De laatste ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog

Nog even en alle ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog zijn verstomd. Nu het nog kan, geven zij hun verhalen door aan hun kleinkinderen. Aan Volkskrantredacteur Djuna Kramer en twee bekenden van haar bijvoorbeeld.

Djuna Kramer met haar grootvader Toon Kramer Beeld Gerard Wessel
Djuna Kramer met haar grootvader Toon KramerBeeld Gerard Wessel

Djuna Kramer (25) in gesprek met haar grootvader Toon Kramer (95) die in een gewapende verzetsgroep zat en zich tijdens de bevrijding aansloot bij het Engelse leger.

Wat deed de verzetsgroep waar je bij zat?
'We woonden op een afgelegen boerderij bij Deurne. Vanuit daar brachten we Engelse en Amerikaanse piloten die uit vliegtuigen gesprongen waren in veiligheid en we onderhielden radiocontact met Londen.Vlak bij ons lag een belangrijke spoorlijn naar Duitsland. Door de rails daarvan te saboteren, lieten we Duitse goederentreinen ontsporen. Mijn groep overviel ook distributiekantoren om aan voedselbonnen voor onderduikers en piloten te komen, die zaten er veel in de Peel. We deden eigenlijk van alles om hen te beschermen: toen er een stuk of dertig wagens geleverd werden, waarmee de zogeheten Brandweerpolitie de omgeving wilde uitkammen, stak mijn groep de complete loods waarin ze opgeslagen stonden in de fik. Dat brandde nog minstens twee dagen!'

Djuna Kramer met haar grootvader Toon Kramer Beeld Gerard Wessel
Djuna Kramer met haar grootvader Toon KramerBeeld Gerard Wessel

Hoe kwam het dat je nooit werd gepakt bij zo'n actie?
'Ik had goede valse papieren. 'Assistent Stationschef' stond daarop. Een keer werd ik wel per toeval gegijzeld. Ik ging, een dag nadat we de treinrails hadden gesaboteerd, kijken wat er gebeurd was. De trein was inderdaad van de rails gereden en er heerste veel commotie. Ik werd tegengehouden door een aantal Duitsers met machinegeweren en moest aansluiten bij een rij mensen. Ik riep: 'Al die gewonden van de treinramp moeten onmiddellijk naar het ziekenhuis! Ik kan jullie aan platte wagens met paarden helpen.' Ze waren radeloos, dus ze stuurden een gewapende soldaat met me mee, die ik wist af te schudden door een stal in te lopen en de grendel erop te gooien. Via de andere kant kon ik wegkomen. Als je leven er echt vanaf hangt ben je ineens ongelooflijk vindingrijk.'

Jullie vielen geen Duitsers of NSB'ers aan?
'Er waren wel liquidaties, maar we schoten nooit zomaar iemand neer. Er werd met een proces besloten dat iemand uit de weg moest worden geruimd, bijvoorbeeld omdat hij onderduikers verraadde. Dan kwam er een jongen van een andere verzetsgroep, die het slachtoffer niet kende, om de klus te klaren.'

Dacht je dat je de oorlog zou overleven?
'We konden het ons niet veroorloven om over dat soort dingen na te denken.'

Wat is je eerste herinnering aan de komst van de geallieerden?
'Ik was Engelse piloten zuidwaarts aan het brengen. De afspraak was dat als er Duitsers kwamen, ze zichzelf aangaven zodat wij konden ontsnappen. Gearresteerd worden betekende voor ons namelijk de kogel, voor hen alleen krijgsgevangenschap. Maar toen we tanks in de verte zagen, begonnen de piloten er ineens hard op af te rennen. Ik dacht dat ze gek geworden waren, maar langzaam drong tot me door dat het ook Engelsen waren.'

Waarom sloot je je toen aan bij het Engelse leger?
'Ik was wel wat geweld gewend intussen en had het gevoel dat ik op grotere schaal kon afmaken waarmee ik begonnen was. Ik ging eerst in het wilde weg mee met de Engelsen, maar belandde in het ziekenhuis door mortiergranaten en gaf me daarna officieel op als tolk. Ik koos voor een verkenningseenheid. Verkenning is een leuk onderdeel hoor, je zat altijd op de eerste rang. Ja, er werd ook het eerst op je geschoten, maar dat is een kwestie van goed bukken.'

