Reportage

De lekkerste Spaanse olijfolie komt uit... Tunesië

De mooiste olijfolie komt misschien wel uit Tunesië. Maar geen Europeaan die dat weet, want de EU houdt met importregels de Tunesische olijfolie uit de schappen. Dus kopen Spaanse producenten het vloeibare Tunesische goud op en mengen dat met hun eigen, kwalitatief mindere olie. Tunesië huilt.

In de olijfgaard van Slim Rekik snoeit een medewerker een olijfboom. Rekik gebruikt niet de traditionele Tunesische chemlali-boom, maar snellere Spaanse en Griekse varianten. Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant
In de olijfgaard van Slim Rekik snoeit een medewerker een olijfboom. Rekik gebruikt niet de traditionele Tunesische chemlali-boom, maar snellere Spaanse en Griekse varianten.Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant

‘Ruik!’ Abderrazek Krichen snuift aan het testflesje. ‘Appel’, stelt hij verrukt vast. ‘Deze olijfolie is voortreffelijk. Goudkleurig en de perfectie substantie. Deze zou je zo kunnen exporteren als Tunesische extra vierge olijfolie.’ Achter hem ratelen de zakken vers geplukte olijven leeg op de selectieband waarna ze in de olijfpersen in de volgende hal zullen verdwijnen en als goedkope bulkolie worden doorverkocht aan een – waarschijnlijk Spaanse – opkoper om als Spaanse olijfolie in de schappen van de Europese supermarkten te belanden.

Krichen, voorzitter van de regionale Unie van Landbouw en Visserij (Utap) staat in de fabriek van olijfolieproducent Bashir Boukhris buiten de stad Sfax, in het hart van de Tunesische olijfindustrie. Langs de snelweg vanuit hoofdstad Tunis strekken de olijfgaarden zich tientallen kilometers uit, de bomen in kaarsrechte lijnen richting de blauwe horizon, slechts onderbroken door een enkele palmboom, amandelboom of gehuchtje. De boomgaarden in de geeloranje woestijngrond worden keurig van elkaar gescheiden door cactus­hagen.

Spaanse opkopers

Boukhris wil zijn hoge kwaliteit olijfolie dolgraag naar de Europese Unie exporteren als Tunesische tafelolie, maar hij komt er niet tussen. ‘De Europese markt is in handen van een handvol grote Spaanse olijfolieproducenten. Zij importeren onze prachtige, volledig biologische olie in bulk, mengen die met hun olie van mindere kwaliteit en zetten dan Spaanse olijfolie op het etiket. De winsten gaan dus naar de Spanjaarden en niet naar ons’, moppert de boerenvoorman Krichen. ‘De Europese politiek is gewoon niet eerlijk. Wij willen een gelijk speelveld en onze eigen flessen Tunesische olijfolie kunnen exporteren zonder belemmeringen.’

Tunesië mag zich sinds 2019 na Spanje de grootste producent van olijfolie ter wereld noemen. De productie steeg in dat jaar tot een record van ruim 350 duizend ton. Ruim 300 duizend boeren in Tunesië leven van de olijfolie, 85 procent van hen op kleine akkertjes van minder dan 10 hectare. In 2020 bepaalde olijfolie met een waarde van 2,3 miljard Tunesische dinar (700 miljoen euro) de helft van de agrarische export van ­Tunesië. Die waarde zou drie keer zo hoog kunnen zijn als de producenten hun olie in luxe tafelflessen exclusieve Tunesische olijfolie konden verkopen. Maar die kans krijgen ze niet omdat de Tunesische olie hoofdzakelijk in bulk naar de EU wordt geëxporteerd door een handvol dominante spelers en speculanten. Doodzonde, vinden de Tunesische boeren, want hun olijfolie is van uitzonderlijke kwaliteit en vrijwel volledig natuurlijk, dankzij de sterke hitte- en droogtebestendige chemlali-olijfboom die bijna drieduizend jaar geleden door de Phoeniciers in Tunesië werd geïntroduceerd.

Boeren laden hun geoogste olijven uit bij olijfolieproducent Bashir Boukhris, net  buiten de stad Sfax. Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant
Boeren laden hun geoogste olijven uit bij olijfolieproducent Bashir Boukhris, net buiten de stad Sfax.Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant

Dikke olijfbomen

‘Hier word ik nu blij van’, roept Utap-voorzitter Krichen, met donkere zonnebril en mondkapje op, als we langs boomgaarden rijden met rijenvol statige dikke olijfbomen op een keurige afstand van 24 meter van elkaar, zodat de minstens honderd jaar oude knokige takken vrij naar de lucht kunnen reiken om zo veel mogelijk zon op te nemen, de wortels vrijuit de schaarse regen uit de aarde kunnen opnemen en tractoren de ruimte hebben om te ploegen. ‘Zo hoort het. In Sfax houden we van mooie traditionele natuurlijke olijfteelt. Dat is onze trots.’

