Reportage

De lessen van vijftig jaar ontwikkelingshulp uit Nederland

Een dam in Ouahigouya. Beeld Sven Torfinn
Een dam in Ouahigouya.Beeld Sven Torfinn

Na bijna tien jaar afwezigheid is Nederland weer terug in zijn voormalige donor darling Burkina Faso. Het kabinet-Rutte IV trekt zelfs 500 miljoen euro extra uit voor ontwikkelings­samenwerking. Oud-ontwikkelingswerkers vertellen over hoe het beleid is veranderd, en welke lessen daaruit kunnen worden getrokken. ‘Het is vooral een kwestie van lange adem.’

Carlijne Vos

Ambassadeur Esther Loeffen (47) loopt wat onwennig maar opgewekt rond in de nog steriele vertrekken van het zwaarbeveiligde gebouw waar de Nederlandse vertegenwoordiging in Ouagadougou zijn intrek heeft genomen. Ze is pas drie weken eerder aangekomen in de hoofdstad van Burkina Faso, maar ruime ervaring elders in Afrika heeft haar voorbereid op haar taak: helpen voorkomen dat de Sahel verder ontwricht raakt.

‘Er is geen tijd te verliezen’, zegt de hoogblonde topdiplomaat in modieus mantelpak als ze heeft plaatsgenomen in een comfortabele fauteuil in een kale spreekkamer. ‘De terreurgolf slaat over naar de kustlanden van West-Afrika, waar de belangrijkste doorvoerhavens en onze potentiële nieuwe afzetmarkten liggen. Alle middelen zijn nu geoorloofd om werkloze jongeren een andere richting in te bewegen dan terrorisme.’ Dat lukt niet alleen met boots on the ground’, zegt Loeffen, maar vergt ook bredere investering in ontwikkeling.

Wat Loeffen maar wil zeggen: ontwikkelingssamenwerking is ‘onderdeel van de Nederlandse belangenbehartiging’ en geen linkse hobby. ‘Als mensen arm blijven, consumeren ze niet, stappen ze op een bootje richting Europa of worden ze in handen gedreven van terroristen.’ Investeren in Afrika is dus een win-win, stelt Loeffen met een vooruitziende blik vast als de Volkskrant haar eind september spreekt tijdens de dan nog vastgelopen kabinetsformatie.

 Paul Kleene bezoekt een school in Ouagadougou waar jonge bomen zijn aangeplant. Beeld
Paul Kleene bezoekt een school in Ouagadougou waar jonge bomen zijn aangeplant.

Nederland is terug in Burkina Faso na bijna tien jaar afwezigheid, de militaire coup van twee weken geleden verandert daar voorlopig niets aan. Onder het eerste kabinet-Rutte werd de ambassade gesloten en de geldkraan voor Burkina Faso dichtgedraaid. Het toenmalige kabinet geloofde niet meer in het nut van ontwikkelingssamenwerking; het leek een bodemloze put die vooral corruptie en afhankelijkheid in de hand werkte.

Anno 2022 zijn de inzichten weer gekanteld. De terreurgolf uit Mali die in rap tempo ook buurlanden Burkina Faso en Niger heeft overspoeld en de hoeveelheid Afrikaanse migranten die de Middellandse Zee blijft oversteken doen de alarmbellen afgaan. Dus wil het nieuwe kabinet juist weer aanwezig zijn in de Sahel om het tij te helpen keren, is er 500 miljoen euro extra beschikbaar voor ontwikkelingssamenwerking en kan de ambassade in Ouagadougou nu vol aan de slag.

Welke lessen kan Nederland trekken, na ruim vijftig jaar ontwikkelingssamenwerking?

Burkina Faso gold lang als de donor darling van Nederland. De hulporganisatie Stichting Nederlandse Vrijwilligers (SNV) begon al in 1970, tien jaar na de onafhankelijkheid van Frankrijk, in het Sahelland, toen dat nog Opper-Volta heette. Aanvankelijk waren het vrijwilligers die met de beste bedoelingen – en vanuit een collectief ervaren postkoloniaal schuldgevoel – naar arme landen trokken om waterputten te slaan, schooltjes en klinieken te bouwen. Na de ‘grote droogte’ in de Sahel van 1973-’74 stuurde het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) in Amsterdam de eerste ‘technische verkenningsmissies’ om de mogelijkheden van irrigatie en inpoldering te onderzoeken.

