De lucht was blauw F.B. HOTZ EN HET STREVEN NAAR DE PERFECTE ZIN

'J A DAAR sta je dan, in dundruk', zegt F.B. Hotz en hij lacht er een beetje bedrukt bij. Zeker, het is prachtig, z'n acht boeken in twee geel omhulde banden, gevat in een blauwe cassette....

Daarom duurde het ook zo lang voor hij eindelijk iets publiceerde. In de jaren vijftig begon hij te schrijven, maar het zou tot 1976 duren voor Hotz, in 1922 geboren in Leiden, debuteerde met de verhalenbundel Dood weermiddel. Hij bleef maar sleutelen aan zijn verhalen, vertelt hij. 'Het was nooit goed. Maar ik wist niet wanneer een verhaal er dan wél mee door kon. Soms las ik werk van anderen waar ik niets aan vond, maar dan dacht ik dat mensen die er verstand van hadden, er ongelofelijke diepten in ontdekten.

'In het begin was het ook niet goed wat ik schreef. Iemand had in de jaren vijftig een verhaal van mij laten lezen aan de Haagse boekhandelaar en uitgever Boucher. Die gaf me een goede raad. Hij zei: 'Wat je nu schrijft is een slechte imitatie van Van Oudshoorn. Wacht een jaar of vijf met iets aan te bieden.' ' Het werden er wel twintig. Een belezen oom die het geaarzel niet langer kon aanzien, drong aan iets op te sturen naar Maatstaf. 'Tot mijn stomme verbazing namen ze het.'

Dat debuut was 'De tramrace', een verhaal dat speelt aan het begin van deze eeuw. Een wijs glimlachende God geeft zijn kleine zondaren de gelegenheid tot een catharsis. Het volksvermaak, de race tussen een tram van de katholieken en een van de protestanten, loopt gruwelijk af. Het meisje Mathilde komt onder de tram. Maar dan laat God zich vermurwen door de smeekbede van Boer Boon, die uit boete voor zijn zondige begeerte naar het kind liever zelf het slachtoffer was geweest. God zet de tijd even terug en dan ligt Boon onder het monster. Mathilde huppelt ongeschonden weg. De boer mist zijn benen, maar dat geeft niet: de zonde is vereffend, het collectief schuldige dorp weer in harmonie. De laatste, prachtige zin, waarin op Mathilde wordt gedoeld, luidt: 'Ze werd erg lang; jammer dat 'de Plank' - Boons nieuwe naam - nu zo kort was.'

Het verhaal heeft alles in zich wat zijn werk zo oninwisselbaar Hotz maakt: het sfeervolle tijdsbeeld dat vanzelfsprekend is neergezet; de afstandelijke humor, vermengd met mededogen met de hompelende personages; de tijdloze, precieze stijl. En er is sprake van gretige boetedoening, een thema dat altijd in zijn verhalen opduikt. 'De tramrace' lijkt in veel opzichten op 'Theodicee', een van Hotz' laatste verhalen. Ook daarin neemt de God in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid een besluit dat met 'goed' en 'kwaad' van menselijk formaat niet te maken heeft. Ook dat verhaal is, bij alle dood en onheil, sprookjesachtig licht.

'Theodicee' gaat over de 'best mogelijke van alle werelden', een wereld waarin ongeluk en pijn de noodzakelijke tegenhangers zijn van schoonheid en geluk. 'Vrij naar Leibniz', zegt Hotz. 'Zonder een beetje lijden, en vooral de angst daarvoor, bestaan er geen voldoening en genot. Iedereen uitgerust, vrolijk, aardig en gezond, dat is het ook niet. Op den duur wordt er alleen nog gegaapt.'

