De loden last van een kasteel

De Tsjechische adel stort zich op de herovering van zijn kastelen. Ze werden geconfisqueerd door de nazi's, de naoorlogse regering van Benes en vervolgens door de communisten....

HET APPARTEMENT op de tweede verdieping is, zeker voor lokale begrippen, pico bello. Een ruime driekamerwoning met nieuwe vloeren, verwarming, elektriciteit en telefoon. De bewoners zijn tevreden, maar zien hun behuizing als weinig bijzonder. Zo woont een stel vandaag de dag op zo veel plaatsen.

Bijzonder is wel het uitzicht dat de Bartaks hebben: een riante blik op 64 hectaren tuinen en landerijen, fortificaties aan de rand, en daarachter de glooiende heuvels rond Breznice, 80 kilometer ten zuidwesten van Praag.

Bijzonder is ook de rest van het bouwwerk, waarin het appartement zich in een verre vleugel bevindt. Het kreeg zijn laatste grondige facelift rond 1620, nadat er sinds de bouw in de dertiende eeuw weinig aan was veranderd. Over de van oorsprong gothische optrek werd een Renaissance-kleed geschoven dat het bouwwerk omtoverde in een vierkant chateau met binnenplaats, bekroond met een statige klokketoren.

Vijftig jaar geleden ontvingen de Palffy's hier hun gasten. En nog een halve eeuw eerder deden dat de Kolowrats, een ander roemrijk adellijk geslacht in Bohemen. Nu wonen in een hoek op de tweede verdieping Jitka en Robert Bartak, de slotbewaarders van Breznice. Zij proberen de boel te onderhouden en geven rondleiding. In dienst van de overheid, want kasteel Breznice is eigendom van de Tsjechische staat. Voor zolang het duurt.

Steeds meer kastelen in Bohemen en Moravië, de twee landsdelen van Tsjechië, kennen het verschijnsel van permanente bewoning. Maar in tegenstelling tot de Bartaks zijn veel van de in een uithoek van een burcht gevestigde lieden geen door de staat aangestelde beheerders, maar trotse eigenaren.

Zij hebben hun bezit teruggekregen krachtens de restitutiewetten van 1990. Een mooie geste, maar het bezit is doorgaans zo ondermijnd door verval en verwaarlozing dat het een vermogen kost de boel op te knappen. En eerder deze eeuw afgepakte vermogens worden niet teruggegeven. Dus beperken veel eigenaren zich tot het inrichten van een bewoonbare hoek in hun pand, met het voornemen centimeter voor centimeter en dubbeltje voor dubbeltje de rest weer in zijn glorieuze oude staat terug te brengen.

De Tsjechische adel heeft zich gestort op de herovering van zijn kastelen die zijn geconfisqueerd door de nazi's, de eerste naoorlogse regering van president Benes en vervolgens door de communisten.

Met meer dan tweeduizend exemplaren is de kastelendichtheid van Bohemen en Moravië een van de hoogste in Europa. Overal kom je ze tegen, maar vrijwel overal verkeren ze in een treurige staat. Deze streek is overwoekerd met ruïnes, echte, door de eeuwen afgesleten ruïnes, en met kastelen die door vijftig jaar wanbeheer moedwillig naar de rand van de ondergang zijn geleid.

In Tsjechië hebben de communistische machthebbers weinig gesloopt en gebroken. Ze oordeelden dat de tijd vanzelf zou afrekenen met al die architectonische uitspattingen van de hogere standen, maar zij hebben de levensduur van hun eigen regime overschat. De boel is verwaarloosd, staat op instorten, maar is in de meeste gevallen nog te redden.

Praag is er een toonbeeld van. Vijf jaar geleden was het een grauwe en grijze stad die bijeen gehouden werd met stutten, steigers en elastiekjes. In hoog tempo zijn alle paleizen, theaters en andere monumentale panden opgepoetst en gerestaureerd. De grote toevloed van buitenlandse toeristen en projectontwikkelaars maakt dat financieel mogelijk.

Met de kastelen ligt dat wat moeilijker. De communisten gaven het nieuwe staatsbezit bij voorkeur een bestemming die garant stond voor uitwoning: huisvesting voor soldaten, vakantieadressen voor de pioniers, de toekomst van de partij.

