analyse

De lange weg die Nederland aflegde om topsportland te worden

Goud voor de Holland Acht, Atlanta, 1996. Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
Goud voor de Holland Acht, Atlanta, 1996.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

In de toptien van de wereld kom je niet van de ene op de andere dag. Tijdens zijn 44-jarige carrière zag verslaggever John Volkers hoe de mentaliteit en de gedachten over sport in Nederland veranderden. Presteren wordt anno 2021 bewonderd.

Mijn olympische reis begon 37 jaar geleden in Los Angeles. De Olympische Spelen van dat jaar werden geboycot door de Oostblok-landen, veertien in getal, het was een vergelding voor de afwezigheid van de Verenigde Staten bij de editie van 1980 in Moskou. De Koude Oorlog was nog niet voorbij. Nederland, breedtesportland, stuurde een ploeg van 136 sporters naar Californië.

Zij moesten de schande van de nulscores van 1976 (Montreal) en 1980 goed maken. Die toernooien hadden geen enkele Nederlandse olympisch kampioen opgeleverd. München 1972, met het dubbele goud van Wim Ruska en de wielertriomf van Hennie Kuiper, was al een vage herinnering geworden.

Twaalf jaar pijn van twee mislukte oogsten: niemand leek zich er druk over te maken. Er was genoeg voetbalsucces met de WK-finales van 1974 en 1978. Nederland was een egalitair land en presteren was lang een vies woord. Dat dat zou gaan veranderen, kon niemand in 1984 voorzien.

Zondag sloot Nederland de Olympische Zomerspelen van 2020 (verschoven naar 2021) af met de score van tien goud, twaalf zilver en veertien brons. De oogst van 36 medailles was een recordverrichting, acht waren voor atletiek. Het hadden ook 44 medailles kunnen zijn. Er stond een uiterst professioneel voorbereide ploeg van driehonderd sporters klaar, professioneel betaald ook, gecoacht, medisch begeleid en gevoed door professionals, wetenschappers en andere hoogopgeleiden.

In 1984 lagen de zaken volkomen anders, het amateurisme vierde hoogtij, werk en sport werden gecombineerd. Na één olympische cyclus was een carrière vaak voorbij. Met die wetenschap vertrok ik naar Los Angeles. De opdracht was om een nieuwe sport te volgen: windsurfen, wat stijfjes ook wel plankzeilen genoemd. In de Pacific voor de haven van Long Beach greep Stephan van den Berg de olympische titel.

Het waren de eerste tekenen dat presteren geoorloofd was, zelfs als je daarvoor een grens over moest. De Noord-Hollandse windsurfer hongerde zich uit onder leiding van een ambitieuze coach, Henri van der Aat. De verhalen kwamen tot stand op een laptopje van Olivetti, met vier tekstregels op een scherm. De telex ratelde nog bij het thuisfront.

In datzelfde Los Angeles laaide ook de wens weer op om de Zomerspelen naar Amsterdam te halen. Oud-judoka Anton Geesink, nog geen IOC-lid, en minister voor Sport Joop van der Reijden stonden aan de Amerikaanse westkust achter de toog van gekopieerd café De Duif Heineken-biertjes te tappen. Het was in het Biltmore-hotel, een verdieping lager ligt de gedenksteen van de daar vermoorde presidentskandidaat Robert Kennedy.

In datzelfde Los Angeles (vijf goud, twee zilver, zes brons) gebeurde iets anders dat van groot belang zou worden voor de Nederlandse sport. De Amerikaanse volleybalsters slaagden er onder leiding van coach Arie Selinger niet in het olympisch goud te veroveren. Het zilver van toen leidde tot revanchegevoelens bij Selinger, die een jaar later coach in Nederland werd. Er kwamen andere tijden, het amateurisme ging over boord.

In Seoul 1988 zorgde Regilio Tuur voor de meeste opwinding door in de eerste ronde de Amerikaanse wereldkampioen Kelcie Banks knock-out te slaan. Beeld  Leo Vogelzang / Hollandse Hoogte
In Seoul 1988 zorgde Regilio Tuur voor de meeste opwinding door in de eerste ronde de Amerikaanse wereldkampioen Kelcie Banks knock-out te slaan.Beeld Leo Vogelzang / Hollandse Hoogte

Selinger begon in Amstelveen met de volleyballers volgens het Bankrasmodel: fulltime trainen tegen een klein salaris. Een andere trendsetter was tafeltennisster Bettine Vriesekoop, die haar leven compleet richtte naar de sport. Ze werd aan de hand van Gerard Bakker en later Jan Vlieg een internationale grootheid. Ze werden gezien als buitenbeentjes, maar er werd ook met bewondering over gesproken. Dat je voor een onmogelijke droom alles opzij durfde te zetten.

