De longfunctie-meter

Drie keer flink in- en uitademen is voor de meeste mensen een koud kunstje. Maar voor patiënten met aandoeningen aan de luchtwegen of andere ademhalingsproblemen is het minder vanzelfsprekend....

De longfunctie-meter heeft een mondstuk dat bij de patiënt in de mond wordt geplaatst. Ook krijgt de patiënt een klem op de neus. Bij spirometrisch onderzoek wordt de hoeveelheid lucht (vitale capaciteit) gemeten die de patiënt maximaal kan in- en uitademen. De uitslagen verschijnen op het scherm van de op het apparaat aangesloten computer.

Daarnaast is belangrijk hoeveel lucht de patiënt in één seconde kan uitblazen, hetgeen wordt uitgedrukt in een percentage van de vitale capaciteit. Afhankelijk van de leeftijd van de patiënt is dat normaal 70 tot 80 procent, maar mensen met vernauwde luchtwegen, zoals astmalijders, scoren aanzienlijk lager.

Van de drie 'blaastesten' wordt het beste resultaat doorgegeven aan de longarts. De uitslagen geven aan of de betrokkene bijvoorbeeld luchtweg verwijdende middelen nodig heeft of hoe een eerder vastgestelde ziekte verloopt. Soms worden die middelen tijdens het onderzoek toegediend om het effect ervan te meten.

Een inspanningsonderzoek meet welke inspanning de patiënt maximaal kan leveren. Deze moet dan zo lang mogelijk trappen op een fiets-ergometer, bij een opklimmende belasting. Daarbij wordt tevens het zuurstofverbruik en de hartslag gemeten. Een bodybox-onderzoek ten slotte, dat in een telefooncelachtige, afgesloten ruimte plaatsvindt, meet de totale longinhoud en de luchtwegweerstand van de longen.

De longinhoud alléén zegt trouwens niet alles over de kwaliteit van de longen, zegt Groepenhoff. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de longinhoud voldoende is, de luchtwegen goed openstaan, maar dat de patiënt toch klaagt over kortademigheid. Dan kan een test aantonen of de longen wel snel genoeg zuurstof aan het bloed doorgeven. Om dat te controleren, ademt de patiënt een kleine hoeveelheid gas in.

Meer over