De littekens van een lange reeks gevechten

Anton Geesink, vrijdag op 76-jarige leeftijd overleden, was als judoka én als sportofficial onverzettelijk.Door Poul Annema en John Volkers..

Poul Annema en John Volkers

Zijn dochter Leni heeft wel eens tegen haar vader gezegd dat ze vaak verzweeg dat ze een kind van Anton Geesink was. Zoon Anton jr. nam het altijd voor hem op: ‘Omdat er willens en wetens een gekleurd beeld van vader wordt gecreëerd.’ Echtgenote Jans herhaalde geregeld wat ze ooit in zijn boek Tot hier en niet verder had geschreven: ‘Toen Anton 50 was geworden, bereidden we ons voor op een rustig en teruggetrokken leventje. Eindelijk weer aandacht voor de kinderen en de kleinkinderen.’

‘Anton was moe’, zei Jans lang geleden al. ‘Moe van het onophoudelijk moeten opboksen tegen een overmacht van sportbestuurders. Met zijn beslissing was ik dus heel gelukkig.’ Anton en Jans verkochten hun goeddeels zelf verbouwde boerderij in Gameren en hun chalet in het Oostenrijkse Ellmau. Ze gingen weer wonen boven de eerder verkochte sportschool in Utrecht aan de Anton Geesinkstraat. Maar de rust keerde nooit meer terug.

Drie jaar geleden toen hij door het NOC*NSF werd gehuldigd voor twintig jaar lidmaatschap van het IOC, sprak hij, op Papendal, zijn huis vol vijandigheid, de onvergetelijke zin: ‘We blijven lekker doorgaan.’ Het was méér dan een knipoog, de woorden waren ook tekenend voor zijn karakter. ‘Als Geesink je éénmaal te pakken heeft, laat hij je nooit meer los’, zei Wim Ruska, de tweevoudig olympisch kampioen van 1972 en nooit een echte vriend, ooit over hem. Geesink was meedogenloos op alle niveaus.

Anton Geesink was er bovendien de man niet naar om te berusten, steeds weer stelde hij zich teweer tegen vrijwel alles wat zijn pad kruiste. Als hij belde – en dat deed hij vaak – duurde het gesprek nooit kort, als je werd uitgenodigd op de koffie, had hij zich verschanst achter een berg papier om aan de hand van zijn notities nog eens uit de doeken te doen hoe ‘ze’ toch weer hadden geprobeerd hem onderuit te halen. ‘Ik schrijf tegenwoordig alles meteen op, dan is er later geen ruimte voor misverstand.’

Toen hij zijn uitgever voorstelde om zijn eigen verhaal te schrijven over zijn leven in de sport wilde hij een boek van 800 pagina’s maken, hij kon maar moeilijk accepteren dat ruim 200 wel genoeg moest zijn, omdat het werk anders onverkoopbaar zou zijn. Zijn beleidsplannen en verweerschriften hadden zich hoog opgestapeld en hij kon maar niet begrijpen dat ze bij NOC*NSF – zoals hij zelf zei – één voor één in de koelkast verdwenen.

‘En dan zeggen ze, dat Anton Geesink een onbestuurbare raket is, maar Anton Geesink is alleen maar een onbestuurbare raket als niemand de moeite neemt om kennis te nemen van zijn beleidsplannen’, mopperde hij dan in de schaduw van zijn eigen IOC-kantoor. ‘Gefrustreerd ben ik niet, hoe kom je erbij? Ik ben in Nederland gewend dat de mensen aardig voor me zijn, maar ik ben niet gewend dat iemand in Nederland zijn nek voor me uitsteekt.’

Een formidabele judoka was Geesink, vooral door zijn techniek en dankzij z’n fysieke en ook geestelijke kracht. Op de mat was hij met zijn indrukwekkende torso altijd in cadans, maar ook psychisch bleek hij volledig onverstoorbaar. Als bestuurder leek hij te lijden onder zijn achtergrond en het feit dat hij al op zijn 12de de school had verlaten voor een baan op de steigers in de bouw. Zijn vader was loonwerker, zijn moeder dochter van haringboer Barend de Negenvinger. ‘Tegen IOC-voorzitter Samaranch die me naar het IOC haalde, heb ik gezegd: ‘Ik ben wel een jongen uit zeg maar Montmartre, een volkswijk, want ik nam maar aan dat Wijk C in Utrecht hem weinig zou zeggen.’

‘Ik ben niet opgeleid voor complicaties’, was steevast zijn antwoord op de vraag waarom het bestuurlijke milieu hem zo benauwde en in elk geval irriteerde. Hij schreef zijn verwondering toe aan de ‘bestuurskliek’, ‘het old boys netwerk’ of het circuit van ‘de Alte Kameraden’, hij schreef er brieven over naar minister-president Balkenende, en zocht begrip bij minister van Financiën Wouter Bos.

Zijn boodschap voor betere sport, het geloof in de olympische gedachte bij jong en oud, eindigde in mistige dialogen met Nederlandse bestuurders en venijnige en onoplosbare ruzies met NOC-voorzitters. ‘Als iemand me niet bevalt, scheiden onze wegen’, zei hij in de van hem bekende no-nonsense taal. En eerder in de Volkskrant: ‘Intellectuele achterstand? Ik zou de hele havo in zes weken hebben gedaan. Ik ben een ram, wat ik wil doen, doe ik, wat ik wil weten, kom ik te weten. Wat ik wil hebben, krijg ik.’

Anton Geesink bleef vooral het jongetje uit Wijk C dat via zijn fenomenale prestaties op de judomat uitgroeide tot een zeldzaam icoon van de Nederlandse topsport en via een door IOC-voorzitter Juan Antonio Samaranch bedachte U-bochtconstructie op het hoogste sportfluweel belandde. Zijn benoeming veroorzaakte pijn bij de gezagsdragers van de Nederlandse sport, Henk Vonhoff en Ruud Frese, die ook op de door de toen overleden Kees Kerdel verlaten post uit waren. ‘Ik ben gewend om mensen van mijn lijf te houden’, zei Geesink toen. ‘Ik weet wat het is om te vallen, pijn te hebben en te verliezen. Ik ben niet bang meer.’

Desondanks voelde hij zich vaak bedreigd, gekwetst of aangesproken. Hij kon charmant en innemend zijn, maar bleef onder alle omstandigheden altijd de judoka die niet van opgeven wist. Of zoals hij ooit in Vrij Nederland tegen Bibeb zei: ‘ Je kunt om twee redenen op je donder krijgen. Of omdat je te veel doet, of omdat je te weinig doet. Laat mij dan maar te veel doen.’ Zijn halsstarrigheid leed evenmin onder al het onvoorwaardelijke geloof in zijn eigen waarheid. De rust, die zijn gezin hem op zijn 50ste al gunde, vond hij nooit. De kampioen Geesink was een man met de littekens van een langdurig gevecht.

Meer over