In Seoul 1988 leidde chef de mission Wim Cornelis een ploeg van 147 sporters, met wielrenster Monique Knol en de roeiers Nico Rienks en Ronald Florijn als winnaars. Knol had de beste sprint van de wereld. Rienks en Florijn waren de mannen met het meeste talent, de uitzonderingen op de regel. De meeste opwinding was er toen bokser Regilio Tuur in de eerste ronde de Amerikaanse wereldkampioen Kelcie Banks knock-out sloeg.

Pijn was er over het zilver van de 4x100 meter vrije slag. De DDR won als altijd. Het dopinggebruik, de blauwe turinabol; later kwam het allemaal uit. De kleur van de medaille van Conny van Bentum, Karin Brienesse en de zussen Muis werd nooit aangepast.

Twee jaar eerder was Nederland als eerste buiten de boot gevallen in de race om de Spelen van 1992. De lobby van Saar Boerlage van No Olympics en de weigering om inhalige IOC-leden te fêteren deden Amsterdam de das om. De organisatie van de Spelen was in trek geraakt, steden zetten alles op alles om als gaststad gekozen te worden. De rekening nadien bleek pijnlijk hoog, dat is nooit meer anders geworden.

Nederland had in Barcelona de doop van het Holland House, gerund door de brouwers van Heineken. Freek de Jonge deed op een verankerd zeilschip de conferences. Types als marketeer Van den Wall Bake stimuleerden een verbeterd sportklimaat in Nederland. Dat groeide, de belangstelling van sponsors nam toe.

Het sportland Nederland won vijftien medailles, met het atletiekgoud van Ellen van Langen op de 800 meter als ongeëvenaard hoogtepunt. De volleyballers, met Ron Zwerver als leider, verloren de finale van Brazilië. Maar grote tijden kondigden zich aan.

De Nederlandse olympische topsport begon zich plotseling snel te ontwikkelen. In 1996 in Atlanta, goed voor negentien medailles, kwamen twee grote projecten tot wasdom. Nico Rienks bouwde met succes aan de Holland Acht, een naam die weerklank heeft gekregen in de samenleving. De volleyballers versloegen Italië in een onvergetelijke finale op de slotdag: vijf sets, drie uur en twee minuten van puur sportgenot. Zij (en wij) werden in Buckhead in het Holland House dronken van geluk. Olof van der Meulen zong met Peter Koelewijn Kom van dat dak af.

Joop Alberda was de coach. Zijn naam en visie gingen het Nederlandse topsportbeleid na dat succes bepalen. De Fries werd door Wouter Huibregtsen aangesteld als technisch directeur van het nationaal olympisch comité NOCNSF. Die positie bestond tot dan niet. Er werd driftig beleid ontwikkeld. Er kwam een topsportstipendium, een door het rijk betaald salaris voor sporters die alles opzijzetten voor een prestatie op het hoogste podium. Want dat wist Alberda er ook in te hameren: er zijn EK’s, er zijn WK’s, maar de reputatie van de sporter en het sportland wordt gevestigd op de Olympische Spelen.

Die trend moest zich vertalen in een structuur die in 2000 nog niet gereed was. Elke topper had min of meer een eigen project om zich heen geregeld. Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn hadden een zwemploeg in het zuiden die de Philipsploeg ging heten. Wielrenster Leontien van Moorsel en amazone Anky van Grunsven, garanties voor medailles, deden het op hun eigen wijze.

Geld kwam deels van NOCNSF. Sydney 2000 werd de benchmark, de hoog gelegde lat met de twaalf gouden medailles (plus negen zilver en vier brons) en de achtste plaats in de landenrangschikking. Australië was de uitgelezen plaats voor groot en intens beleefd succes. Het land gold als voorbeeld. Nederland, met een eigen feestplek in Darling Harbour, was wakkergeschud. Pieter en Inge werden een merk. Australië noemde hun namen met ontzag. Nederland ontdekte dat het meer kon dat hard rijden op schaatsen. Hun vijf gouden medailles maakten de geesten rijp om door te zetten.