De sprookjesachtig volmaakte wereld die in het begin van het verhaal wordt geschetst, is dodelijk saai. Er is geen achterklap en argwaan, ontrouw noch bedrog, geen dood zelfs. Maar ook geen sprankje begeerte, en op den duur geen geboorte. En geen kunst. De drijfveer om die te maken is verdwenen. Maar dan wordt een oude man ziek. Ziekte en dood blijken aanstekelijk: er wordt gretig gestorven in het vredige dorp en iedereen is druk met verplegen en begraven. Hotz schrijft: 'God zag dit alles en hielp mee, ingevolge Zijn Genade, de zoveel heilzamer orde van een eeuw eerder te herstellen. Hij zond een milde bacterie, een nieuwe.' En het gaat weer goed. 'De stad kreeg zijn vereiste aantal invaliden en floreerde door allerhand nieuwe toeleveringsbedrijven. Men werkte, huilde en zong. Iemand schreef. Een ander schreeuwde in lang vergeten doodsangst. (. . .) Kunst, zo lang voor overbodig gehouden, ontstond in een schuur, in het geniep, waar een man een pijpje houtskool vond en een vergeeld maar nog bijna leeg schetsboek. God glimlachte en zag dat het goed was.'

Dit verhaal is niet bij iedereen even goed gevallen, denkt de schrijver. De kritiek negeerde het indertijd en sommige lezers vonden het maar vreemd. 'Hoe kon ik nu een pleidooi houden voor ziekte en ongeluk? En dan nog zeggen dat het God zo het beste lijkt. Wat is dat voor een God? Een trouwe lezer, die lang met mij correspondeerde over mijn werk, is daar na 'Theodicee' mee opgehouden: nooit meer wat van hem gehoord. Kennelijk vinden mensen mijn opvattingen over God en de wereld kwetsend. God moet goed zijn, en de wereld zonder angst en pijn. Maar daar geloof ik niet in.'

'Religieus' kun je het werk van Hotz niet noemen. Er wordt flink de draak gestoken met kwezelachtige christenen. Maar het besef dat iedere gunst in het leven gekocht en betaald moet worden, is alom aanwezig. En op de achtergrond figureert altijd God. Soms is het een ironische, alwetende God, soms een straffende instantie, of manifestatie van iets als 'noodlot' of 'wereldwil'. 'Mijn personages roepen op momenten van grote wanhoop die God aan', zegt Hotz, 'en die noemen zij, of ik, dan laf 'de goden'. Maar ik bedoel er toch wel degelijk God mee. Niet de God die in de kerken bezongen wordt. Mijn God is er een voor de kreukelaars. Ik prefereer zelf een kinderlijk geloof: een God bij wie je om hulp kunt roepen als het nodig is. Soms luistert hij, vaak niet. En je denkt ook wel eens: nu maakt hij het te gek.'

Hij raakte intertijd volledig in de ban van het werk van Simone Weil. 'Ik zou willen dat ik zó'n geloof kon vertonen. Haar boeken heb ik indertijd gevreten. Als dát chistendom is, dan zie ik er wel iets in, dacht ik. Schitterend. Maar dat is veel te hoog gegrepen. Daar zijn mensen te klein voor. Zij ging er dan ook dood aan.'

In de novelle 'De voetnoot' (1990), voert Hotz een vrouw op die Weils theorie aanhangt. Het is Ina, aankomend actrice, die bij het treinongeluk bij De Vink in 1926 haar voet verliest - en daarmee de kans op een toneelcarrière. De vrouw schikt zich in haar lot, en bestookt de rest van haar rolstoelleven de schuldige autoriteiten met haar woedende eis om genoegdoening. Zij had een wonderlijk geloof: 'God eiste offers en zelfverloochening, en afzien van gewoon geluk. Haar God was een kunstenaarsgod: alle moois in de wereld, door mensen gemaakt, kwam rechtstreeks van hem. Men krijgt het, maar niet voor niets (. . .)', staat er.

'In de geest van Simone Weil mocht Ina blij zijn met haar offer. Het is toch de opperste lof van de Schepper dat je zoiets mag meemaken', lacht Hotz. 'Maar de mensen denken er anders over. Hoedt u voor de getekenden! Een invalide, daar is niet voor niets iets mis mee.'

De vader, in alle autobiografische verhalen van Hotz een zwierige, zonnige zakenman die zelden last heeft van wroeging, reageert in 'De voetnoot' dan ook steevast geprikkeld op de invalide: 'Het is echt iets voor die vrouw. Dat haar zoiets overkomt, bedoel ik.' Maar voor die achteloze wreedheid wordt híj niet gestraft. Zo eenvoudig werkt het niet bij de God van Hotz. Deze man, die het liefst zijn verantwoordelijkheden ontliep, zou alles behouden: zijn voeten, zijn vrouwen, zijn kinderen. Het zat hem mee en hij maakte slachtoffers.

