De leider als doodloper

Het vertrek van Bram Peper lijkt een zegen voor het kabinet. De VVD is hoogst tevreden met zijn opvolger De Vries....

HET GEVAL-PEPER leek in Den Haag snel afgehandeld. Annemarie Jorritsma heeft nog dagenlang geprobeerd haar vertrekkende collega aan zijn mobiele telefoon te krijgen, maar de Pepertjes hielden zich onbereikbaar. De liberale vice-premier: 'Toch jammer dat je niet normaal afscheid van elkaar kunt nemen.'

De droefenis is van korte duur. De aanvoerster van het VVD-smaldeel in het kabinet is erg ingenomen met Klaas de Vries als nieuwe man op Binnenlandse Zaken. Klaas doet geen gekke dingen. Die gaat geen opstellen schrijven over de crisis van het openbaar bestuur. Die zal geen traan laten om Twentestad.

En ook dat vuiltje waarmee de VVD bij de coalitiepartners in het krijt staat, het in de Eerste Kamer gesneefde referendum, is bij Klaas de Vries in goede handen. De Vries staat veel gereserveerder ten opzichte van deze staatsrechtelijke nieuwlichterij dan Peper. Hij zal geen moeite hebben dit voornamelijk symbolische gebaar van bestuurlijke vernieuwing met de senaat af te kaarten.

Ook voor de PvdA lijkt de Haagse schade te overzien. De kleine stoelendans in het kabinet is betrekkelijk vlot uitgevoerd, waarbij de PvdA'ers Willem Vermeend en Wouter Bos tot hun grote vreugde nieuwe 'uitdagingen' kregen. Maar of de PvdA op wat langere termijn niet toch zware averij heeft opgelopen, staat te bezien.

In hotel Hoyfjellsenter in het Noorse Skjerdingen maken Bram en Neelie zich als vrije burgers op voor de volgende slag: die met de gemeente Rotterdam. 'Het is een aaneenschakeling van suggesties, leugens en halve waarheden. Ik ben op een schandalige wijze behandeld. Ik zal alles weerleggen. De rechercheurs van KPMG hebben mij behandeld als een crimineel', lezen we in De Telegraaf van maandag 20 maart.

De verslaggevers legden Peper de pijnlijkste passages uit het rapport van de Rotterdamse onderzoekscommissie voor. Peper heeft geen moeite met zijn antwoorden. 'Mijn vrouw heeft dankzij haar contacten goudgeld voor de stad verdiend.'

Neelie Kroes, dochter van een Rotterdamse havenbaron, was minister van Verkeer en Waterstaat en presidente van Nijenrode. Ze opent deuren die ook voor Bram Peper, die al over een kapitaal netwerk in bestuurlijke en ondernemerskringen beschikt, gesloten blijven. De deur van baron Heini Thyssen-Bornemisza bijvoorbeeld. Peper: 'Mijn vrouw kende deze schatrijke industrieel. We peuterden van hem een miljoen gulden los voor het monument De Delftse Poort.'

De kwestie-Peper gaat over de moraal van de boekhouder versus de moraal van de grotemensenwereld, begrijpen we uit De Telegraaf. De boekhouders van KPMG vragen: Wat moest u met uw vrouw in Kopenhagen? De oud-burgemeester antwoordt met een wedervraag: 'Heeft u weleens van Maersk gehoord, het grootste container- en transportbedrijf ter wereld, met 400 duizend containers op jaarbasis in de Rotterdamse haven. Dit concern dreigde uit te wijken naar Antwerpen. Neelie kende de topman van Maersk en we hebben ons in het weekend suf zitten netwerken om hen te overtuigen verder te investeren. Dat is gelukt. Desondanks wordt het door de commissie bestempeld als een privé-reis. Kijk, daar zijn toch geen woorden voor.'

De zaak-Peper gaat ook nog over iets anders. Over publiek leiderschap en het afleggen van verantwoording van publieke bestuurders aan burger en kiezer. Peper noemt zichzelf graag 'een openbaar lichaam'. Dat hij zich moet verantwoorden, vindt hij vanzelfsprekend. Maar wat hij niet minder vanzelfsprekend vindt, is dat publiek leiderschap flink wat ruimte en vrijheid veronderstelt. Voor wie 24 uur per etmaal werkt, zijn uitgaven per definitie functioneel, ook voor zijn partner. Wie dag en nacht werkt, heeft geen privé-leven. En dus ook geen privé-uitgaven.

Peper in het onderzoeksrapport: 'De functie van de burgemeester van Rotterdam brengt met zich mee dat hij in beginsel 24 uur bereikbaar is voor de gemeente. De partner/echtgenote kan, ter beoordeling van de burgemeester en zijn partner/echtgenote, een rol spelen bij het optimaal functioneren van de burgemeester.'

