De krant als troostprijs

IN HET Duitse keizerrijk en de Republiek van Weimar waren journalisten actief die zo bekend waren dat hun namen en soms ook hun werk in het Duitse geheugen zijn blijven hangen....

Jan Luijten

Onder Wolffs leiding werd het Berliner Tageblatt het meest gezaghebbende dagblad in het aan kranten rijke Berlijn van het keizerrijk en de Republiek van Weimar. Alle grootheden uit het Duitse culturele leven van die tijd hebben aan het BT bijgedragen, maar de krant dankte haar invloed vooral aan de lange, zorgvuldige hoofdartikelen van Wolff die op maandag verschenen en daarom 'lundis' werden genoemd.

Wolff verdedigde liberale en democratische beginselen. Hij was meestal, door de vele contacten die hij in Berlijn had, goed geïnformeerd. Tijdens het autoritaire en militaristische keizerrijk onder de onberekenbare Wilhelm II streed hij voor een parlementaire democratie en voor toenadering tot Frankrijk en Groot-Brittannië. Na de revolutie van eind 1918 schaarde hij zich achter de jonge republiek en bepleitte een sociale democratie die liberalen en sociaal-democraten samen moesten verwezenlijken.

Eind februari 1933 was hij gedwongen te vluchten. Zijn naam stond op Görings lijst van te arresteren personen na de brand in de Rijksdag. Tien jaar later stierf hij, 75 jaar oud, in Berlijn, waar de Gestapo hem naartoe had gebracht nadat hij mei 1943 in Zuid-Frankrijk was gearresteerd. De gevangenschap had zijn gezondheid geruïneerd.

Bernd Sösemann, historicus, hoogleraar in Berlijn en kenner van Wolffs werk, heeft zich in een nieuwe biografie vooral op dat werk gebaseerd, waardoor het beeld van de politiek agerende hoofdredacteur wordt benadrukt. Omdat het werk nauw met de gebeurtenissen van die tijd verbonden was, krijgt de lezer ook flink wat geschiedenis onder ogen, maar over het privé-leven van Wolff komt hij veel minder te weten. Daarover, aldus Sösemann, is ook veel minder bekend. In het middelpunt van Wolffs leven stond de krant. Of zoals een redacteur het zei: 'Wolff leidde niet alleen de krant, hij wás ook het Berliner Tageblatt.'

De titel van de biografie luidt dan ook Theodor Wolff - Een Leben mit der Zeitung, maar Sösemann maakt duidelijk dat niet alleen het BT voor Wolff telde. Hij bleef ook boeken schrijven; in ballingschap schreef hij zelfs een roman waarvan hij hoopte dat die zou worden verfilmd. Daarmee was hij naar de liefde van zijn jeugd teruggekeerd: de literatuur.

Wolffs passie gold aanvankelijk niet de journalistiek maar de kunst, in het bijzonder het theater, de schilderkunst en de literatuur. Hij werd al wel jong leerling in het grote concern van zijn neef, Rudolf Mosse, die eind 1871 het Berliner Tageblatt had gesticht, maar deed meer dan zijn krantenwerk. Hij schreef ook romans en toneelstukken, zonder veel succes. Het moet voor Wolff een 'bittere ervaring' zijn geweest, aldus Sösemann, dat zijn literaire talent niet groot genoeg was. Wolff sprak over een 'troostprijs' en koos voor de journalistiek en de politiek. 'Voor de toneelliteratuur was dit zeker geen verlies', merkte hij zelf op.

Die keuze viel aan het einde van zijn twaalfjarige verblijf in Parijs, waar Emile Zola, Anatole France en George Clemenceau grote indruk op hem maakten. Wolff was er in 1894 correspondent voor het Berliner Tageblatt geworden. Sösemann gaat uitvoerig in op zijn berichtgeving over de zaak-Dreyfus, de Frans-joodse kapitein die werd gedegradeerd en gedeporteerd nadat hij aan landverraad schuldig was bevonden. Dreyfus bleef volhouden onschuldig te zijn. In de loop der tijd namen de bewijzen van zijn onschuld toe, maar de Franse justitie weigerde heel lang het vonnis ongedaan te maken.

Wolff koos de zijde van Dreyfus en schreef over de antisemitistische hetze tegen hem. 'De laagste instincten van de volksziel werden gealarmeerd, en als onder een toverstaf kwamen in de Franse steden de duistere massa's van de achterhuizen en de voorsteden tevoorschijn en onder het geroep ''lang leve het leger'' mengde zich nog luider: ''dood aan de joden, plunder de joden''.'

Sösemann noemt de Dreyfus-affaire een 'keerpunt' in Wolffs leven. Als zoon van een joodse vader en moeder kreeg hijzelf antisemitische aanvallen te verduren. Zijn politieke overtuigingen werden scherper. 'Hij wilde burgerlijk-liberale waarden onder de aandacht brengen, wilde een versterking van de rechtsstaat en meer tolerantie, een grotere mate van rationaliteit in openbare aangelegenheden en meer verantwoordelijkheidszin bij de politieke elite.'