Hotz' moeder, een krachtige vrouw, in intellectueel en moreel opzicht de meerdere van haar echtgenoot, reisde hem, zoals beschreven in 'Weltevreden', in 1916 achterna naar Indië. Daar al stelde hij haar teleur, en zat hij achter andere vrouwen aan. Maar zij blijft in hem geloven, al fnuikt het huwelijk al haar ambities. Ook als vader zou hij tekortschieten, zo blijkt uit andere autobiografische verhalen die spelen in de jaren dertig. Huis en haard maakten hem chagrijnig. Op een dag - de hoofdpersoon is dan 11 - verdwijnt hij 'met zijn beste zondagmorgengrijns, alsof hij alleen weer even tennissen ging' ('De verplaatsing'), voorgoed uit hun leven. Spoedig heeft vader een nieuwe auto en een nieuwe jonge vrouw. De kinderen worden af en toe naar hem toe gestuurd om te vragen waar de karige alimentatie blijft.

Nee, vindt Hotz, dat is niet eerlijk, maar waarom zou het dat wel zijn? 'Misschien had mijn moeder niet moeten proberen die man te veranderen. Hem aan het lezen te brengen, hem aan huis te binden. Dat waren hopeloze pogingen.' In zijn verhalen heeft geen mens vanzelf recht op sympathie; de goden hebben zo hun voorkeuren. Goede mensen kunnen stomvervelend zijn en slechteriken aardig. Zoals Thomas, de sjoemelende figuur die in verschillende fasen van zijn leven in verhalen voorkomt. Hotz: 'Hij liegt en bedriegt, maar de goden zijn hem goed gezind. Want hij is onweerstaanbaar.'

De ik-figuren bij Hotz, meest schuchtere brekebenen, leggen het altijd af tegen die zorgeloze rijkeluiszoontjes die hun vrouwen afpakken, maar ze vergeven het hun graag. In zijn enige roman, De vertekening (1991), is het de verwende nietsnut De V., die glimlachend de hoofdpersoon Lucas z'n vrouw afhandig maakt. Maar Lucas blijft zijn 'vijand' aardig vinden. Want: 'Charme is zo zeldzaam dat men de bezitter ervan koestert als een prachtig dier.'

Hotz: 'Met theorieën over macht kom je in zo'n geval nergens. Zulke mensen grinniken maar wat en je vergeeft ze alles.' Hij heeft het vaak meegemaakt in zijn muzikantentijd. Als trombonist speelde hij in de jaren vijftig in een jazzorkest - hij schreef er een paar mooie verhalen over, zoals 'Proefspel' - en er zwermde altijd een groepje 'vaste vriendinnen' omheen. De mooie charmeur veroverde terloops wat van die vriendinnen en de hoorndragers lieten het maar zo. Hotz: 'We verdomden het om erop los te timmeren alsof we in het oerwoud waren. Maar zulk slap gedrag maakt vrouwen razend. 'Je houdt niet van me', is het dan. Het mannetjesdier moet voor zijn wijfje vechten.'

ALS HET GAAT om mannen en vrouwen, is Hotz nog altijd een aartspessismist. Zijn hardnekkige geloof in blinde natuurwetten is op dit punt Emile Zola waardig. Bij Hotz gaan de mannen als een kind op in hun spel, of dat nu muziek is of schilderen, het zakenleven of de waterbouwkunde. Jongens die plezier hebben in jongensdingen.

Vrouwen zijn de spelbrekers. Zij spelen nooit, staat in 'Proefspel': 'Vrouwen leven echt, hun ijzeren plan gedoogt geen namaak. Alleen vrouwen bestaan.' En dat ijzeren plan behelst altijd hetzelfde: de man moet getemd, er dient een baan gezocht, een huis betrokken. En na een paar jaar loopt de voormalige muzikant als een sukkel achter een kinderwagen door een treurig straatje, en bindt hij elke ochtend zijn broodtrommeltje onder de snelbinders.

