De langzame jaren

Het nieuwe kostuum van de jongeman rechts op de foto is noodgedwongen. ADRIAAN MORRIEN, net herstellende van tbc, was door de goede zorgen van zijn ouders uit zijn oude plunje gegroeid....

DE foto, het kiekje, moet in juni 1934 achter het ouderlijk huis zijn genomen, misschien op de 5de van die maand, mijn verjaardag. Ik werd toen 22. Ik ben de staande manspersoon rechts. Mijn gezicht gaat schuil in de schaduw van de splinternieuwe hoed. Ik houd tevens mijn handen in de broekzakken van mijn eveneens kersverse kostuum verborgen. Ik draag een artistiek strikje. De anderen zijn blootshoofds. De foto is onscherp maar de gezichten zijn, hoezeer ook in uitdrukking verstard, onmiskenbaar en persoonlijk.

Door mijn houding zowel als door mijn onzichtbare afvalligheid van het geloof der vaderen postuleer ik mijzelf als het buitenbeentje van ons gezin. Ik ben de verloren zoon die het huis alleen zal verlaten om in het Volkssanatorium te Hellendoorn herstel te zoeken voor de longtuberculose die zich op mijn 14de al aankondigde maar mij in april 1933 op de rand van het graf had gebracht. Ik mocht nu (het nu van de foto) alweer enkele uren op, maar paste, door mijn zorgzame ouders liefdevol vetgemest, bij lange na niet meer in mijn vroegere plunje. Ik woog bijna honderd kilo, schaamde mij voor mijn uiterlijk, vond mijzelf weerzinwekkend wanneer ik in de spiegel of, buiten, in een winkelraam keek.

In ons gezin werd alles volgens de rechtzinnige geloofsovertuiging van mijn ouders geregeld. Het ging er ongetwijfeld weinig opwindend maar niet zonder innigheid aan toe. Mijn vrijheid zocht ik op straat en met mijn vriendjes, in het uitgestrekte gebied rond IJmuiden, mijn geboortedorp: duinen, strand, vissershaven, het kanaal met de indrukwekkende sluizen en schepen.

Ik was acht jaar lang de jongste van ons gezin, totdat Jan werd geboren, in weerwil van de waarschuwing van de dokter na een voorafgaande, bijna rampzalige zwangerschap.

In mijn kinderlijke fantasie beschouwde ik mijn broertje meer als het kind van mij en mijn moeder dan als dat van mijn beide ouders. Het was een lekkere baby, daar had ik toen al oog voor, en een aanhankelijke kleuter.

Ik heb Jantje geducht afgezoend, ook al omdat ik vaak op hem moest passen en met hem spelen. Ik denk dat ik het zoenen miste, de pure schuldloze lichamelijkheid die ik, zonder het mij te kunnen herinneren, nog maar luttele jaren geleden van mijn aanbeden moeder had ondervonden. Afgezien van de nachtkus die wij onze ouders vroeger gaven, werd er bij ons niet gezoend. Later streek mijn moeder mij nog wel eens over mijn bol. Ik hoor nog altijd de intonatie in haar stem wanneer zij tegen mij sprak. Toen ik ziek werd, begon ik haar bij haar voornaam, Neeltje, aan te spreken. Dat was in onze kring volstrekt ongebruikelijk.

Na haar laatste bevalling kreeg mijn moeder 'absences', zoals de huisarts ze noemde. Op mijn 15de hoorde ik haar, alleen met haar in huis, afgrijselijk brullen. Ik was op het plaatsje, rende naar binnen en zag haar, met verdraaide ogen en het schuim op de lippen, naast de kachel staan en voorover storten, wringend en trappelend. Ik snelde met dezelfde vaart het huis uit, waarschuwde de buurvouw en haastte mij naar de dokter die zijn spreekuur onderbrak en onmiddellijk kwam.

Ik was nog nooit van een epileptische toeval getuige geweest, een verschrikking die zich tot aan mijn moeders dood in 1942 met een stugge regelmaat herhaalde. Na alle wonderen die door Jezus heten te zijn verricht en waarvan ik de toedracht thuis, op school en in de kerk gedurende de langzame jaren van mijn jeugd heb moeten aanhoren, zijn de toevallen van mijn moeder mij bijgebleven als voorbeelden van de omgekeerde wonderen die nog altijd overal plaatsvinden.

Meer over