In Parijs ontmoette hij Theodor Herzl, correspondent van de Neue Freie Presse in Wenen, voor wie de Dreyfus-affaire mede aanleiding werd zijn leven in dienst van het zionisme te stellen. Voor Wolff, geworteld in de Duitse taal en cultuur, was een terugkeer naar het Beloofde Land geen oplossing, schrijft Sösemann, ofschoon hij later minder afwijzend werd.

In 1906 wilde Rudolf Mosse het Berliner Tageblatt redactioneel vernieuwen en de krant een duidelijker liberaal profiel geven. Zijn neef leek hem daarvoor de meest geschikte man. Ofschoon hij Parijs niet graag verliet, keerde Wolff terug naar Berlijn, werd hoofdredacteur en bleef dat tot 1933. Hij maakte van de krant een succes. Toen hij in 1906 aantrad, had ze een oplage van ruim honderdduizend exemplaren. Tien jaar later waren het er een kwart miljoen. Het werden er zelfs driehonderdduizend, maar rond 1930 raakte de krant in een crisis.

Een mooi portret van de hoofdredacteur krijgen we als Sösemann chef kunst Fred Hildenbrandt aan het woord laat. Hij vertelt over zijn eerste ontmoeting, het sollicitatiegesprek: 'Aan het bureau zat niemand. Maar aan de muur, bij een lessenaar, draaide een kleine, gezette, zeer goed geklede man met kort geknipte witte haren en een even kort geknipte snor zich naar me om. Aan zijn bovenlip plakte een sigaret die schuin naar beneden hing en die hij ook in zijn mond hield als hij sprak. Het was een gewoonte uit zijn lange tijd in Parijs, een Franse gewoonte. Hij ging achter zijn bureau zitten en keek me door zijn knijpbril met verstandige, koele ogen aan. Hij zei: ''Uw werk bevalt me. Uw stijl is goed. Ik zou graag willen dat u bij ons komt werken.'' ' Wolffs liberale principes en heftige kritiek op de politiek van het keizerrijk leidden tot een aanvaring met het gezag. In 1911 kregen alle Duitse ambassades een brief, waarin diplomaten elk contact met het Berliner Tageblatt werd verboden, want deze krant, zo werd gezegd, 'is er doelbewust op uit de politiek van de keizerlijke regering in binnenlandse en buitenlandse kwesties te bemoeilijken'.

In de Eerste Wereldoorlog mocht de krant een paar keer niet verschijnen. Wolff huilde niet mee met de nationalisten en weigerde in te stemmen met de oorlogsdoelen van de regering. 'Wij zijn principieel tegen de annexatie van politiek onafhankelijke en zelfstandige volken.' Hij ging ook al snel op zoek naar de ware oorzaken voor het uitbreken van de oorlog.

Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog heeft Wolff zich ook direct in de politiek gemengd. Hij behoorde tot de oprichters van een nieuwe partij, de links-liberale DDP, die uitdrukkelijk opkwam voor de nieuwe, democratische republiek. Omdat hij niet wenste dat vroegere nationaal-liberalen in de nieuwe partij werden opgenomen, zag Gustav Stresemann zich gedwongen een eigen liberale partij op te richten. Deze verdeeldheid binnen het liberale kamp verzwakte de republiek, maar toen Wolff dat eind jaren dertig inzag was het te laat. De 'bruine' vloed bleek niet te keren.

Wolff was over het algemeen een man met verstandige oordelen en een scherpe, vooruitziende blik, maar ook een man met twijfels. Want, zo schrijft zijn biograaf, 'boven alle constateringen en oordelen zweeft een kritisch aan zichzelf gericht ''misschien'' '.

Wolff heeft grote, bittere teleurstellingen moeten verwerken. Zijn ideaal van een sociaal en democratisch Duitsland werd tijdens zijn leven niet verwezenlijkt. Integendeel, Hitler kwam aan de macht. Maar aan een fatalistische houding wilde hij zich niet overgeven. 'Fatalisme is wel een geoorloofde filosofie', schreef hij aan een vriend, 'maar mij stuit het toch tegen de borst.'

Ook in de donkerste dagen van zijn ballingschap was hij niet geheel zonder hoop. Sösemann citeert uit Wolffs manuscript 'Die Juden': 'Met deze beschouwingen ben ik in het jaar 1942 begonnen, ik beëindig ze in de lente van 1943, en misschien heeft het zich bezighouden met het joodse probleem en met alle problemen van vandaag en morgen weinig waarde en zin. Maar aan de horizon is al het licht hoger gestegen en het is niet meer, zoals in de voorbije donkerste tijd, slechts een mystiek wensgeloof dat de ideeën van het recht, de vrijheid en de menselijkheid niet kunnen verliezen.'

Meer over