte is te zien in de plaatselijke schouwburg, wat een arbeider in een smederij of een kamermeisje per dag verdienen, hoeveel een brood kost, hoeveel een Renault 112 HP met vier cilinders.

Het eigenaardige is dat de afstand in de tijd die daardoor zo voelbaar wordt opgeroepen, het hele boek door aanwezig blijft. Camus' intellectuele ontwikkeling, zijn filosofische initiatie aan de hand van Augustinus en Plotinus, zijn eerste schreden in de journalistiek, zijn liefdesaffaires (met onder anderen de aan morfine verslaafde Simone Dayan) en die hele Europese wereld die zich aan de Noordafrikaanse kust vooral in een permanente staat van vervreemding moet hebben bevonden - het is alsof je met een steeds zwakker brandende zaklantaarn door een gigantisch depot wandelt: dit heeft ooit bestaan, dit was ooit echt, maar buiten het depot zelf is er vrijwel niets dat er nog aan herinnert.

Todd is erg goed in het uiteenrafelen van al die gecompliceerde politieke verwarringen waarin Camus betrokken raakte. Zijn verhouding tot de communistische partij in Algerije, zijn reactie op het démasqué van de Sovjet-Unie door André Gide, en de manier waarop hij als 'trotskistische verrader' werd gebrandmerkt. Zijn conservatieve, door nostalgische gevoelens gekleurde houding inzake de Algerijnse onafhankelijkheid, waar hij vrijwel als enige Franse intellectueel bleef pleiten voor een associatie tussen Frankrijk en Algerije.

Nog in 1955 schrijft hij: 'Indien voor de kolonisatie ooit een excuus kan worden gevonden, dan kan dat naar de mate waarin deze ten goede komt aan de persoonlijkheid van het gekoloniseerde volk.'

NADERHAND IS het altijd eenvoudig zo'n standpunt met terugwerkende kracht als onhoudbaar te kwalificeren en je kunt erop wijzen dat Frankrijk en Algerije zich op dat moment al in een feitelijke staat van oorlog bevonden. Maar dat is nog weer wat anders dan - wat ook wel gedaan is - Camus te reduceren tot een wereldvreemde twijfelaar, die zijn toevallige liefde voor het Algerijnse klimaat liet prevaleren boven zaken als het recht op nationale zelfbeschikking.

Todd doet dat ook niet. Hij laat zien hoe Camus in die verwarde periode waarin alle politieke en intellectuele betweters elkaar voor de voeten liepen, wanhopig heeft geprobeerd het instinct voor rechtvaardigheid terug te veroveren dat meer en meer naar de achtergrond was verdwenen naar de mate waarin de politieke opvattingen schriller - 'systematischer' - tegenover elkaar waren komen te staan.

Inmiddels, ruim 36 jaar na zijn dood, nu niemand nog precies weet wanneer wat, en wie wanneer, is het uiteraard de kunstenaar, de schrijver die onaantastbaar is overgebleven.

En het mooiste verhaal dat door Olivier Todd is bewaard: op een dag wordt Camus aangehouden door een politie-agent die hem naar zijn papieren vraagt.

Beroep?

Schrijver.

Wat precies?

Romans.

L'eau de rose ou policier?

Moitié-moitié.

Olivier Todd: Albert Camus, Une vie. Gallimard, import Nilsson & Lamm, ¿ 70,20.

Meer over