De kamer kan wel een prozacje gebruiken

Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt: de stemmingswisselingen in de Tweede Kamer worden Goethiaans. De manische fase werd begin februari veroorzaakt door het bekend worden van een miljardenmeevaller in de belastinginkomsten over het vorig jaar....

De meevaller verleidde de kamer tot voorstellen voor extra overheidsuitgaven en extra, tussentijdse, belastingverlaging. 'Feestgedruis', zei premier Wim Kok. Direct na het bekend worden van de tegenvaller, vorige week, liet Hans Hoogervorst, de financieel specialist van de VVD-fractie, optekenen dat 'het feestgedruis definitief verstomd is'. Jongstleden donderdag tenslotte bracht de Volkskrant het nieuws dat de coalitiefracties afzien van tussentijdse lastenverlichting. Het einde van een cyclus.

De Tweede Kamer kan wel een prozacje gebruiken.

De reactie van de regeringsfracties op de meevaller was even overdreven als de reactie op de tegenvaller. Zo goed als de (grotendeels conjuncturele) belastingmeevaller geen zelfstandige reden is om de belasting te verlagen of de uitgaven te vergroten, verschaft het tegenvallen van de premie-inkomsten nauwelijks argumenten om daarvan af te zien.

Is de belastingmeevaller van 4,5 miljard gulden van minister van Financiën Gerrit Zalm nog enigszins hard, over de omvang van de premie-tegenvaller wordt vooral gespeculeerd. De betrokken instanties zijn het allerminst met elkaar eens: er wordt gesteggeld tussen de rekenmeester van het Centraal Planbureau, het Tijdelijk Instituut voor Coördinatie en Afstemming (Tica) als vertegenwoordiger van de sociale fondsen, het ministerie van Sociale Zaken en de ministeries van Financiën en Economische Zaken. Hierbij vliegen de miljarden over het papier. Het lijkt er op dat er vorig jaar dik twee miljard gulden te weinig premie is geheven en dat dit, bij ongewijzigd beleid, in 1997 weer zal gebeuren. De tegenvaller komt dan in totaal op 4,5 miljard gulden, toevalligerwijs hetzelfde bedrag als Zalms belastingmeevaller.

Bij alle onzekerheid over de omvang van de huidige tegenvaller in de sociale fondsen zijn er ook een paar zekerheden.

Ten eerste worden de premies van de sociale verzekeringen tegen werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en dergelijke al jaren systematisch te laag vastgesteld. Het kabinet denkt daar belang bij te hebben. Lage premies houden de koopkracht (kunstmatig) hoog en bevorderen bovendien de werkgelegenheid, omdat de arbeidskosten laag blijven.

Een mooi voorbeeld van de gevolgen van te lage premies biedt het Algemene Werkloosheidsfonds. Als de premie-inkomsten van een fonds kleiner zijn dan de uitgaven aan uitkeringen daalt het vermogen. Volgens cijfers van het Tica beschikte dit fonds in 1991 nog over een overschot ten opzichte van het normvermogen van dik twee miljard gulden. In 1995 kwam het ruim vier miljard te kort. Zes miljard gulden interen: dat is een forse achteruitgang.

Zeker is ook dat door deze politieke praktijk de gezamenlijke sociale fondsen eind vorig jaar een aanzienlijk kleiner vermogen hadden dan was voorgeschreven. De Groningse econoom Flip de Kam stelde deze week in NRC Handelsblad dat het gezamenlijke vermogenstekort 9,9 miljard gulden bedraagt. Tegenover de norm van 12,6 miljard gulden staat volgens hem een feitelijke vermogenspositie van 2,7 miljard. Nu bestaat over de feitelijke vermogenspositie dus verschil van mening, maar de orde van grootte van het tekort - negen, tien, elf miljard gulden - klopt.

Zeker is bovendien dat het interen op het vermogen van de fondsen niet bijdraagt tot gezonde overheidsfinanciën. Het vermogen van de fondsen is een collectief bezit. Interen op dit vermogen is vergelijkbaar met het interen op het tegoed op een spaarrekening door de individuele burger. Even voelt hij zich rijk, maar als de spaarrekening is opgeconsumeerd blijkt dat hij boven zijn stand heeft geleefd.

Zeker is tenslotte dat het kabinet en de kamer dondersgoed weten dat in snel tempo op het vermogen van de fondsen is en wordt ingeteerd, los van de nieuwe informatie van nu.

Tijdens de beraadslagingen over de begroting voor het lopende jaar, in augustus 1996, is lang over de fondsen gesproken, vooral op aandringen van het Centraal Planbureau dat tegenvallers meldde. Destijds is er door het kabinet met onbegrijpelijke lichtzinnigheid voor gekozen een deel van het miljardenprobleem simpelweg niet op te lossen (de normvermogens werden verlaagd) en de oplossing van de rest van het probleem, premieverhoging, uit te smeren over drie jaar. In termen van de burger: de spaarrekening hoefde niet te worden aangevuld tot het oude niveau, en voor zover het saldo wel moest worden aangezuiverd, kon dat op z'n elfendertigst.

Deze zekerheden, dat de belabberde positie van de fondsen algemeen bekend is, en dat hierop door de Haagse politiek tot op heden lauw werd gereageerd, plaatsen de opwinding na het bekend worden van de jongste tegenvallers in een ander licht. Het gedrag is wonderlijk. Bij een vermogenstekort van acht miljard gulden wordt de kamer manisch van een belastingmeevaller; valt het tekort een paar miljard hoger uit, dan wordt de kamer depressief.

Over de verklaring van het gedrag van de kamer kan slechts worden gespeculeerd. Het is onwaarschijnlijk dat de kamer werkelijk collectief manisch-depressief geworden is. De mogelijkheid dat de kamer het slachtoffer is van een VVD-complot van Zalm en Hoogervorst om het verjubelen van de belastingmeevaller te voorkomen, is al minder vergezocht. Hopelijk is de verklaring eenvoudiger: dat er eindelijk belangstelling ontstaat voor de slechte financiële positie van de fondsen. De fondsen zijn misschien nog niet failliet, zoals De Kam monter meldde in NRC Handelsblad, maar het scheelt niet veel meer.

Meer over