Langs de weg tussen Ouagadougou en Ouhigouya staan veel borden die verwijzen naar ontwikkelingsprojecten met daaronder de logo’s van internationale donoren of westerse partner organisaties. Beeld Sven Torfinn
Langs de weg tussen Ouagadougou en Ouhigouya staan veel borden die verwijzen naar ontwikkelingsprojecten met daaronder de logo’s van internationale donoren of westerse partner organisaties.Beeld Sven Torfinn

‘De beelden van uitgemergelde kinderen hadden iets losgemaakt en wij moesten er iets aan gaan doen’, herinnert de 78-jarige Paul Kleene zich. Opgeleid aan landbouwuniversiteit in Wageningen behoort hij tot de eerste generatie ‘avonturiers’. Hij kwam in 1975 met idealen, verloor zijn hart aan de warme rode aarde van het Afrikaanse continent – en aan een Togolese vrouw –, en bleef. ‘Ik heb het laatste vliegtuig naar Europa gemist’, lacht hij.

Op het stuur van zijn oude verstofte Renault-bestelwagen spreidt Kleene een oude wegenkaart van Burkina Faso uit. ‘Kijk, hier waren we’, wijst hij op de kaart, waar roze en gele plakkertjes keurig de diverse plekken in het land markeren waar Nederland in de jaren zeventig en tachtig actief was en hij nu als zelfstandig landbouwadviseur nog steeds nieuwe projecten begeleidt. ‘Daar zitten de jihadisten, ze verstoppen zich in die bosjes’, wijst hij naar de grensgebieden met Mali, Niger en Togo.

Hobbelend stuurt hij zijn oude Renaultje langs de talloze gaten en kuilen in de zandwegen van Ouagadougou naar een boomkwekerij die destijds is opgezet met geld en kennis uit Nederland. Behalve kuilen in de weg brengt de regentijd ook verzengende hitte en een overvloed aan vliegen en muggen, die zich in de boomkwekerij op het bezoek stort.

De pépinière, grenzend aan een groot stadspark, is een van de weinige zichtbare overblijfselen van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking: een project om lokale boomsoorten te kweken, en te planten tegen de oprukkende woestijn en om biodiversiteit te behouden. Goedkeurend loopt Kleene, gekleed in een blauwe bermuda met opgetrokken zwarte sokken in zwarte schoenen, langs de miniboompjes die voor de kassen staan opgesteld, wachtend op nieuwe eigenaren. ‘Kijk, hier word ik nu blij van: dit hebben ze keurig geënt’, wijst hij naar het witte plakband om de steeltjes van de jujube, een lokale, stekelige boomsoort. ‘Het succes hebben ze te danken aan de verkoop van boompjes, want alleen als kenniscentrum voor de bevordering van bosbouw was dit project al lang ter ziele gegaan’, merkt hij niet zonder cynisme op.

Aan ambities ontbrak het niet in de beginjaren. Een viertal oud-ontwikkelingswerkers is deze vrijdagmiddag op verzoek van de Volkskrant bijeengekomen op een terras in de hoofdstad om herinneringen op te halen. Net als Kleene kwamen ze op een tijdelijke missie, raakten verknocht aan het land en een Afrikaanse geliefde en bleven voorgoed. Enthousiast verhalen ze van vroeger. Er werden dammen gebouwd, irrigatiekanalen aangelegd en landbouwgrond langs vruchtbare rivierbeddingen werd benut met behulp van barrages, kleinere stuwdammen.

. Beeld .
.Beeld .

‘Rivierblindheid was net uitgeroeid door de Fransen, dus mensen konden zich daar ineens langs het water gaan settelen’, vertelt de 75-jarige Frits Wegerif die door iedereen wordt aangeduid als Frits Sahel, omdat hij in die noordelijke woestijnregio geïrrigeerde rijst ging verbouwen. ‘We zagen overal kansen.’ Hij bleef er, maar moest in 2018 met zijn vrouw Aïcha vluchten voor het terreurgeweld en woont nu met tal van haar ontheemde familieleden in de hoofdstad.

Technische missies zoals die van Kleene moesten onderzoeken welke gewassen zich leenden voor het opzetten van een verwerkende industrie; cashewnoten, mangosap of tomatenpuree. ‘Zelfs aloë vera stond op het lijstje, allemaal zogenaamde wonderplanten waarmee geld zou kunnen worden verdiend en werkgelegenheid gecreëerd.’ De Nederlandse subsidiekraan voor bedrijven ging wijd open.

