De joodse wapper

'Good morning Iran, good morning Iran.' Israëlische kunstenaars reageerden furieus op het verbod om 'Anaphase' te dansen tijdens het jubileum van de staat....

Ariejan Korteweg

DE gemillimeterde schedel van de bewaker rechts naast het podium glanst in het maanlicht. Hij heeft de armen over elkaar geslagen en scant met zijn ogen ritmisch de drommen mensen achter de hekken. Telkens als in de menigte een mobiele telefoon gaat, draait zijn hoofd daarheen en wordt het ritme verstoord. Israëli's zijn zo verzot op hun gsm, dat ze die voor een dansvoorstelling niet afzetten.

Een paar duizend belangstellenden verdringen elkaar om een glimp op te vangen van het buitenpodium, waarop de Batsheva Dance Company zo meteen een show zal geven. Een gratis show wel te verstaan, ter ere van de uitbreiding van het Suzanne Dellal Centre for Dance and Theatre, kloppend hart van de dans in Tel Aviv. Batsheva kreeg er nieuwe studio's met hoge boogramen, die uitzicht bieden op de kruinen van palmbomen.

Artistiek leider Ohad Naharin heeft van Batsheva het beste gemaakt wat Israël aan dans te bieden heeft: een jong, scherp gezelschap, dat naar twee kanten lonkt. Met links wordt geknipoogd naar Tel Aviv, een stad die dankzij Dana International in heel Europa bekend is om haar uitgaansleven, kosmopolitisch hart van een land dat wordt bewoond door mensen die van over de hele wereld zijn gekomen. Het rechteroog knippert naar de joodse tradities, die in zo sterke mate het lot van dat land bepalen.

Dans is hier meer dan Batsheva, en meer dan de volksdans waarmee Israël hardnekkig geassocieerd wordt. Tenminste, zo wil het Holland Dance Festival ons doen geloven, dat vanaf morgen in Den Haag een aantal Israëlische choreografen en dansgroepen presenteert. Naast Naharin, die een choreografie voor het Nederlands Dans Theater maakte, zijn dat de jonge choreografen Barak Marshall en Anat Danieli en de dans- en percussiegroep Mayumana. Maar hoe kun je zoiets lichtzinnigs als dans maken in een land waar het leven elke dag duizelingwekkende vragen stelt?

De show van Batsheva formuleert een eerste antwoord. De voorstelling bestaat uit een reeks samples van de choreografieën van Ohad Naharin. Ontelbaar zijn de verwijzingen naar drag queens, hiphop, cha-cha-cha en karaoke. Laaggestrikte gympen, staartjes en crewcut-kapsels verhogen de straatwaarde van zijn keurkorps. Het gedanste hedonisme wordt door het publiek in Tel Aviv gretig verwelkomd.

Mami Shimasaki, de verleidelijke Japanse sterdanseres in herenkostuum, brengt een solo op haar eigen tekst, die de gedaante kreeg van een brief naar huis: 'Eerst dacht ik dat de mensen in Israël heel agressief zijn. Nu ben ik er aan gewend. De jongens zijn heel direct. Ze zeggen: ik wil je aanraken, mag ik je zoenen?'

In een dergelijke karakterschets herkennen de Israëli's zich maar al te graag. Oké, misschien dat er eens een gsm-etje rinkelt tijdens een dansvoorstelling. Maar in wezen zijn ze tough cookies met een hart van goud - Batsheva weet hoe ze haar publiek om de vinger windt.

De keerzijde wordt zichtbaar in een fragment uit Anaphase (1993), de evergreen van Naharin waarmee het optreden begint. De enscenering is hallucinerend: een grote groep dansers stort zich om beurten ritmisch voorover van in semi-carré opgestelde klapstoeltjes. Na elke buiteling pellen ze een laag van hun kleding af op een ritme dat wordt aangegeven door een tekst uit de haggada, die door joden over de hele wereld met Pesach wordt uitgesproken.