Daarover wil Peper het hebben, en daarover moet het ook gaan: over het optimaal functioneren van burgemeesters. Wat is de ruimte voor publiek leiderschap in Nederland? Hoe ver kunnen ze voor de muziek uitlopen, de hoofdcommissarissen, de secretarissen-generaal, de directeuren van de immigratiedienst of de mededingingsautoriteit, de universiteitsbestuurders, de leden van de Raad van State, de procureurs-generaal?

Het maakt niet uit of je Bram Peper heet, Eric Nordholt, Arthur Docters van Leeuwen of Sweder van Wijnbergen, alleen door schade en schande leer je dat publiek leiderschap door het bevoegde politieke gezag lang niet altijd op prijs wordt gesteld.

In zijn oratie Hervormend leiderschap: Over veranderingskunst in het openbaar bestuur legt hoogleraar bestuurskunde Paul 't Hart uit hoe dat komt: in Nederland is besturen schikken en plooien tussen vele groepen en organisaties. We hebben een hekel aan machtsconcentraties, maar ook aan sterke leiders. We vrezen de mannetjesmakerij, maar missen aan de andere kant ook weer de visie. De leiderloze overlegdemocratie, noemt 't Hart het Nederlandse bestuurssysteem, volgepakt met hindermacht en schaars aan wat hij noemt realisatiemacht.

Met dat laatste bedoelt de bestuurskundige dat hervormingen niet kunnen worden doorgedrukt. Blauwdrukken lijden schipbreuk, de reorganisatie van de rijksdienst, het plan-Simons voor de volksgezondheid, het lot van de stadsprovincies zijn bekende voorbeelden.

'Nederland smokkelt de hervormingen zijn systeem binnen', observeert 't Hart. Verwijzend naar het arbeidsmarktbeleid en het asielbeleid ziet hij aan de creditzijde een breed draagvlak en de mogelijkheid van bijsturen: trial and error. Dat weegt niet op tegen het risico: visieloos bestuur, beleid als een serie ad-hoc-oplossingen, als patchwork, waarbij de betrokken partijen hun greep op de dynamiek van het proces verspelen.

Soms komt een hervorming schoksgewijs tot stand, weet 't Hart. Een grote ramp of affaire maakt duidelijk dat het beleid is vastgelopen. Een gewichtige commissie stelt een harde diagnose en levert een bijbehorend recept, dat onder druk van de omstandigheden wordt overgenomen. Ook hier weegt het voordeel, de doorbraak, niet op tegen het nadeel, het gebrek aan inhoudelijk debat en politieke afweging. 't Hart: 'Niet de visies sturen het proces, maar de politieke noodzaak een groot gebaar te maken.'

Conclusie: de leider is een doodloper. Wie voor de muziek uitloopt, raakt verstrikt in het web van coalitieverhoudingen, belangengroepen en overlegsituaties.

Die gebondenheid geldt nog het meest voor de Haagse politici. Als zij het hebben over 'het primaat van de politiek', hebben ze het over hun eigen onmacht. Ze misgunnen de bestuurders uit de tweede ring, de burgemeester van Rotterdam, de hoofdcommissaris van Amsterdam, de procureur-generaal en de secretaris-generaal de ruimte die ze zelf hebben weggegeven. In plaats van assertiviteit van ambtenaren en bestuurders in het publieke debat te koesteren, noemen de ministers en de parlementariërs dat onoirbaar. Ze zijn zelf ambtenaren geworden.

't Hart: 'Het leidt tot uitstroom van zwaargewichten uit het ambtelijk apparaat, tot het wegblijven van toptalent en tot risicomijdend gedrag van de achterblijvers.' Zo veroorzaakt een zwak politiek systeem een zwak ambtelijk apparaat, een uitvoerende onmacht.

Maar omgekeerd gaan sterk politiek leiderschap en sterk publiek management juist wel goed samen. In feite zijn de door de zaak-Peper in het nauw gedreven publieke bestuurders elkaars bondgenoten. Politici en ambtenaren hebben elkaar nodig. Ze moeten de ruimte niet op elkaar bevechten, maar op de burgerij, op de kiezers.

D

IE BURGERS en kiezers zijn de beroerdsten niet. In Reflex van 19 februari wees de politicoloog Van Schendelen op het verschil tussen de moraal van de fatsoensrakkerij en de burgermansmoraal. De fatsoensrakkerij stelt een verborgen eis van nul-risico aan het maatschappelijk gedrag. Altijd voor honderd procent schone handen. 'Wie op die nul-toer zit, is niet geschikt voor het maatschappelijk leven en voor het dagelijks leven, die moet zo gauw mogelijk doodgaan, want dat is de enige existentie zonder risico.'

De burgermansmoraal daarentegen is rekbaar. We zien liever geen onfatsoenlijk gedrag van sociale, bestuurlijke en bedrijfselites, maar als je sterke argumenten hebt om het wel te doen, dan moet het maar gebeuren. We moeten geen dief van onszelf zijn, en ook niet roomser dan de paus. Van Schendelen kiest zelf voor de economenmoraal, net als Peper. De econoom kijkt, anders dan de boekhouders van KPMG, niet alleen naar de kostenkant. De econoom ziet kosten als investeringen en kijkt wat die opleveren. Een contract met Maersk is wel een weekendje Kopenhagen waard.