‘Toen al zocht de ambassade vooral investeringsmogelijkheden voor het Nederlandse bedrijfsleven’, zegt Henk Nugteren. Hij kwam in 1989 als student naar Burkina Faso tijdens zijn studie sociale geografie aan de Universiteit Wageningen, werkte twaalf jaar in Benin en Burkina Faso voor SNV, voordat hij zich als consultant in Ouagadougou vestigde. Nugteren herinnert zich nog een sesamfabriek van een Hollandse zadenproducent. ‘Die ging al snel failliet; de mensen spraken geen woord Frans en snapten niets van de cultuur hier’, voegt Paul Kleene smalend toe.

Nederland liep decennialang voorop in de internationale ontwikkelingssamenwerking (OS) en was begin deze eeuw nog in bijna negentig arme landen actief. Ontwikkelingsorganisaties als SNV, ICCO en Oxfam-Novib ontvingen jaarlijks tientallen miljoenen euro’s van de Nederlandse overheid en andere donoren voor investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, landbouw of irrigatiewerken.

Aan het eind van de vorige eeuw rees de twijfel over de effectiviteit van al deze goedbedoelde projecten. De meeste landen bleven straatarm, het gewenste vliegwieleffect bleef uit en corruptie tierde welig.

‘We zagen overal kansen’, zegt Frits Wegerif, die bekendstaat als Frits Sahel. Beeld Sven Torfinn
‘We zagen overal kansen’, zegt Frits Wegerif, die bekendstaat als Frits Sahel.Beeld Sven Torfinn

Het roer ging om. Traditionele ontwikkelingsprojecten werden afgebouwd en nationale overheden moesten voortaan worden geholpen om publieke taken zélf uit te voeren. De focus kwam te liggen op zogenoemde budgetondersteuning en – al naar gelang de luimen van de betreffende minister van Ontwikkelingssamenwerking – abstracter thema’s zoals versteviging van de rechtsstaat, goed bestuur, klimaatverandering, mensenrechten en meisjes- en vrouwenrechten.

Onder het eerste kabinet van premier Rutte had de scepsis zijn hoogtepunt bereikt en ging het mes in ontwikkelingssamenwerking. Het aantal donorlanden werd drastisch beperkt en het budget dook voor het eerst onder het internationale streven van 0,7 procent van het bruto nationaal product. Hulp maakte plaats voor handelsbelangen: trade in plaats van aid. Klassieke ontwikkelingssamenwerkingsthema’s als onderwijs en zorg werden vervangen door expertises waarin het Nederlandse bedrijfsleven zou kunnen schitteren, zoals waterbeheersing.

In 2011 werd Burkina Faso van het lijstje donorlanden geschrapt en in 2014 sloot de ambassade definitief haar deuren. ‘De sluiting van de ambassade ging quick-and-dirty’, zegt Paul Hoebink, hoogleraar ontwikkelingssamenwerking aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij verwijst naar een vernietigende evaluatie van het IOB, een afdeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken, uit 2016. ‘Daaruit bleek dat de afbouw veel te abrupt was gegaan en ook een eind maakte aan zeer succesvolle programma’s. Nederland speelde bijvoorbeeld een belangrijke rol in het stimuleren van lager onderwijs. De Burkinese minister vertelde destijds met tranen in zijn ogen hoe met het vertrek van de Nederlanders een gat van 30 procent in zijn begroting werd geslagen.’

Margriet Reynders, die in 1979 voor SNV in Burkina Faso belandde, vertelt aan de telefoon hoe zij er in 2007 ‘kotsend’ is vertrokken. ‘Het Nederlandse ontwikkelingswerk werd gestuurd door de politiek en dus door de ambassade, in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij de Duitsers of Denen, die een veel langere adem hadden. Politiek was zo verweven met ontwikkelingssamenwerking, dat je nooit echt de waarheid kon zeggen. Corruptie werd onder het tapijt geveegd. Of we nu investeerden in onderwijs of landbouwmechanisatie, het liep uit op een ramp. Telkens als het net succesvol werd, werd weer ergens de stekker uit getrokken omdat de politiek wat anders wilde.’

Vooral over de investeringen in onderwijs is Reynders kritisch. ‘We moesten en zouden iedereen naar school krijgen. En dan hadden al die kinderen een diploma, en dan? Niemand die er ooit aan dacht om te investeren in beroepsonderwijs zodat die kinderen ook ergens hun geld mee konden gaan verdienen. We hebben een verloren generatie gekweekt, zonder perspectief. Geen wonder dat die jongeren nu op een vrachtwagen de woestijn in gaan op weg naar Europa of zich aansluiten bij een terreurorganisatie.’

