De lange mars van de sportgeneeskunde

Sinds kort worden de kosten voor een visite aan een sportmedisch adviescentrum (SMA) vergoed door een aantal verzekeringsbedrijven. Het is volgens dr....

DE sportgeneeskunde in Nederland zou - de twee voorvechters dromen even hardop - toch van het zelfde hoge niveau moeten worden als in Italië, Spanje en Finland. 'Dat zijn', zegt dr. J. Aghina, de voorzitter Vereniging Sport Geneeskunde 'natuurlijk ook van die landen waar mensen zulke uitzonderlijke prestaties leveren, bij het wielrennen, de marathon, in de atletiek. Dat is niet toevallig. Daar zit een structuur achter.'

In Nederland, waar 25 jaar geleden behalve een stel keuringsbureautjes 'nog helemaal niets' was, is die structuur er in recordtempo gekomen. Er is een leerstoel sportgeneeskunde, bezet door prof. dr. W. Mosterd, in Utrecht.

Daar, in de nabijheid van academisch ziekenhuis, zetelen ook de Vereniging Sport Geneeskunde en het Instituut Opleiding Sportartsen (NIOS) en SOS.

Er bestaan over het hele land liefst dertig SMA's, de laagdrempelige sportmedische adviescentra. En dan worden de niet erkende, de centra die met een hobbyende huisarts in plaats van de vereiste sportarts werken, niet eens meegerekend.

De nieuwste trend is de SGA, een sportgeneeskundige afdeling binnen de muren van het ziekenhuis. Daar zijn er inmiddels tien van. Aghina: 'Het was een toekomstig doel, werken in de omgeving waar kennis en apparatuur voorhanden zijn. Maar we worden op dit punt al ingehaald door de werkelijkheid.'

En dan is er nog een grote groep die sporters verzorgt en behandelt. Den Bakker: 'Maar de fysiotherapeut die sporters voorschrijft dat ze op tijd rust nemen en niet te gek doen op training, is ook heel wat waard in dat peloton.' Het puikje van die helende handen is verenigd in de NVFS, de vereniging van sportfysiotherapeuten. De club telt 1500 leden.

Maar de crux waar de volwassenwording van de nationale sportgeneeskunde om draait, ligt bij de sportarts. Er zijn er momenteel 55 in Nederland. 'En we hebben er 25 in opleiding', meldt Aghina van het NIOS. Het doel is 120 sportartsen. Een TNO-onderzoek onderschreef onlangs die behoefte.

Aghina: 'We werken aan een ideaal van dertig regionale clusters van vier sportartsen. Daarmee willen we de behoefte aan bondsmedische begeleiding direct ook dekken. Als dokter Du Bois van het SMA Heerenveen twee dagen bij de volleybalbond in Woerden zit, dan zijn er drie artsen over voor de dagelijkse gang van zaken.'

Dat grotere aantal sportartsen moet een ander aanzien krijgen. Door het late ontstaan van het vak werd de sportarts bij een 'restcategorie' ingedeeld, het register der sociaal-geneeskundigen. De ambitie van het uitdijende platform sportgeneeskunde - codenaam BSN - is om van de sportartsenij een klinisch specialisme te maken. Europese regelgeving zou daaraan kunnen meehelpen.

Aghina: 'Die grote stap voor onze groep ligt de komende twee jaar in de handen van het centraal college van de artsenorganisatie, de KNMG. Dat bepaalt wat klinisch is en wat anderszins is. We hebben nog enkele jaren de tijd, maar op korte termijn moeten we doorstoten naar een ander niveau van specialisatie.'

Er is een hele weg te gaan. De sportartsenij wil bij het ministerie van VWS van de S van sport naar de V van volksgezondheid verhuizen. Sportgeneeskunde zal heel nadrukkelijk een eigen wetenschapsdomein moeten worden.

Aghina: 'Je moet de vraag beantwoorden: waarom is de sportgeneeskunde anders dan orthopedie of revalidatie? We zijn op de goede weg. Tot nu toe liepen onze studenten stage bij cardiologie. Nu wordt het vervat in de eigen opleiding.

'Sportgeneeskunde emancipeert. Het wordt als vak opgenomen in de huisartsenopleiding. In Groningen is dat nu al het geval. Voorheen kreeg je op het NIOS slechts hobbyisten of oud-sporters, nu wek je in een veel vroeger stadium de belangstelling van de student medicijnen.'

Met dat grotere aanzien van de sportarts moet dat specialisme de polissen van de zorgverzekeraars binnendringen. J. den Bakker, voorzitter van de Federatie van SMA's: 'Als je die enorme toename van bewegen ziet, dan is het onvermijdelijk dat tot de ziekenfondsverstrekking aan toe de verzekeraars hun polissen gaan openstellen voor een normaal maatschappelijk verschijnsel als sport. Dat doen ze altijd en dat zal ook hier gebeuren. Alleen is het tempo wat laag.'

Als het allemaal zo ver is gekomen met sportmedische advisering, dan komt de sportgeneeskunde in Nederland aan het door alle partijen zo fel begeerde niveau van Italië, Spanje en Finland. 'Want daar zijn de sportartsen erkend als klinisch specialisten.'

In die landen is de kennis uit de top beschikbaar voor de breedte, en omgekeerd. De top in Nederland is het academisch ziekenhuis AZU in Utrecht, daar hoort de kennis voor de begeleiding van de olympische ploeg te zijn. Aghina: 'Maar kennis over topfunctioneren leidt ook in Nederland tot kennis die bruikbaar is voor de breedte.'

De sportarts moet in zijn regio vraagbaak en aanspreekpunt zijn. Hij moet in zijn SMA beschikbaar zijn voor sporters tot en met de advisering van fietshandelaren en sportwinkeliers. Te veel blessures ontstaan door het gebruik van verkeerd materiaal. Aghina: 'In hockeyelftallen wordt tegenwoordigd verdedigd door kerels van dik 1.90. De Nederlander is veel langer geworden, maar de stick is niet van lengte veranderd.'

De sportarts moet het loket zijn, waar de sportende Nederlander met zijn kwaal snel terecht komt. Den Bakker: 'Nog steeds treedt er veel tijdverlies op in de behandeling van sportblessures. Vaak zijn sporters al een half jaar aan het klungelen en shoppen, omdat er niet naar de SMA's wordt verwezen.

'Want daar kost het geld, de verzekeraar betaalt niet. Daarom lopen die mensen met hun klachten in het reguliere circuit rond. Sport wordt nog te vaak als luxe gezien. Had je maar niet moeten sporten, had je ook geen blessure gehad. Het zou allemaal een veel kleiner probleem zijn als die huisarts of specialist zei: ik kan je niet helpen, je moet bij de sportarts zijn.'

En dan ook bij de echte. Aghina: 'De mensen die de laatste jaren in de kranten hebben gestaan, zoals Sanders, Van den Hoogenband en meneer Bon van Ajax, dat zijn geen sportartsen. Het zijn mensen met een eerbaar beroep, maar ze hebben niet onze vierjarige opleiding gedaan. Een huisarts die een bevalling doet, noemt zich toch ook geen gynaecoloog?'

John Volkers

Meer over