Ook het Nederlands Dans Theater heeft Anaphase op het repertoire. Maar hier in Tel Aviv hoort de dans thuis. De legeruniformen die de Haagse dansers droegen, zijn vervangen door zwarte pakken en hoeden. Dat heeft immense gevolgen. De choreografie verwijst nu direct naar de orthodoxe joden, 'de hoeders van het geloof', die met hun pijpenkrullen en lange baarden steeds nadrukkelijker het beeld bepalen - op straat, maar ook in de Knesset, het parlement.

Door Anaphase was de Israëlische dans vorig jaar wereldnieuws. De staat zou zijn vijftigjarig bestaan vieren met een cultureel spektakel in een amfitheater in Jeruzalem, bedoeld voor hoogwaardigheidsbekleders uit binnen- en buitenland. Toen bleek dat Batsheva Anaphase zou uitvoeren, reageerden orthodoxe volksvertegenwoordigers furieus. Geloofsgenoten die zich languit op hun gezicht laten vallen en daarbij zichzelf ook nog - letterlijk - in hun hemd zetten, en dat door een zo verwerpelijk medium als dans, het was meer dan hun waardigheid kon verdragen. De orthodoxen eisten een verbod op de uitvoering van de dans, die ze als een persoonlijke aanval ervoeren.

Waarop Naharin het stuk terugtrok, nog even over een compromis met lange onderbroeken werd gesproken, maar uiteindelijk niets een schandaal kon verhinderen. Berichten over censuur in Israël gingen de wereld over. Woedende kunstenaars verzamelden zich de volgende ochtend op een receptie ter ere van het jubileum in het Diaspora Museum in Tel Aviv en schreeuwden: 'Good Morning Iran, Good Morning Iran.' Welkom aan de dictatuur van de orthodoxen.

Naharin heeft zijn lesje geleerd. Hij heeft er geen behoefte meer aan zijn bedoelingen te expliciteren. Wie hem nu vraagt naar het waarom van die pakken en hoeden, krijgt een wantrouwige blik en het volgende antwoord: 'Die pakken benadrukken de eenvormigheid. En dergelijke hoeden zijn in Israël nu eenmaal overal te koop. Of de dans iets met orthodoxie te maken heeft? Dat durf ik niet te zeggen.'

Op het erf scharrelen wat kippen, het moestuintje oogt gemoedelijk. Kibboets Ga'Aton, op minder dan tien kilometer ten zuiden van de grens met Libanon, is een onwaarschijnlijke plek voor een dansgezelschap. De repetities worden gehouden in een verbouwde schuur, waar de temperatuur flink kan oplopen.

Het planningbord dat een wand van het kantoortje in beslag neemt, laat zien dat het wel degelijk menens is: Japan, Finland, Louisville, Memphis, Houston, Tulsa - de Kibbutz Contemporary Dance Company tourt wereldwijd. En altijd staat Aide Mémoire op het programma, een dans over de invloed van de holocaust op een volgende generatie.

Aide Mémoire (Geheugensteun) laat weinig te raden over. Op de geluidsband denderen mitrailleurs en gevechtsvliegtuigen dwars door renaissancemuziek heen, een brute stem brult: Heraus! Dansers roffelen als in agonie op hun borst, doen de tijgersluipgang of scharen zich als discipelen rond een verlosser.

'Vaak komen na afloop mensen huilend naar ons toe. Ze willen ons omhelzen en met ons praten', vertelt met hese stem choreograaf Rami Beer, een kleine blonde man op sandalen. De buitenlandse tournees zijn een levensnoodzaak voor zijn gezelschap. De dansgroep van de kibboetz werd na de Tweede Wereldoorlog opgericht door immigranten uit Tsjecho-Slowakije en Hongarije. In het begin werd de groep goeddeels in stand gehouden door de kibboetzen van Israël, waaruit als tegenprestatie ook de dansers gerecruteerd dienden te worden. De tijden zijn veranderd, stelt Beer: de kibboetz met zijn ideaal van samen de schouders eronder spreekt de jeugd niet meer aan, de kibboetz-beweging is al lang geen gangmaker meer van de Israëlische economie. Beer haalt zijn dansers tegenwoordig van over de hele wereld, en is voor de financiering afhankelijk van de - niet al te scheutige - overheid.