Was het moeilijk voor jou dat mijn vader thuiskwam met mijn Duitse moeder?
'Ik heb nooit iets tegen Duitsers gehad. Al die mensen die na de Duitse overgave ineens een Duitser gevangennamen, of 'moffenhoeren' kaalschoren, vond ik onzinnig. Na de oorlog gingen we naar Duitsland om de boel daar onder controle te houden. Alles lag in puin, de mensen waren straatarm, er waren nauwelijks mannen. Ik onderhield twee gezinnen door ze sigaretten te geven voor op de zwarte markt. Bovendien moesten we de burgers beschermen tegen duizenden dwangarbeiders die op hun terugkeer naar huis wachtten: Polen, Hongaren, Roemenen. Hoe denk je dat die zich gedroegen? Nee, een hekel hebben aan een hele bevolkingsgroep vind ik eerlijk gezegd een beetje dom.'

Bart Hendriksen (35) in gesprek met zijn grootvader Jan van der Groen (92) die twee keer tewerkgesteld werd in Duitsland.

Je woonde in Schiedam, vlak bij Rotterdam toen dat gebombardeerd werd, wat heb je daarvan meegekregen?
'Ik stapte vaak op de fiets om te gaan kijken in Rotterdam. Mijn vriendjes en ik fietsten gewoon door het puin, hier es kijken, daar es kijken. Zo heb ik een gevecht gezien tussen oorlogsschip de Van Galen en Duitse vliegtuigen, of we zagen hoe de gevechtsvliegtuigen landden op wat nu de A13 is. We vonden het vooral reuzespannend!'

Bart Hendriksen en zijn grootvader Jan van der Groen Beeld Gerard Wessel
Bart Hendriksen en zijn grootvader Jan van der GroenBeeld Gerard Wessel

En verder ging je leven gewoon door?
'Ja, tot ik me in 1944 moest melden voor de Arbeitseinsatz, dat ging per geboortejaar. Ik wist een administratieve functie te ritselen via een kennis die bij Duisburg een bedrijfje had dat gebombardeerde gebouwen restaureerde. Die man is later veroordeeld voor collaboratie. Met dat baantje was ik bevoorrecht en mocht ik af en toe met verlof naar Rotterdam. Op een gegeven moment ben ik gewoon niet teruggegaan.'

Maar toen moest je nóg eens naar Duitsland, toch?
'Ja, ik werd in november 1944 met dertigduizend mannen opgepakt in een enorme razzia in Rotterdam. We kregen een oproep thuis: we moesten met onze koffer voor de deur gaan staan. Ik werkte gewoon mee, wat moest ik dan? In colonne liepen we naar Delft, gewapende Duitsers links en rechts. Daar werd ik in een afgeladen gesloten goederenwagon gestopt. Negen dagen hebben we daarin gezeten, helemaal naar Thüringen, vlak bij Dresden. Daar werden we ondergebracht in een Kinderheim in aanbouw, oorspronkelijk bestemd om edelgermanen in groot te brengen. Dag en nacht hoorden we Engelse en Amerikaanse vliegtuigen overkomen.'

Wat voor werk deden jullie?
'We moesten in het bos met een pikhouweel de grond bewerken, ze wilden daar een locomotieffabriek bouwen. We moesten het puin met karretjes langzaam van een heuvel afrijden, maar we lieten ze er altijd keihard afkletteren. Die Bahnpolizei boos! Duitsers kunnen hard schreeuwen hoor, haha!'

Dus jullie hadden ook wel lol daar?
'Jawel, we mochten 's avonds naar het café. Of we gingen langs bij Duitse dames, die waren erg eenzaam. Dan lieten ze je schilderijen van hun gesneuvelde zoon zien en ze gaven je wat te eten of een bad. Een vluchtelinge uit Oost-Duitsland heeft me zelfs eens 100 mark toegestopt onder tafel.'

Die wilde iets van je?
'Ja natuurlijk, welke vrouw doet dat anders?'

Geen idee opa, ik heb een hoop moeite gedaan voor vrouwen in mijn leven, maar er heeft er nooit een geld geboden!
'Nou, ik heb afgeslagen hoor, ik was zo zwak als ik weet niet wat toen. Het was trouwens ook streng verboden.'

En toen ben je ontsnapt?
'Ik was al eens weggelopen, maar was gesnapt en teruggebracht. Voor straf moest ik slapen op het terrein van de locomotieffabriek, de eerste plek die gebombardeerd zou worden. Toen had ik zo de pest in dat ik zomaar zonder kaartje op de trein naar Hannover ben gestapt. Helemaal niks was er over van die stad, verschrikkelijk. Daar in de buurt werd ik opgevangen in een vluchtelingenkamp. Bijna niemand gelooft dit als ik het vertel, maar ik ben vanaf daar helemaal tot Groningen gereisd, mee met de stroom van vluchtelingen van achter de gevechtslinies. Ik pakte elke trein die de juiste kant op ging, hing allerlei verhalen op tegen de conducteurs, klopte bij mensen aan voor eten. Toen ik na veel omzwervingen weer in Rotterdam was, was het land bevrijd en leefde bijna al mijn familie nog. Behalve de man van mijn zus, die heeft de tewerkstelling niet overleefd.'