'Ja, zo was het nu eenmaal', zegt Hotz verontschuldigend. ' 'Wanneer ga je nu eens wérken?', vroegen de vriendinnen, terwijl we dag en nacht met die muziek bezig waren. Vriendschap tussen man en vrouw, dat kon niet in de jaren vijftig. Een vrouw was íemands vrouw. Dat rechtvaardigde hun aanwezigheid bij de vriendengroep. Een enkeling had wel gevoel voor onze muziek, al was hun voorkeur altijd anders.' Sentimenteler? 'Nee, gevoeliger', glimlacht Hotz.

Leuke vrouwen zijn zeldzaam in zijn werk. Hier en daar een hartveroverend koppig jong meisje, een kameraadschappelijke vriendin, een aardige zus. De meeste vrouwen bij Hotz zijn onuitstaanbaar drenzende zuurpruimen. Zuchtende, eeuwig teleurgestelde tirannen. Al schrijft hij met veel liefde, weliswaar vermengd met kinderergernis, over de moeder in zijn autobiografische verhalen. Over zíjn moeder, voor wie het in al die jaren na haar scheiding, waarin ze zich eindelijk zelf kon ontwikkelen, 'nog altijd die verspeelde man was die bleef tellen'.

Hij heeft zich, in de feministische jaren zeventig en tachtig, dikwijls moeten verdedigen tegen de verdenking een 'vrouwenhater' te zijn. Hij legde dan altijd geduldig uit dat het hem om de beknotting van vrijheid gaat, om de onmogelijkheid, voor mannen en vrouwen, om in een huwelijk je eigen weg te volgen, om trouw te blijven aan je voorkeuren. Die beknotting leidt bijna altijd tot ontevredenheid, denkt hij, en hij vreest dat dat nog steeds zo is. Nog altijd ziet hij mannen die thuis geen millimeter voor zichzelf hebben, die na het werk, zoals hij geestig beschrijft in 'Twee foto's', 'lamlendig neerstrijken op gebloemde damesfauteuiltjes'.

'Maar zo verschrikkelijk als in de jaren vijftig is het niet meer', geeft hij toe. 'Dat ellendige tijdperk is eindelijk voorbij. Dikwijls vinden mannen en vrouwen nu wel een aardige balans.' Het doet hem goed om te zien dat veel vrouwen nu iets anders aan hun hoofd hebben dan hun man achter de broek te zitten. En dat vrouwen die een eigen carrière hebben, minder streberig zijn dan hun mannelijke collega's. 'Mannen denken altijd dat ze alles geweldig goed doen.' En: 'De beste schrijvers zijn op dit moment vrouwen.' Hij houdt van het werk van Helga Ruebsamen, en van de verhalen van Nelly Heykamp.

Meestal weet je al na een paar zinnen of een schrijver interessant is, zegt hij. 'Het gaat om de vorm, bij alle kunst. Stijl, verwoording, is belangrijker dan thema, visie, of wat dan ook. Of misschien moet je zeggen dat pas bij de juiste verwoording iets kan worden beweerd wat de moeite waard is: het moet natuurlijk wel ergens over gaan. Mooi is een verkeerd woord. Het moet goed zijn.'

In de loop van twintig jaar is Hotz steeds zuiniger geworden met woorden. 'Stileren betekent bij mij altijd schrappen. Het kan altijd nog met minder. Ik ben maar één keer tevreden geweest over een zin. Die staat in het verhaal 'Thomas en de cycloop'. Thomas gaat tijdens de oorlog op zoek naar zijn ondergedoken zoon in Limburg, omdat hij bang is dat door zijn stommiteit de jongen gevaar loopt. De boerin ontvangt Thomas argwanend. En dan staat er: De lucht was blauw. Die zin is precies goed, en op de juiste plaats. Dat geeft een grote voldoening. Je moet niet te snel tevreden zijn met wat je maakt.'

Als iets mooi is, doorstaat het de overwaaiende 'tijdgeest', is zijn overtuiging. Zoals bijna alles wat in de jaren twintig werd gemaakt, mooi is en blijft. De 'witte jazzmuziek', de gestroomlijnde auto's, de vrouwen met hun pagekapsels, de gebouwen van de Amsterdamse School, de vliegtuigen, treinen en zeppelins. De wereld werd, even, verbluffend nieuw. 'Een eeuwige zomer en een voor altijd geldende onovertrefbare kunstvernieuwing', schrijft hij in 'De voetnoot'. Lang zou het niet duren. Veel van zijn verhalen beschrijven de neergang na die schitterende decade. De economische crisis kleurde alles grauw, de mensen werden bang en benepen. Maar Hotz zou trouw blijven aan zijn liefde voor de glanzende voortbrengselen uit zijn kindertijd.

