De klassenmaatschappij van de eeuwige

WAARSCHIJNLIJK geeft de dubbelzinnigheid, gevolg van het theologische en literaire grensverkeer tussen realiteit en allegorie, de grootste moeilijkheden. En dat is ook het grensverkeer tussen letter en geest....

Nadat het verhaal zijn plaats heeft gekregen binnen het geheel van de bijbel - waarmee dat boek opnieuw wordt geordend - gaat het middels de allegorische interpretatie een ordenende functie naar buiten het boek uitoefenen: naar de moraal, naar de kerk, naar de maatschappij. Het krijgt niet alleen een religieuze, maar ook een sociale betekenis. En wanneer die laatste ver wordt doorgedacht, wordt wat een allegorie is, tenslotte als werkelijkheid ervaren. Het bijbelse verhaal gaat de werkelijkheid ordenen en rechtvaardigen. (Men heeft natuurlijk vanuit de bestaande of verlangde realiteit het bijbelverhaal gelezen!) De figuren uit het verhaal worden van symbolische figuren standaardtypen en ideeën. Misschien is de ontwikkeling in het theologisch denken van de christelijke oudheid tot in de hoge middeleeuwen wel te zien als een geleidelijke verschuiving van letter naar geest, naar symbool en allegorie toe, om ten slotte in realisme te eindigen. En dan heeft zich een omkering van de waarden voltrokken: men leest het bijbelverhaal als spiegelbeeld en rechtvaardiging van de werkelijkheid, maatschappelijk of religieus. En gezien het goddelijk karakter van de Bijbel is daarmee de onveranderlijkheid van de maatschappelijke of religieuze orde gegeven.

Het proces verloopt uiteraard niet rechtlijnig; elke ontwikkeling heeft het karakter van een springprocessie en die veroorzaakt dat grensverkeer tussen realiteit en allegorie en daarmee de moeilijkheden voor de huidige lezer. Wanneer Bernardus van Clairvaux over een bewonderde overledene zegt, dat hij de 'stigmata van Jezus in zijn lichaam droeg', moet dat, gezien de context en binnen het hele werk van Bernardus, symbolisch worden gelezen. In de tijd zijn we op de grens: de letterlijke vereenzelviging met het lijden van Jezus zal diens kruiswonden in het lichaam van heiligen zichtbaar gaan maken. De geest en de letter liggen in de tijd vlak bij elkaar, symbool en realiteit, abstractie en concreetheid. Er is zich een gedaanteverandering van de spiritualiteit aan het voltrekken.

Wellicht niet de symbolisering, maar wel de allegorisering, zeker die overvloedige van de middeleeuwen, is ons vreemd. Ze lijkt kunstmatig en gezocht. Niets is zichzelf, maar alles is teken en verwijzing, die tot nieuwe tekens en verwijzingen dwingen. Er ontstaat een symbolisch weefwerk, dat ten slotte het zicht op de werkelijkheid niet zozeer doet verdwijnen, maar die werkelijkheid vervangt. En dat is niet alleen een religieus, maar ook en mischien vooral een sociaal gebeuren: de maatschappij wordt herordend naar dat weefwerk.

IN het evangelie van Lucas en Johannes staat het verhaal van Jezus' bezoek aan het huis van Lazarus en diens zusters Marta en Maria. Marta is druk in de weer, Maria zit aan Jezus' voeten, die ze zalft en met haar haren afdroogt (bij Johannes). Bij Lucas luistert Maria naar Jezus' woorden. Marta beklaagt zich erover, dat Maria niet helpt. Jezus zegt dan: 'Marta, Marta, over veel zijt ge bezorgd en bekommerd. Slechts één ding is noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, en dat zal haar niet ontnomen worden.'

De sleutelwoorden zijn 'het ene noodzakelijke' en 'het beste deel'. (De kennelijke inactiviteit van Lazarus blijft buiten het beeld!). Er wordt een tegenstelling gecreëerd en er wordt een hiërarchie aangebracht. Marta en Maria krijgen hun voorafbeelding in Lea en Rachel, de vrouwen van Jacob, en dat middels hoogst kunstmatige interpretaties. Marta en Maria worden al vroeg van persoon symbool en idee. Zij komen te staan voor de tegengesteld geachte begrippen: actie en beschouwing, met als nevenbeelden aarde en hemel, tijd en eeuwigheid. Waar de visie op het christendom is, dat de tijd er alleen is als voorbereiding op de eeuwigheid, de aarde een voorportaal is van de hemel (en in eeuwigheid en hemel zal de Godsschouwing de enige bezigheid zijn), daar wordt Maria het beeld van de kerk en de ideale gelovige. En wordt de activiteit van Marta, het zich inlaten met aardse zaken, afgewezen.

