De krekel en de mier

Er zijn, heb ik weleens gelezen, kerels die met hun poten in het bluswater staan. Of mannen die met hun poten in de modder staan....

Marjolein Februari

Mijn schuldgevoel nam deze week toe, toen ik in Duitsland was en erachter kwam dat het Hermann Hesse-jaar is. In de boekwinkels lagen meer boeken van Hesse uitgestald dan je in boekwinkels zou mogen verwachten, en navraag leerde dat het inderdaad een herdenkingsjaar is. Een dubbel herdenkingsjaar zelfs: honderdvijfentwintig jaar geleden geboren en nu veertig jaar dood. Ik was uit ledigheid even in de verleiding die hele Hesse-herdenking gewoon te negeren, maar ik kon niet om al die citaten heen die op ansichtkaarten, stickers en aanplakbiljetten royaal door Duitsland waren gestrooid. Zo stond ik in de supermarkt opeens zonder aanleiding tegenover een plakkaat met de tekst: 'Theorie is, wanneer men alles weet en niets funktioneert. Praktijk is, wanneer alles funktioneert en niemand weet waarom.' Trots werd de auteur daaronder in rode letters vermeld: Hermann Hesse.

Goed, alsof dat nog niet genoeg theoriekritiek was om me een hele nacht uit mijn slaap te houden, las ik op mijn hotelkamer in de Volkskrant ook nog eens de klacht van Ad Lagendijk over het onderscheid tussen theoretische en experimentele fysici. De natuurkunde, schreef hij, kent een ziekelijk scherpe indeling tussen theoretici en experimentelen: 'Vooral de zwakkere theoretische broeders hebben het daarover. Het zich kunnen afzetten tegen hun experimentele collega's is hun belangrijkste bron van zelfvertrouwen.' Zelf wilde Lagendijk het onderscheid tussen theoretische en experimentele broeders blijkbaar liever niet maken. Dat hij het intussen toch deed, was louter en alleen de schuld van die vreemde theoretische broeders. De experimentele broeders, begreep ik, waren van nature heel anders, die maakten het onderscheid niet.

Mocht nu het verband tussen Hermann Hesse en de experimentele fysica u niet direct duidelijk zijn, dan moet ik de wonderspreuk van de advocaten uit Ally McBeal gebruiken: 'I try to establish a pattern.' Ik probeer namelijk een patroon te laten zien in het spreken over theorie en praktijk. En dat patroon komt erop neer dat het aanwijzen van het verschil tussen denken en doen gauw verkeerd uitpakt voor het denken. Zelfs wanneer iemand het onderscheid wil relativeren, zoals Lagendijk, eindigt die poging in een schimpscheut op de zwakheden van de theoretici.

En een auteur als Hermann Hesse, die zijn levenlang schreef over de onderlinge connectie tussen denken en doen, komt niet in de supermarkt terecht met een uitspraak over die complexiteit, maar met een citaat dat het alleen goed doet boven de smeerput in een garagebedrijf. Toegegeven, de meer filosofische Hesse-teksten die de supermarkt ook had kunnen aanbieden - 'we raken uitgekeken op een mens wanneer hij maar twee dimensies heeft' - lijken zelfs in een land van dichters en denkers geen snelle handel.

Het zou er allemaal niet zo toe doen, het geginnegap over theorie en de theoretici, als het niet de weerslag zou zijn van een opvatting die diep ingrijpt in onze waardering voor beschaving en kunst. Ik heb, met mijn lichte voorkeur voor denken boven doen, altijd gedacht dat ons handelen deels ten dienste staat van onze reflectie. Dat we zorgen dat de boel 'functioneert' opdát we vervolgens in de gelegenheid zijn 'alles te weten'. Kunst, kennis en reflectie zijn ons doel; ons handelen is een middel daartoe. Dacht ik.

Maar de laatste jaren is niet alleen het denken uit het onderwijs verdwenen, ook de kunst wordt minder als doel gezien, en vaker als middel. Alsof we een excuus nodig hebben om ons met kunst bezig te houden, worden de afzonderlijke kunsten aangeprezen als smeermiddel voor de economie, als redmiddel voor een afglijdende maatschappij, en als opvoedkundig middel in roerige tijden. Voor kunst die nergens toe dient is vervolgens geen enkel excuus. En de gedachte dat een goed draaiende economie juist een smeermiddel is voor een bloeiend kunstleven, ach, aan die gedachte moesten we maar helemaal niet beginnen.

Natuurlijk, ik overdrijf. De moeizame positie van kunst en reflectie is geen plots opkomend kenmerk van onze tijd. Er zijn meer samenlevingen geweest waarin de kunst het moeilijk had. Zo meldde Bob Dylan zich in de jaren zeventig van de vorige eeuw bij de werkmanager van een Israëlische kibbutz. Terwijl buiten een zwerm tieners van opwinding door het gras rolde, bepleitte Bob Dylan in het kantoortje zijn zaak bij een stugge vrouw van middelbare leeftijd die zich zorgen maakte of de werkkleren wel op tijd terug zouden komen van de wasserij. Kon hij een tijdje op de kibbutz komen wonen, vroeg Dylan, zodat hij tijd had om nieuwe teksten te schrijven? Nee, zei de werkmanager, voor iemand die alleen maar kan schrijven hebben we hier geen plaats.

Hoe ik dit weet? Ik ken het verhaal omdat de werkmanager het me zelf vertelde, toen ik twintig jaar later bij haar logeerde en aan haar tuintafel zat te schrijven. Een beetje schuldbewust probeerde ik mijn pen en papier onder een krant te verbergen, maar de werkmanager stelde me ogenblikkelijk gerust: jouw geval is heel anders, zei ze, want jij bent Marjolijn. En nu hoop ik maar dat u me de ijdelheid vergeeft waarmee ik zo openlijk claim Marjolijn te zijn, maar ik verzeker u, wanneer je 's nachts met een hoofd als een meloen in bed ligt, zijn het dat soort kleinigheden waar je je in je gebrekkige zelfvertrouwen aan vast klampt.

Misschien moeten we maar weer eens afstappen van het idee dat er voor liedjes zingen en kunst maken altijd een excuus nodig is. Want, vergeef me, met je poten in de modder staan: dat zal toch niet het doel van het leven zijn?

Meer over