Maar die nationale trots wordt bedreigd door klimaatverandering, vertelt hij even later op zijn eigen 140 jaar oude boomgaard – ‘nog van vóór de Franse kolonisatie’. ‘Kijk’, wijst hij naar kleine irrigatiekanaal­tjes in de oranjegele aarde, ‘elk jaar moet ik meer bijwateren omdat er minder regen valt.’ Maar Krichen ­doseert het mondjesmaat ‘alsof er geen klimaatverandering is’, zo doceert hij. Olijven groeien immers het best op de traditionele manier: met zon, lucht en regenwater. Het grondwater in Tunesië, waar steeds meer boeren noodgedwongen van aftappen, is bovendien ook schaars en op den duur eindig.

In de afgelopen tien jaar zijn steeds meer Tunesische boeren overgestapt op irrigatiebouw. De 50-jarige ondernemer Slim Rekik begon tien jaar geleden met zijn broer in de olijfolie en heeft nu zo’n 90 hectare ‘bos’. Zijn bomen zijn nog jong en staan met 12 meter afstand veel dichter op elkaar. Rekik heeft geen tijd om te wachten tot de traditionele Tunesische chemlali-boom na 15 jaar eens voor het eerst een goede oogst geeft en verbouwt populaire Spaanse en Griekse varianten die al na acht jaar productief zijn, maar ook veel meer water nodig hebben. Het resultaat van de overstap naar geïrrigeerde olijfbouw is dat de olieproductie in Tunesië in korte tijd vrijwel is verdubbeld en de wereldprijzen als gevolg van overproductie naar beneden doken, tot groot leedwezen van de Tunesische boeren, die al kampten met de algehele economische rampspoed en hoge inflatie in het land.

Slim Rekik is een voorbeeld van een Tunesische boer die met zijn ­olijfgaard is overgestapt op irrigatiebouw. Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant
Slim Rekik is een voorbeeld van een Tunesische boer die met zijn ­olijfgaard is overgestapt op irrigatiebouw.Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant

Alle certificaten

Ook Rekik wil graag exporteren naar Europa, maar het is ‘nogal ingewikkeld’, zegt hij als hij over zijn verzorgde boomgaard loopt, waar arbeiders in de weer zijn met het snoeien van de bomen en het afvoeren van takken. ‘Ik heb alle benodigde certificaten, inclusief dat voor biologische olijfolie, maar de licentie om te exporteren, krijg ik niet, omdat ik niet genoeg kapitaal heb.’ Rekik is dus gedwongen om zijn olie in bulk te verkopen aan tussenhandelaren in plaats van dat hij hem zelf kan bottelen en voor een veel betere prijs als Tunesische olijfolie aan een Europese supermarktketen kan verkopen.

Om Tunesische producenten eerlijker toegang kansen op de wereldmarkt te bieden, heeft de Europese Unie in een ver verleden een quotum gegeven om 56.700 ton olijfolie belastingvrij naar de EU-lidstaten te exporteren. In praktijk echter wordt het belastingvrije quotum ‘opgesnoept’ door de grote Spaanse multinationals, zegt Krichen. Het Nationaal Olie Bureau, dat namens de ­Tunesische producenten de handelsonderhandelingen voert met de EU, is volgens Krichen buitenspel gezet door een handvol invloedrijke tussenhandelaren. Zij hebben dankzij de juiste politieke connecties en financiële draagkracht wél de benodigde licenties om te mogen exporteren en leveren rechtstreeks aan de grote Spaanse olijfolieproducenten als Borges, waar ze bovendien vaak dochterondernemingen van zijn.

‘De EU onderhandelt dus feitelijk met zichzelf en presenteert het als een cadeautje voor Tunesië’, roept Krichen ontstemd uit als hij bij de waterput op de boomgaard van zijn vriend Slim stilhoudt om uit te rekenen wat deze aan potentiële inkomsten ziet vervliegen. ‘Hij krijgt maximaal 3,5 dinar ( 1 euro, red.) per kilo ( 1,1 liter) olie, de tussenhandelaar verkoopt het voor het dubbele aan de Spaanse multinationals als Borges die het weer voor het dubbele verkoopt als Spaanse olijfolie aan de supermarkt. Het is zo oneerlijk, want zij hebben onze olie ook nodig om hun afzet te kunnen garanderen.’ (zie grafieken)

Tunesische olijfolie, zoals dat niet in Europa te vinden is in de ­schappen van de Europese supermarkten. Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant
Tunesische olijfolie, zoals dat niet in Europa te vinden is in de ­schappen van de Europese supermarkten.Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant

Muurvast

Wat de Tunesiërs betreft, moet het quotum zo snel mogelijk worden opgeheven om de Tunesische boeren de kans te geven ongelimiteerd belastingvrij te exporteren en zo eerlijk te kunnen concurreren met de Spaanse en Italiaanse olijfolieproducenten. In 2016 kreeg Tunesië een tijdelijke verruiming van het quotum als compensatie voor de misgelopen toeristische inkomsten na de terreuraanslagen in 2015. Pogingen om de EU tot een verlenging hiervan te bewegen, stuitten echter op verzet van vooral Italië, die zijn eigen olijfolieproducenten wil beschermen.