Lennart Freud (26) in gesprek met zijn grootmoeder Bartha Stein-Karsten (88), die op Java in een kamp zat, officieel bedoeld om Nederlanders te beschermen tegen gewelddadige Indonesische nationalisten na de Japanse capitulatie.

Wie waren je ouders?
'Mijn vader was de Nederlandse architect en stedenbouwkundige Herman Thomas Karsten, die in Semarang op Java werkte. Hoewel ze zelf Chinese voorvaderen hadden, keek zijn welgestelde familie erg neer op kleurlingen. Daarom deed het nogal wat stof opwaaien toen hij op het Diengplateau, op Java, verliefd werd op een Javaans dorpsmeisje, met haar tot over haar billen: mijn moeder. Ze trouwden in 1923 zelfs in de moskee, een eis van haar vader. Je kunt je voorstellen wat zijn familie daarvan vond. Maar mijn vader was haar en Indië erg genegen.'

Lennart Freud met zijn grootmoeder Bartha Stein-Karsten Beeld Gerard Wessel
Lennart Freud met zijn grootmoeder Bartha Stein-KarstenBeeld Gerard Wessel

Herinner je je nog hoe de sfeer was voordat jullie opgepakt werden?
'Na de Japanse inval werd eerst mijn broer Simon geïnterneerd en daarna mijn vader. Mijn moeder was met mij, mijn andere broer en zus vanaf Bandung naar het Diengplateau uitgeweken. Eerst waren we daar graag geziene gasten, maar nu plotseling de vijand vanwege onze Hollandse achtergrond. We werden in bescherming genomen door mijn oom, die volbloed Indonesisch was. Drieënhalf jaar lang gingen we niet naar school en hielden we ons stil. Ik herinner me dat mijn Indonesische neefjes ons liedjes leerden als 'Vernietig onze vijand, Engeland en Amerika.' Wij zongen uit volle borst mee, we hadden geen idee.

'Vlak voor de Japanse overgave kreeg moeder bericht dat vader overleden was in het jappenkamp. Mijn broer Simon kwam broodmager bij ons terug. Toen grote delen van Java al bevrijd waren door de Britten en Nederlanders, werd ons opgedragen onder te duiken voor plunderende en moordende pemoeda's, gewelddadige nationalisten. Ons werd gezegd dat het om één à twee dagen ging, maar dat werd anderhalf jaar in een bersiapkamp.'

Wat weet je daar nog van?
'Moeder, mijn zus en ik sliepen met twee andere vrouwen in een raamloze opslagruimte van drie bij twee op een heel dun matras. Het eten was geen vetpot, maar ik geloof dat we niet echt honger hebben geleden. Wel heerste er veel malaria en dysenterie, waar wij ook aan leden. Toen we in januari 1945 uit het kamp mochten, konden we niet meer in ons oude huis, dat in de Japanse tijd had dienstgedaan als bordeel.'

En toen werd je dus geëvacueerd naar Nederland?
'Ja, met mijn twee broers. Dat is erg vervreemdend geweest. Het Diengplateau was zo'n magische plek met meren, zwavelbronnen, uitgestrekte tempelweides en actieve vulkanen: die lieflijkheid en dat natuurgeweld vormden een eenheid. De allereerste dag in Den Haag moest ik met de tante bij wie ik woonde met een botaniseertrommeltje plantjes verzamelen tussen de rails van lijn 11 en die determineren. De wereld waarmee ik me één waande, moest ineens worden geanalyseerd en gerationaliseerd. Dat moment was denk ik de grootste barst in mijn leven. Ik heb toen een deel van mezelf moeten achterlaten, dat ik pas jaren later terugvond.'

Hoe lang heb je je moeder toen niet gezien?
'Twaalf jaar, toen werd zij het land uitgezet door Soekarno en kwam ze naar Nederland, waar ze na anderhalf jaar overleed. Ik was intussen getrouwd met je echt Hollandse opa en had vier kinderen. Weet je, ik had zo ontzettend mijn best gedaan om Hollands te worden en niet meer meewarig te worden aangekeken als rare indo, dat ik totaal van haar vervreemd was. Daar heb ik me erg schuldig over gevoeld. Maar jaren later had ik een droom: ik stond aan mijn moeders sterfbed en ze zei iets tegen mij in het Javaans, terwijl ik dat al lang niet meer sprak, gek hè? Ze zei: 'Huil niet, ik heb geen honger meer.''

Nationale Herdenking

Djuna Kramer spreekt op 4 mei tijdens de nationale herdenking in de nieuwe kerk in amsterdam. De bijeenkomst wordt live uitgezonden bij de NOS. Het thema dit jaar is 'geef vrijheid door'.

Meer over