Ellen van Langen heeft goud gewonnen op de 800 meter, Barcelona 1992. Beeld Hans Heus / Hollandse Hoogte
Ellen van Langen heeft goud gewonnen op de 800 meter, Barcelona 1992.Beeld Hans Heus / Hollandse Hoogte

Athene 2004 was het toneel van aardige Spelen, het begin van de Griekse financieel-economische ineenstorting. Het stond voor Nederland met 22 medailles in de schaduw van Sydney. Er werd geleund op de gouddelvers van Sydney. Die konden het nog steeds, getuige de prolongatie van het goud van Van den Hoogenband op de 100 vrij. Maar er was geen aflossing van de wacht. Net als vier jaar later, Beijing 2008 (zestien medailles), waren het Spelen in zeer warme steden. Beat the heat was een van de protocols.

De leiding van de ploeg was inmiddels van vrijwilligers overgegaan in handen van de technisch directie. Joop Alberda werd opgevolgd door Charles van Commenee, daarna kwam Maurits Hendriks. Er kwam serieuze regie. Er kwam serieus meer geld. Maar WK-succes bleek geen voorwaarde voor olympisch succes. Er moesten grotere stappen worden gezet om structureel een topsportland genoemd te kunnen worden.

In Londen 2012 werkte het bedachte scenario nog niet, Nederland werd dertiende in het medailleklassement (twintig medailles). De dubbel van zwemster Kromowidjojo was bijzonder. Turner Epke Zonderland stal de show met zijn legendarische gouden triple aan de rekstok. Nederland was opeens een turnland, het deed mee in een van de belangrijkste olympische sporten. De Spelen van Rio 2016 hadden het grote succes moeten worden van het tijdperk-Hendriks.

Het liep anders, de cultuur rond de topsport werd gehekeld. Hendriks stuurde turner Yuri van Gelder, populair in Nederland, naar huis wegens wangedrag. Het persbericht kwam toen Van Gelder in het vliegtuig zat. Daarna ging het een week over de rechtszaak, waarin Van Gelder terugkeer naar Rio eiste. De week daarop ging het over verliezers die vroegtijdig naar huis moesten. Het waren negatieve verhalen die de aandacht voor de sport verdrongen.

Stephan van den Berg wint in Los Angeles 1984 goud met windsurfen. Beeld ANP
Stephan van den Berg wint in Los Angeles 1984 goud met windsurfen.Beeld ANP

Ondanks uitblinkers als Sanne Wevers en Dorian van Rijsselberghe verdiende het resultaat van Nederland geen uitroeptekens: elfde met negentien medailles. De verdere perfectionering van het focusbeleid van Hendriks, waarbij de beschikbare miljoenen naar de sporten gingen die het meeste kans hadden op eremetaal, wilde zich maar niet uitbetalen.

Topsportland bleef nog even subtopland. Tot vijf jaar later alle stromen samenkwamen in Japan en de Nederlandse ploeg met 36 medailles, voor een klein land een uitzonderlijk goed resultaat, doorstootte naar de zevende positie in het landenklassement. Alle ellende van de aanloop met corona en quarantaine was in Tokio op slag vergeten.

Het is de les van 37 jaar olympische sport: het gaat om winnen. Wie wint, krijgt gelijk. Problemen verdwijnen, nieuwe mogelijkheden dienen zich aan. Het is door de jaren heen niet anders geweest. Wie verliest, moet rekenschap afleggen voor alle opofferingen en de tijd en geld die met een carrière gemoeid zijn. Sport is een middel geworden om het humeur en de reputatie van een land op te krikken, ook al is dat soms maar tijdelijk. De sporter staat symbool voor doorzettingsvermogen, veerkracht en het geloof dat je grenzen kunt verleggen.

In Tokio spoelde een laatste rimpel vlot weg, omdat Nederland veranderd is. Topsport is een gevestigde waarde geworden; presteren is een bewonderde kwaliteit. Een score van nul goud, zoals voor 1984 gebeurde, het zou een crisis in Nederland betekenen.

Om eerlijk te zijn, we kunnen niet meer terug. Nederland is toptien van de wereld geworden. De wegen daarnaartoe zijn bekend. Blijf ze bewandelen. Want ooit was het anders. Niet beter. Verre van, durf ik na zoveel jaar wel te zeggen.

Meer over