'Ontrouw is verschrikkelijk', vindt hij nog steeds. 'Aan mensen, voorkeuren, ideeën. Ik begrijp niet hoe mensen van de ene op de andere dag iets wat ze bewonderden passé kunnen noemen. Vroeger knipte ik wel eens artikeltjes uit over onderwerpen waarvan ik dacht dat ze vrienden interesseerden. Maar vaak kreeg ik te horen: hou het maar, ik vind d'r niets meer aan. Belangstelling die wordt ingeruild, is geen belangstelling.' In 'Een laatste oordeel' beschrijft Hotz de sensatie van volmaakt geluk, die een 6-jarig jongetje ervaart. Hij zit, eind jaren twintig, met zijn twee mooie, modieuze tantes in het restaurant van Kramers wondermooie Haagse Bijenkorf. De vrouwen fluisteren over mannen en de jongen krijgt een aai over zijn bol. 'Ik achtte me in de tijd opgenomen en zag nog niet om: een eerste voorwaarde voor voldoening.'

HET OMKIJKEN begon al vroeg, vertelt Hotz. 'Afschuwelijk vroeg. Ik was 7 toen ik met mijn moeder naar Amsterdam ging en daar de nieuwe huizen in Zuid zag. Ik vond ze mooi. Jaren later hoorde ik dat het huizen van de Amsterdamse School waren. Die kende ik! En ik vond ze nog even mooi. Foto's van oude auto's en vliegtuigen koesterde ik. Ik kon als kind uren zitten bladeren in oude tijdschriften. Dat is zo gebleven.'

Vaak kreeg hij het verwijt 'niet met zijn tijd mee te gaan'. Hotz: 'Dat was het hoogste goed, hoe lelijk die tijd ook was. Het heden was altijd het beste. Toen ik in de jaren vijftig met een cameraatje naar Amsterdam ging om die architectuur te fotograferen, vond men dat belachelijk. Dat kon je niet meer mooi vinden. Hetzelfde gold voor de muziek. Wij bleven trouw aan onze voorkeur voor symfonische jazz uit de jaren twintig. Een klein, eigen geluid. Maar in de zalen waar we kwamen, vonden ze dat idiote muziek, waarop je niet kon dansen. Al gauw zaten we zonder werk.'

Het is een verademing dat je de vervelende eis 'met je tijd mee te gaan' tegenwoordig zelden meer hoort, zegt hij. 'Omkijken mag weer; een maniakale voorkeur wordt gedoogd.' Het deed hem enorm veel plezier een groep jonge muzikanten te ontdekken die nu zíjn favoriete muziek speelt. 'The Beau Hunks heten ze; ze spelen muziek van Grofé, die ook arrangementen voor Paul Whiteman maakte. Ze vonden dat allemachtig interessante muziek, die ze per se wilden leren spelen - wat nog niet meeviel trouwens. Als ik zoiets hoor, ben ik blij met deze tijd.'

Hij heeft er nooit spijt van gehad dat hij met muziek maken is gestopt. 'Ik herinner me leuke dingen uit die periode. Maar je moet er op tijd mee stoppen. Je moet niet oud, krom en grijs op het podium gaan staan. Dikke mannen die zwetend staan te blazen in een overhemd met beestjes dat over de buik spant: verschrikkelijk.'

Hotz weet niet of er na dit 'verzameld werk' ooit nog een nieuw boek van hem zal verschijnen - al mag de zo definitief lijkende dundrukbundel hem natuurlijk niet van het schrijven afhouden, vindt hij. 'Maar als er niets meer komt, is dat zo erg niet. Misschien is alles gezegd. Je moet je niet gaan herhalen. Net als een muzikant moet een schrijver op een zeker moment van ophouden weten.'

Aleid Truijens

F.B. Hotz: Het werk.

De Arbeiderspers; twee banden, 1359 pagina's; ¿ 150,-.

ISBN 90 295 2087 6.

Meer over