Sindsdien zitten de onderhandelingen tussen Tunesië en de EU over een nieuwe handelsovereenkomst muurvast, zo bevestigt een woordvoerder van de Europese Commissie. Voor de opeenvolgende Tunesische regeringen sinds de revolutie van 2011, die een eind maakte aan de dictatuur van president Ben Ali, was stimulering van de landbouw ‘helaas nooit prioriteit’, zegt Fatma Mokaddem van Oxfam Tunisia, die zich vanuit Tunis inzet voor verbetering van de lonen en de arbeids­omstandig­heden in de sector. ‘Door de importbeperkingen van de EU krijgen onze boeren zulke lage prijzen dat ze hun plukkers geen fatsoenlijk loon kunnen betalen.’

Door de lage lonen van soms nog geen 5 euro per dag is het steeds moeilijker arbeiders te vinden, vertelt Krichen, terwijl hij goedkeurend toekijkt hoe twee werklui een stokoude olijfboom snoeien. De jongste in de kruin van de boom krijgt instructies van zijn oudere collega onder aan de stam. ‘Jongeren weten niet meer hoe het hoort’, verzucht Krichen. ‘En aan Afrikanen heb je niets. Zodra die duizend euro hebben gespaard, stappen ze op een bootje naar Europa.’

Nu ook jongere Tunesiërs steeds vaker op een bootje richting Italië stappen vanwege de belabberde economische situatie, neemt de druk toe op Europa om de impasse te doorbreken. Italië heeft namelijk schoon genoeg van de migrantenstroom uit Tunesië. Tot dusver stemt Tunesië ermee in om teruggestuurde illegale migranten terug te nemen, maar de regering zal daar net als Marokko of Turkije iets van de EU voor terugverlangen, zeker nu de economische ­situatie door covid-19 en het stilgevallen toerisme – de andere belangrijke economische motor van Tunesië – verder is verslechterd. ‘Paradoxaal genoeg is het echter Italië dat blijft dwarsliggen bij het bespreken van handelsverruimingen voor Tunesië zodra olijfolie ter sprake komt’, zegt europarlementariër Bas Eickhout (GroenLinks) desgevraagd. ‘Als economische belangen in het geding zijn, is de vluchtelingenproblematiek direct vergeten. Het is duidelijk dat dit twee verschillende onderhandelingstafels zijn in Brussel.’

Een medewerker aan het werk bij olijfolieproducent Bashir Boukhris. Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant
Een medewerker aan het werk bij olijfolieproducent Bashir Boukhris.Beeld Sven Torfinn / de Volkskrant

Neokoloniale praktijken

Het ‘oneerlijke speelveld’ is de ­Tunesiërs een doorn in het oog. Waarom krijgen zij geen eerlijke kans op de Europese markt – ‘hun buren notabene’ –, terwijl omgekeerd de Fransen nog steeds hun koloniale privileges uitleven en ongelimiteerd fosfaat en zout importeren voor vrijwel niets dankzij oude contracten van voor de onafhankelijkheid? Een klacht die in heel – vooral Franstalig – Afrika klinkt of het nu gaat om hout in Kameroen of Senegal, uranium in Niger, ijzererts uit Mauritanië of rubber of suiker uit de Democratische Republiek Congo.

‘Het zijn neokoloniale praktijken’, zegt ook Rachid Bouricha, olioloog en eigenaar van ‘1938’, het jaar dat zijn ­familie begon met de persfabriek HB Mills. Hij exporteert pas sinds ­enkele jaren luxueus ogende flessen ­biologische olijfolie naar de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië. Bouricha zou graag naar zijn Europese ‘buren’ exporteren, maar stuit net als andere ambitieuze producenten op de Europese tariefmuur. Met een importbelasting van 1,25 euro per fles, de helft van de verkoopprijs, zijn de uitvoerkosten te hoog. ‘Het belastingvrije quotum voor Tunesië is allang ingepikt door grote Europese handelaren en importeurs met diepe zakken en de juiste connecties’, merkt ook Bouricha in de praktijk. ‘De criteria om als producent mee te dingen in de belastingvrije export worden steeds strenger, waardoor je er als kleine speler nooit tussen komt.’

‘Dit systeem is ontworpen om ­Europese bedrijven in staat te stellen goedkope Tunesische olijfolie in bulk in te kopen. Wij zijn als gevangenen overgeleverd aan dit oneerlijke systeem en moeten ook nog ‘dank u wel’ zeggen’, verzucht Bouricha als hij een rondleiding geeft in zijn moderne fabriek. Werknemers in steriele pakken met mond- en haarkapjes halen de flessen olie van de lopende band om ze in dozen te verpakken met bestemming Saoedi-Arabië. ‘De importbelasting drukt ons gewoon uit de markt’, zegt zijn manager Imed Mahfoudh. ‘Het belastingvrije quotum wordt gepresenteerd als een cadeautje, maar is feitelijk een gifpil. Wij zijn hier alleen maar aan het overleven. Geen wonder dat steeds meer Tunesiërs op een bootje stappen om een betere toekomst in Europa te zoeken.’

null Beeld
Meer over