Honderden theologen en schrijvers hebben zich in duizend jaar, van het vroege christendom tot de hoge middeleeuwen, met de twee vrouwen, die twee vormen van christelijk leven werden, ingelaten. Daarbij zijn uiteraard verzoeningen nagestreefd. En Maria, de moeder van Jezus, werd de synthese van Maria en Marta samen; zij had beiden in zich, en dat wil ook zeggen: actie en contemplatie. En dat leidde weer tot ongewone allegoriseringen, waarbij het huis van Lazarus, waarin Maria en Marta wonen, de schoot van Maria werd; daarin trad Jezus als in dat huis immers binnen. De grote achtergrondvraag is uiteraard of contemplatie 'hoger' is dan activiteit. Het zal duidelijk zijn dat veel schrijvers uit de monastieke wereld de beschouwing boven de daad stelden. Hun 'beste deel' verzekerde hun ook hun eerste plaats! De sociale consequenties zullen duidelijk zijn. Het religieuze begrippenpaar Marta-Maria wordt ook een maatschappelijk begrip, met geledingen en hiërarchieën als gevolg. En de orde wordt dan een door God gewilde, want in het bijbelverhaal beschreven orde. Christus zelf toont zijn voorkeur! Achter de theologische geschiedenis van actie en contemplatie wordt een sociale geschiedenis zichtbaar.

De honderden geschriften laten zien, dat er voortdurend kleine verschuivingen plaatshebben. Naarmate de hoge middeleeuwen naderen en het Christusbeeld ook menselijker wordt (de tijd zelf krijgt waarde, en eeuwigheid is niet langer het absolute criterium) wordt de tegenstelling minder, al zal de beschouwing een hogere plaats blijven houden. Maar het samenspel van actie en contemplatie lijkt het ideaal te worden.

Naar moderne begrippen gaat het hier om de tegenstelling horizontaal-verticaal christendom. De tegenstelling is in de leer van het christendom (die alleen maar een leer van tegenstellingen is) gegeven. Wat nu een louter theologisch probleem is (als het dat nog is) is eeuwenlang ook in zekere zin een belangenstrijd geweest: de theologische uitleg was ook een rechtvaardiging van vormen en rangen van bestaan. Als een poging tot ordening ook. En wie de bevestiging wil lezen van de oude uitspraak, dat God de rangen en standen heeft gewild, kan die bij heel veel schrijvers uit die theologische geschiedenis vinden.

DE eerste van de Three Studies in Medieval Religious and Social Thought van de aan het Institute for Advanced Studies in Princeton werkzame historicus Giles Constable gaat over Maria en Marta. Hij gaat de hele geschiedenis van de visie op die twee kleine evangelie-stukjes door, van de kerkvaders tot aan het einde van de middeleeuwen. Al suggereert zijn indeling een synthetische aanpak, de studie is toch meer het type van het stapelwerk: we krijgen bron na bron te lezen, theoloog na theoloog. Onder de schrijvers zijn vele onbekenden. Zij volgen vaak direct op de bekenden, als gelijkwaardigen. En op de vaak vrij uitvoerige citaten wordt nauwelijks commentaar gegeven. Een stuk theologische geschiedenis wordt gepresenteerd als een catalogus. Dat maakt de structuur van de studie, die ook niet zuiver chronologisch is, enigszins willekeurig, temeer daar over het mogelijk belang of de grote of kleine invloed van de geciteerde theologen nauwelijks iets wordt gezegd. Alleen een wat ingewijde lezer zal achter de ontzagwekkende hoeveelheid bijeengebracht materiaal een lijn kunnen ontdekken, de sociale geschiedenis erachter kunnen vermoeden of zien. Een studie als deze (type koraal, in vele jaren groeit ze naar een wat grillige vorm) is tenslotte meer het materiaal voor een ordenende studie. Het is bijna ironisch te zien, hoe in een studie waarin het zozeer om rang, stand en hiërarchie gaat, zo weinig hiërarchie en ordening aanwezig is. De onvermoeibare onderzoeker - geen Marta en Maria heeft zich voor hem kunnen verbergen - wint het van de schrijver.

Misschien was het materiaal ook niet zo gemakkelijk te ordenen. De verschillen in opvattingen zijn vaak minimaal; het gaat eerder om nuanceringen dan het scheppen van nieuwe tegenstellingen (de mentaliteitsgeschiedenis kent slechts een secondewijzer). Dat kan tot de conclusie leiden, dat het gemeenschappelijk denken in de gegeven periode groter was dan de tegenstellingen doen vermoeden. Er lijkt steeds even een ander raam uit de traditie te worden opengezet of gesloten. En veranderingen voltrekken zich uiterst traag. Het blijft het meesterschap van de kerk opvattingen aan een veranderende cultuur te kunnen aanpassen. En dat maakt haar eigen dubbelzinnige plaats - tussen aarde en hemel - mogelijk. En de indrukwekkende rekbaarheid - in mogelijkheden tot interpretatie - van het grondboek dat de Bijbel is.

