De koelkast zoemt

Een jongen die wat kan, vond men van Mark Boogs poëziedebuut Alsof er iets gebeurt (2000). Een vergelijkbaar onthaal kreeg zijn prozadebuut, De vuistslag (2001)....

Arjan Peters

De derde en nieuwste roman heet De helft van liefde. Afwisselend laat de auteur daarin een man (Mannes) en een vrouw (Femke) aan het woord. Zij hebben een fikse ruzie gehad en gaan uit elkaar. Dat betekent onder meer dat ze even hun intrek nemen in het hotel van de provincieplaats waar hun huis staat. Zonder dat van elkaar te weten. En natuurlijk, want zo is het lot, krijgen ze de kamer naast elkaar toebedeeld. Ook dat weten ze zelf niet.

Maar de lezer wel. Die vraagt zich al snel af wat Boog beoogt met dit doorzichtige spel der tegengestelde types die elkaar aantrekken, dan weer afstoten, maar toch niet zonder elkaar kunnen.

Man Mannes is lijstenmaker en vrouw Femke schilderes. Hij wil voortdurend orde aanbrengen, is in de weer met het opstellen van lijstjes (haha), zij heeft het gevoel dat alles haar ontglipt en dat ze zich minder gelaten moet opstellen. Hij de saaie droogkloot, zij de vage kunstenares. Een ondeelbare eenheid. Piest presas, zoals wijlen mijn schoonmoeder placht te roepen.

Als jongen die wat kan, heeft Boog misschien opzettelijk deze clichématige beginopstelling gekozen, bij wijze van uitdagende handicap, met als opdracht hier desalniettemin een levensvatbare roman van te brouwen. Omdat dit hem nog te makkelijk voorkwam, veroordeelde hij Mannes daarbij nog tot een overbekend Reviaans mompelen en denken.

'Hij keek op zijn horloge. 22 uur 32 alweer – tien minuten eerder en het was een mooie tijd geweest.' 'Ik moet niet in iedereen mezelf zien, dacht Mannes. Nee, dat moet ik niet doen. Het is onterecht en bovendien verontrustend.'

En als het Mannes niet is, bezigt Boog zelf het sinds De avonden bekende idioom: 'De koelkast zoemde, de wind woei, de tijd woedde, het ongemak groeide.' Jammer alleen dat Boog uit deze ontleningen als tweede garnituur tevoorschijn komt. Dat de koelkast zoemt en de tijd woedt, is niet opmerkenswaard. In De avonden echter schreef de jonge Reve: 'Het graf gaapt, de tijd zoemt en nergens is redding.'

Vijf jaar lang hebben Mannes en Femke een kind gehad, het meisje Julia, dat op haar vijfde door een ongeluk is overleden. Mannes brengt het kind soms ter sprake, Femke zou willen dat hij over haar zweeg. Omdat het nooit bestond, en hij het al die jaren heeft verzonnen.

Deze dialogen hebben een groot Who's afraid of Virgina Woolfgehalte, en zo vreemd is dat niet. Een Reviaan als Boog heeft het toneelstuk van Edward Albee ongetwijfeld gelezen in de beroemde vertaling van Gerard Reve.

Alweer een horde. En ook die is niet de laatste. Want wat te denken van de verworven inzichten die als sententies worden gelanceerd: dat iemand echt kennen onmogelijk is, dat het leven een oorlog is, en dat we het zonder verlangen een stuk kalmer zouden hebben?

Op een zeker moment kun je er niet meer onderuit: Boog speelt helemaal geen spelletje met zelfopgeworpen hindernissen. Deze roman is gewoon een faliekante mislukking.

Niet tobben, moedig voorwaarts, zou Reve zeggen. Die aansporing moet Boog zich inprenten, voordat hij met de hier tentoongespreide gemakzucht verder achterwaarts kachelt.

Meer over