Er zijn wat uitzonderingen, met name de pronkstukken rond Praag. Een kastelentoer is een van de populairste toeristische attracties en voert langs schoonheden als Karlstejn en Konopiste, waar de Habsburgse aartshertog en troonopvolger Franz Ferdinand hof hield tot hij in 1914 in Sarajevo werd doodgeschoten.

De meeste kastelen zijn echter een loden last voor de plaatstelijke overheden, die ze gaarne in de privatisering doen. Een voorbeeld is Bor, niet ver van de grootste grensovergang naar Duitsland. Hier staat een Disney-achtig kasteel dat zo treurig oogt, dat een fikse windvlaag voldoende lijkt om het tegen de vlakte te slaan.

Het is te koop gezet, of liever wordt weggegeven voor het symbolische bedrag van één kroon, nog geen zeven Nederlandse centen. De koper moet zich echter verplichten minimaal twee miljoen gulden in de restauratie te steken. Die voorwaarde heeft aspirant-kopers vooralsnog op grote afstand gehouden.

De oude adel die nu in de slag is om oude eigendommen terug te krijgen, strijdt in hoofdzaak om de krenten uit het kastelenbestand. Een dertigtal kastelen die open zijn voor het publiek, zijn aan de voormalige eigenaren teruggegeven. Zo'n tweehonderd aanvragen voor restitutie lopen nog, waarvan er 75 betrekking hebben op bezittingen die in 1945 onteigend zijn door de regering Benes.

Onder de zogenoemde Benes-decreten werden de bezittingen van alle Sudeten-Duitsers onteigend. Bijna drie miljoen mensen werden collectief schuldig bevonden aan collaboratie met de nazi-bezetters, en met veel geweld het land uit gedreven. Onder hen een keur van adellijke lieden, die doorgaans Duitse namen droegen. De kans dat zij voor restitutie in aanmerking komen, is gering: de wet bepaalt dat alleen bezittingen genaast na de machtsovername door de communisten in februari 1948 opgeëist kunnen worden.

Het in beslag nemen van kastelen stoelt in deze landstreken op een lange traditie. Kasteel Breznice was ooit de woonstee van Pribik Jenisek van Ujezd, een vrome katholiek en opperrechter in het showproces tegen 27 protestantse edelen, die in 1621 op het Oude Stadsplein van Praag werden onthoofd.

De massa-executie, opgeluisterd met het ophangen van twee personen om de vertoning nog meer cachet te geven, was de bekroning van de contrareformatie en de overname van het gebied door de Habsburgers. Vrijwel elk kasteel in Bohemen en Moravië wisselde in die periode van eigenaar: als de oude bewoner al geen Hussitische protestant was, dan werd hij zeker bestempeld tot protestantenvriend en moest hij evengoed vluchten.

Zeer actief in de herovering van hun bezittingen zijn de Wallensteins, een van de oudste adellijke geslachten van Bohemen, wier lijn terugloopt tot in de Karolingische tijd. Een naam die hier niet te vermijden valt. Het Valdstjen-paleis is een van de meest imposante Renaissance-monumenten van Praag. Het huisvest tegenwoordig het ministerie van Cultuur en beslaat bijna een heel blok in de wijk Mala Strana.

De Wallenstein-familie heeft de teruggave geëist van twintigduizend hectaren grond, waarop zich acht kastelen bevinden. Het is de grootste restitutie-claim na die van de familie Schwarzenberg. Die laatste is voor een groot deel tegemoetgekomen. Karl von Schwarzenberg, een vriend van president Havel en na de Fluwelen Revolutie diens kanselier, heeft een hele reeks panden in Praag en daarbuiten teruggekregen, waaronder de imposante burcht in Cesky Krumlov, het mooiste stadje van het land.

De Schwarzenbergs werden echter kaalgeplukt in 1948 door de communisten, terwijl de Wallensteins drie jaar eerder als collaborateurs het land uit werden gezet.

'Wij zijn verdreven in 1945, tegelijk met drie miljoen Sudeten', aldus Ernst Wallenstein, een elegante zeventiger. 'Want hoewel wij Tsjechoslowaakse burgers waren, werden wij gerekend tot de Duitse nationaliteit op grond van de criteria van de volkstelling van 1930.'