Yvonne Zomerdijk-Vermeer, voorzitter van stichting WOL. Beeld Sven Torfinn
Yvonne Zomerdijk-Vermeer, voorzitter van stichting WOL.Beeld Sven Torfinn

Hans Schoolkate vindt deze analyse wat ‘overtrokken’, al erkent ook hij dat het in de afbouw van projecten niet altijd goed ging. Hij was van 1996 tot 2001 in Manga, een provincieplaats 100 kilometer ten zuiden van de hoofdstad Ouagadougou, als adviseur namens het ministerie van Buitenlandse Zaken voor een zogeheten geïntegreerde streekontwikkelingsproject. ‘Het idee was dat je beter op één plek op alle sectoren actief kon zijn, en zo een hele gemeenschap vooruit kon brengen, dan versnipperd door het land bezig te zijn. Dus werd er op één plek geïnvesteerd in landbouw, onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Er werden bruggen gebouwd, dammen, er werd een zuivelfabriek opgezet en een spaar- en kredietsysteem.’

Achteraf was het probleem dat zo een veel te grote afhankelijkheid van Nederland ontstond. ‘Dat is nooit een goed idee geweest en al helemaal niet toen het project ineens werd stopgezet. Het was bovendien ‘koud’ geld: geld van buiten, niet door de gemeenschap bijeengebracht. Dan voelt niemand zich er verantwoordelijk voor en bestaat het risico dat mensen er wat van af gaan snoepen.’ Schoolkate is benieuwd wat er nog is overgebleven van de projecten. ‘Als ik straks met pensioen ben, ga ik zeker kijken.’

Oud-ontwikkelingswerkers hebben moeite om de Volkskrant de fysieke overblijfselen te laten zien van de miljoenen investeringen in Burkina Faso met Nederlands belastinggeld. Veel investeringen in met name landbouw en bosbeheer zijn onzichtbaar. Welke scholen, dammen, bruggen of klinieken precies met Nederlands geld zijn gebouwd, is vervaagd in het collectieve geheugen.

‘Een probleem was natuurlijk onderhoud’, zegt Paul Kleene. ‘Onze taak bij deze investeringen was om de lokale gemeenschap te begeleiden. Mensen kregen een bureautje, een autootje en we kalefaterden de boel een beetje op. Na acht jaar vonden we het mooi geweest en ‘droegen het over’, maar wel zonder een cent achter te laten. Dan stortte de boel natuurlijk in elkaar.’

Op de strakke stuwdam in Ouahigouya, een stad in het noorden grenzend aan de zone van de Sahel die in handen is van terroristen, liggen jonge mannen te luieren. Hun vrienden wassen kleren in het meer. In de verte drijft een enkel vissersbootje, aan de andere kant van de dijk hopen kleine jongens met hengels op een maaltijd. Achter hen staan de aubergines en andere seizoensgroenten in keurige perkjes in de vruchtbare aarde. Wie deze dijk heeft aangelegd, weet niemand meer.

Bij het beroepsonderwijscomplex Zoodo verderop in de stad stuiten we eindelijk op bewijs van de Nederlandse erfenis. Op de muur van het complex staan de verweerde namen van donoren uit Limmen en omgeving in Noord-Holland. Het is het resultaat van de inspanningen van Yvonne Zomerdijk-Vermeer die er haar levenswerk van heeft gemaakt om, zoals ze zelf zegt, ‘de geïnvesteerde belastingcenten in Burkina Faso niet in rook te laten opgaan’.

In 2006 was juist de eerste steen van het complex voor beroepsonderwijs in Ouahigouya gelegd door de toenmalige ontwikkelingsorganisatie ICCO, toen de ontwikkelingssteun in Burkina Faso al werd afgebouwd. ‘Ik kon niet toezien hoe al ons werk verloren zou gaan en ben vanuit onze stichting WOL zelf sponsors gaan zoeken’, zegt Zomerdijk-Vermeer, een net gepensioneerde onderwijzer uit Limmen.

Bosbouwdeskundige Paul Kleene met zijn gezin in Ouagadougou. Beeld Sven Torfinn
Bosbouwdeskundige Paul Kleene met zijn gezin in Ouagadougou.Beeld Sven Torfinn

‘Kijk, hier zijn de nieuwe lokalen voor de naaiopleiding’, zegt ze als ze een verlaten klaslokaal vol stoffige naaimachines opent. De zomervakantie is nog niet voorbij, de leerlingen komen pas terug in oktober, na het oogstseizoen waarin ze hun familie moeten helpen. ‘Vreselijk zoals ze die lesbanken in een hoek stapelen, zo slijten ze wel heel snel’, zegt ze als ze de eveneens lege en rommelige werkplaatsen voor de opleidingen lassen, elektrotechniek en automechanica laat zien. Toch is ze tevreden: het aantal nieuwe aanmeldingen is veelbelovend.