De tweede studie, in opzet gelijk aan de eerste, gaat over 'Het ideaal van de navolging van Christus'. Dat ideaal kent grofweg twee gestalten, de goddelijke en de menselijke, wat bij de God-mens die Christus was, te begrijpen is. Heel lang staat de mogelijkheid tot navolging van de goddelijke Christus centraal, hij is mens geworden om de mens God te doen worden. Navolging is deelneming an zijn goddelijke natuur. Die wordt volledige gerealiseerd in het hiernamaals. En het aardse leven is daar de voorbereiding op. (Maria dus hier, geen Marta). De kruisiging wordt niet gezien als het hoogtepunt van het lijden, maar als het moment van de victorie. (De beeldende kunst demonstreert dat duidelijk). Pas wanneer in de hoge en latere middeleeuwen de menselijke gestalte van Christus meer centraal komt te staan, wordt de navolging die van Christus' leven op aarde. En dat vooral van diens lijden. Uiteraard gaat de beeldende kunst in die ontwikkeling van de spiritualiteit mee. (In die tijd wordt ook Marta gerechtvaardigd). Heel veel van de symbolische navolging wordt reële. Ik wees boven al op de concretisering van de stigmata: van symbool naar bloedende wond. Ook hier is natuurlijk de religieuze geschiedenis een cultuurgeschiedenis en daarmee een maatschappijgeschiedenis.

De grote lijn van de ontwikkeling is bekend. De zeer vele citaten van - alweer - talloze schrijvers, laten de geleidelijkheid van het veranderingsproces zien, dat grensverkeer ook tussen geest en letter, het aanwezig blijven (op de achter- of in de ondergrond) van de grote traditie. Wie de lijn wil doortreken, kan vaststellen, dat het eindpunt van de 'vermenselijking' in deze eeuw bereikt is. Christus is Jezus geworden.

DE derde studie lijkt van andere aard dan de twee voorgaande. Het onderwerp ervan is 'De klassen van de maatschappij'. De middeleeuwse dus. Ook dit is weer een stapelstudie, waarin ontelbare driedelingen en tweedelingen (met vele onderverdelingen) aan de orde komen. De traditionele indeling van de maatschappij in: bidders, strijders en werkers is het grondpatroon, dat talrijke varianten mogelijk maakt. De gegeven driedeling is er een in rang: het bidden staat boven het strijden, de monnik (en in hun variant: de clericus en anderen) boven de ridder. En die weer boven de handarbeider. Maria staat boven Marta; de twee worden ook hier weer zichtbaar. De gegeven orde is dus ook een goddelijke orde. De geest blijft verkozen boven het lichaam, de hemel boven de aarde.

Maar ook het goddelijke is niet eeuwig: maatschappelijke veranderingen wrikken aan de driedeling. En er komen steeds nieuwe verfijningen, totdat ten slotte zowel een geestelijke als een wereldse middenklasse ontstaat.

De derde studie geeft een prachtige sociale onderbouw aan de twee voorgaande, zeker aan die over Marta en Maria. Wat in alle drie, vooral in de eerste en derde, zichtbaar wordt is een altijd doorgaande hardnekkige neiging tot ordenen: van bijbel en geloof, van de kerk, van de maatschappij en en dat alles in samenhang. En een wijziging in een van de deelgebieden heeft zijn consequenties voor de ordening van het geheel. Duizend jaar is de klassenstrijd het denken van de theologen geweest! Zelden ben ik van de ordeningsdrift van een heel tijdperk zo overtuigend beleerd als in deze drie studies.

Je verwacht een vierde studie: de synthese waartoe de drie studies toch moeten leiden en die de lezer al enigszins ziet aankomen. De vierde studie wordt een nieuw boek van Constable. Het zal The Reformation of the Twelfth Century gaan heten. De twaalfde eeuw als de eeuw van de grote omslag. In de drie studies is dat al aanwijsbaar. Die studies hebben een wordingsgeschiedenis van dertig jaar. Ik hoop dat het beloofde boek iets sneller zal worden voltooid. En dat daar de Marta van het onderzoek - en die is de auteur in deze drie studies - alle ruimte geeft aan Maria, de beschouwing. En dan zal het tweede het beste deel worden. Zoals het hoort.

Giles Constable, Three studies in Medieval Religious and Social Thought, Cambridge University Press, prijs ¿ 113,60.

Meer over