De Wallensteins stellen dat zij voldoen aan de eisen voor restitutie. In 1992 hebben zij het Tsjechische staatsburgerschap ontvangen, hetgeen tot een enorme politieke rel leidde. Een keurgroep van tweehonderd mensen werd genaturaliseerd dank zij bemiddeling van leden van de regeringscoalitie, op het moment dat het uitzicht op staatsburgerschap verdween voor honderdduizend zigeuners van wie de meesten hun hele leven hier gewoond hebben.

De Wallenstein-familie vreest dat de regering hun oude domeinen zal privatiseren, waardoor deze geruïneerd zullen worden. Naar hun mening is het onmogelijk bossen te privatiseren, en 90 procent van het land zou bos zijn. Het is beter de bossen niet te scheiden van de kastelen, maar ze van elkaars inkomsten te laten profiteren. Bovendien bevinden de bossen zich in beschermde gebieden en heeft de staat niet het recht ze te verkopen.

De familie vecht voor teruggave, niet noodzakelijk met de gedachte de kastelen weer zelf te gaan bewonen. Ze stellen voor een fonds in te stellen met de inkomsten van de bossen en daaruit de kastelen te restaureren. Op die wijze wordt voorkomen dat ze in handen vallen van speculanten.

Een soortgelijk geval als Wallenstein is Graaf Klaus Des Fours Walderode, maar zijn papieren voor restitutie zijn iets florissanter. Hij is geboren en getogen op kasteel Hruby Rohozec bij Turnov, een pand dat zijn voorvaderen in 1628 kochten van Wallenstein. De titel graaf raakte hij officieel kwijt in 1918, toen de op de puinhopen van het Habsburgse rijk gestichte republiek Tsjechoslowakije alle adellijke titels afschafte.

Bij het einde van de Tweede Wereldoorlog werd ook Klaus Des Fours Walderode tot Duitser bestempeld, en gestript van zijn staatsburgerschap en bezittingen. Hij spande echter een proces tegen deze gang van zaken aan, en mocht zich in 1947 weer Tsjechoslowaak noemen. Een jaar later kreeg hij zijn bezit terug, voor een blauwe maandag, want de communisten maakten aan alle illusies een einde.

Toen hij kort daarop het land verliet, ontnam het communistische bewind hem wederom zijn staatsburgerschap. Dat heeft hij inmiddels terug, als lid van de keurgroep die een voorrangsbehandeling kreeg. Nu nog het bezit terug. Klaus des Fours Walderode heeft een forse claim: het slot Hruby Rohozec met de daarbij horende 300 hectaren landbouwgrond en 4000 hectaren bos. Door zijn link met de nog altijd overgevoelige kwestie van de Sudeten-Duitsers, is het onzeker of de hoogbejaarde graaf de uitslag nog bij leven en welzijn krijgt.

Meer succes had Baron Vladimir Reisky de Dubnic. Zijn probleem was dat hij onbemiddeld was en een bouwval in de schoot geworpen kreeg. Hij mocht zich wederom eigenaar noemen van Vilemov, een krakkemikkig en onverwarmd barok chateau met 45 hectaren landbouwgrond en 550 hectaren bos.

Ook de Reisky-familie werd in de eerste helft van deze eeuw twee keer van haar bezittingen beroofd. Eerst door de nazi's, en in 1948 door de communisten. Reisky ontvluchtte Tsjechoslowakije en toog naar de Verenigde Staten waar hij politicologie studeerde. Precies op het einde van de Koude Oorlog ging hij met pensioen bij het onderzoeksinstituut in Wenen waar hij werkte.

Sinds 1991 heeft de 71-jarige Baron Reisky 9 miljoen kronen (een half miljoen gulden) aan geleend geld in zijn vervallen kasteel gestopt. Het moment is nu gekomen om dat geld terug te gaan verdienen. De baron heeft zijn stulpje omgebouwd tot een luxe hotel, compleet met tennisbaan, zwembad en rijstal.

In de zomermaanden huisvest het pand Reisky's Institute for East-West Studies, dat cursussen op universitair niveau geeft. Een daarvan heet 'Politieke en economische ontwikkelingen in de hedendaagse Tsjechische Republiek'. Daarin zal ongetwijfeld veel ruimte worden gereserveerd voor thema's als restitutie en privatisering.

Meer over