Ontspannen zit ze op de veranda van haar kamer in het kantoor van haar lokale partnerorganisatie, Développement Sans Frontière (DSF). Ze zet Nederlandse koffie voor haar bezoek, met een koekje erbij uit de trommel. De zakenpartner van DSF waarmee ze al 25 jaar samenwerkt, Salif Sodré, draagt ze op handen. ‘Hij kan alles voor elkaar krijgen.’

In een gelikte video voor haar donoren thuis wordt zichtbaar hoe DSF in de loop der jaren tal van kinderen naar school heeft geholpen. Daarnaast is te zien hoe de organisatie ouders heeft bijgestaan met taalonderwijs en ondersteuning heeft geboden bij inkomensgenererende praktijken. Veel van de eens zo succesvolle scholen in de dorpen vlak buiten de stad zijn nu helaas verlaten vanwege de terreur. Maar de beroepsopleiding heeft het tot haar vreugde gered.

Nu werkt DSF met het programma Giving for Change aan de volgende stap: hulp bij ondernemerschap. Het sluit helemaal aan bij de nieuwe agenda van de Nederlandse ambassade – die het project dan ook mede financiert – om werkloze jongeren perspectief te bieden.

Bang om na tien jaar afwezigheid het wiel opnieuw uit te vinden is ambassadeur Loeffen niet. ‘Wel moet Nederland laten zien dat ze een betrouwbare partner is.’ Ontwikkeling is een kwestie van lange adem, zo is de belangrijkste les na ruim vijftig jaar ontwikkelingssamenwerking. Het werkt belemmerend als politici steeds met nieuwe wensenlijstjes voor ontwikkelingsthema’s komen of steeds tussentijds resultaten willen zien, beaamt Loeffen. ‘Je moet risico’s durven nemen, anders bereik je niets. En dan moet je kunnen accepteren dat er soms dingen misgaan.’

Die woorden van de ambassadeur zouden Joël Ouedraogo als muziek in de oren moeten klinken. Ouedraogo is voorzitter van de Landelijke Federatie van Lokale Boerengemeenschappen Naam in Ouahigouya en heeft nogal eens ‘de indruk dat buitenlandse donoren hun plannen baseren op Google Maps’. Als voorbeeld noemt hij een onzalig plan van Italië om in een dorp in de Sahel waterputten te installeren. ‘Die putten waren er al, maar ze wilden per se een integraal project in dat ene dorp uitvoeren. Het maakte niet uit dat het hele dorp inmiddels was gevlucht vanwege het terrorisme. Het heeft ons een jaar gekost om ze dit idee uit het hoofd te praten.’

Ouedraogo, die momenteel een bewustwordingscampagne uitvoert voor SNV, is dankbaar dat Nederland weer terug in Burkina Faso is, maar hoopt dat dit keer plannen worden doorgezet en dat de Burkinezen zelf meer in te brengen hebben. ‘Wij moeten nu vaak het geld volgen, terwijl wij weten dat de noden elders groter zijn. We zouden in vijf jaar tijd de landbouw kunnen hervormen zodat jongeren geen terrorist meer worden, illegaal in goudmijnen werken of als migrant verdrinken in de Middellandse Zee. Maar we krijgen steeds maar kortdurend geld, hierdoor kunnen we de klus nooit afmaken en moeten we steeds weer op zoek naar nieuwe financiers, die dan weer hun eigen aanpak en thema’s hebben, waaraan wij ons moeten aanpassen. Zo blijven we aan de gang.’

De cirkel is rond, constateren ook de oud-ontwikkelingswerkers. Na acht jaar afwezigheid moet Nederland oppassen niet weer kortdurende projectjes te financieren, afhankelijk van de modegrillen van een kabinet. Het doneren van landbouwmachines, zaden of infrastructuur, zoals vroeger, met de ‘koude hand’, zonder de lokale bevolking te betrekken, heeft niet geholpen. Nu dreigt het omgekeerde. ‘Wat heeft het voor een zin om boeren en jongeren allerlei bewustwordingstrainingen te geven als de middelen uitblijven om de verworven kennis in praktijk te brengen?’, zegt Ouedraogo van Naam. ‘Nu kunnen we die tractors goed gebruiken, maar hebben we het geld niet om ze aan te schaffen.’

In vijftig jaar tijd zijn veel mooie projecten in de kiem gesmoord, vooral door zwabberbeleid, zegt Paul Kleene. ‘Je kunt wel tussentijds leren en bijstellen, maar je moet niet steeds de stekker ergens uit trekken en elders opnieuw beginnen.’

Meer over