Het valt allemaal wel aan de burger en de kiezer uit te leggen. Alleen: dat uitleggen moet wel gebeuren. Waar het aan schort, is publieke verantwoording. Peper zegt wel dat hij een openbaar lichaam is, maar zijn poging tot verantwoording komt nu pas, na de publicaties in de pers, na het Rotterdamse rapport, na zijn aftreden als minister van Binnenlandse Zaken.

De burger krijgt dus die verantwoording als hij er zelf om vraagt. Zonder druk van een kritische publieke opinie maken politieke partijen en maatschappelijke deelbelangengroepen achter de coulissen uit wat goed is voor de burger. Die is bij wijze van spreken minderjarig - totdat de rekening op tafel komt. Dan wordt hij ineens als volwassene aangesproken.

Alleen in een politiek klimaat waarin oppositie, tegengeluid, protest, debat en onafhankelijke journalistiek gedijen, komt de burger aan zijn democratisch gerief. De publieke opinie moet zo'n klimaat afdwingen. Een stimulerend discussieklimaat biedt kansen voor publiek leiderschap. Leiders en opiniemakers kunnen de burger betrekken in een confrontatie van visies en ideeën over de richting van de samenleving. Vooral de Partij van de Arbeid, die zich altijd met de publieke sector heeft geïdentificeerd, moet de ambitie hebben de confrontatie met de burgers aan te gaan.

Peper heeft die ambitie altijd gehad. Hij begon zijn loopbaan in de politiek als pamfletschrijver van Nieuw Links, in 1966 opgericht om de Partij van de Arbeid op te schudden. In de jaren tachtig mengde Peper zich in het debat over sociale vernieuwing: het inschakelen van werklozen bij het onderhoud van de publieke ruimte. Tien jaar later verdedigde Peper de 'zorgzame samenleving' tegen de lofzang op de individuele autonomie: 'Het is uiterst moeilijk en vermoeiend op vele terreinen tegelijkertijd zelfredzaam te zijn.'

En dan was er vorig jaar zijn essay over de 'veranderende verhouding tussen overheid en samenleving': Op zoek naar samenhang en richting. Kok had geen zin het te bespreken, maar het ging over ministeriële verantwoordelijkheid. Die kan alleen worden waargemaakt als 'de rechtspositie van ambtenaren een doortastend optreden van de minister niet in de weg staat'. Lees: het moet makkelijker worden falende topambtenaren te ontslaan - zonder gouden handdruk.

Resteert nog één vraag: Werd Bram Peper, de sociaal-democraat van het grote gebaar, weleens tegengesproken? Ter gelegenheid van zijn tiende verjaardag als burgemeester in Rotterdam nodigde hij zijn leermeester, de socioloog J.A.A. van Doorn, uit om een rede te houden. Het werd een lijkrede op de sociaal-democratie die zijn weerga niet kent: Het socialisme als kameleon. Centrale vraag: wat is er misgegaan met de partij van de gastheer, de Partij van de Arbeid?

Het socialisme is altijd een vreemd lichaam gebleven, een radicale partij in een gezapig en zelfgenoegzaam land. Een dergelijke positie maakt onzeker en leidt onvermijdelijk tot een veelvuldig wisselen van strategie en tactiek, analyseerde Van Doorn. Den Uyls welzijnssocialisme, bedacht door Bram Peper, 'stichtte verwarring, omdat zijn zwakken en kansarmen de plaats bleken in te nemen die traditioneel voor de arbeiders was gereserveerd'.

En dat Nieuw Links, hield Van Doorn Peper voor, 'was meer een rebellie van een ongeduldige politieke generatie dan een echte politieke hervormingsbeweging'. Je kon een speld horen vallen in de Burgerzaal toen Van Doorn zijn eindoordeel had uitgesproken. 'Het is het verhaal van een dubbel debacle: staatsexploitatie bleek niet superieur aan de markteconomie - arbeiders zijn er beter aan toe in een markteconomie. In één beweging verloor het socialisme zijn eerste geloofsartikel en zijn trouwste bondgenoten.'

Sinds de ondergang van het socialisme verkeert de Partij van de Arbeid in coma. Het is nauwelijks een levende organisatie meer die ideeën wikt en weegt, die talent naar zich toetrekt en selecteert. Na de generatie van Peper is het stil gebleven, juist in de partij die het, meer dan VVD en CDA, moet hebben van een hoogwaardige collectieve sector.

De PvdA heeft haar heil altijd gezocht bij de overheid - niet alleen als dienstverlener aan hen die zichzelf niet kunnen redden, maar ook als vormgever van het maatschappelijk leven. Maar waar zijn de mensen die de staat bij zijn lurven kunnen pakken, en voor de muziek uit durven lopen? In deze zin zijn Melkert en Kok nog lang niet van de zaak-Peper af.

Meer over