De grootste bedreiging voor zijn gezelschap? Beer is duidelijk: dienstplicht en oorlogsdreiging. In een voor hun scholing cruciale levensfase moeten dansers - meisjes zo goed als jongens - een paar jaar het leger in. En waar de overheid de helft van haar budget aan defensie spendeert, komen de kunsten er al snel bekaaid af.

Ook in zijn choreografieën ontkomt Beer niet aan de Israëlische werkelijkheid. On the Edge, zijn jongste,heeft de frictie tussen religieuze en ongelovige mensen als thema. Het stuk speelt zich af op een diagonale vloer - voor het geval het publiek het scheve van de situatie niet zou snappen.

Zo lijken in Israël (dans)theater en samenleving altijd innig vervlochten; het is alsof geen kunstenaar eraan ontkomt zich uit te spreken over de grote thema's: het trauma van de holocaust, het samenleven met de Arabieren, de groeiende macht van de orthodoxen. Theater neigt dan al snel naar journalistiek, dans naar getuigenis.

Dat beseffen Anat Danieli en Barak Marshall, de twee jonge choreografen die door het Holland Dance Festival werden uitgenodigd, maar al te goed. Maar hun reacties zijn tegengesteld. Danieli is geboren en getogen in Israël, ze beschouwt zich als behorend tot een generatie die liever naar zichzelf zoekt dan naar de ziel van de natie. 'Israël veramerikaniseert', zegt ze, gezeten op een bank in de schaduw voor het plantsoen bij het Dellal Center. 'Mijn generatie is materialistisch. De jongeren willen spanning, bungee jumpen. Minder dan bloed is niet goed genoeg. Dansers moeten zweten, dat eist onze cultuur.'

Zoals veel jonge Israëli's ging ze naar India. 'Ik hou van de Indiase mentaliteit, van de aanvaarding van het leven zoals het komt. Dat is wat ik hier mis.'

Haar scholing in de techniek van Merce Cunningham in New York weerspiegelt zich in haar werk. Als een van de weinigen maakt ze dans die geen eenduidige betekenis heeft. Haar choreografie is sierlijk en vloeiend, een ode aan de beweging, zonder expliciete verwijzingen naar de werkelijkheid buiten het theater. 'Ik zoek niet naar extremen of statements. Schreeuwen op het podium vind ik kinderachtig. Dat ik dans in dit land van schuilkelders, is al politiek genoeg. Laat mij maar dansen op Paolo Conte, die zijn geliefde een citroenijsje en de maan belooft.'

Barak Marshall groeide op in Los Angeles, en reisde als achttienjarige zijn moeder achterna, de choreografe Margalit Oved, die na een verblijf van dertig jaar in de Verenigde Staten terugkeerde. Pas in Israël ontpopte de als filosoof opgeleide Marshall zich tot choreograaf.

Marshall praat sneller dan een gewone sterveling kan luisteren, en wat hij niet in woorden kwijt kan, vertelt hij in zijn dans. 'Ik ben altijd extreem geweest, en altijd joods.' Met zijn dans wil hij Israël een spiegel voorhouden. De voetroffels zijn Arabisch, de thematiek (het huwelijk van de feministische wegbereidster Emma Goldman) is zeer joods, de muziek is beurtelings klezmer en Arabisch. Hij noemt Pina Bausch, Alain Platel en het Théâtre de Complicité als zijn voorbeelden. Maar zijn motivatie is anders. 'In Europa zijn cultuur en politiek doorgaans gescheiden. Hier is dat ondenkbaar. Mijn dans is politiek. Je kunt het je hier niet permitteren om thuis te zitten met de video aan en de auto voor de deur. Dans is er om vreugde en verdriet te delen, om de rituelen van geboorte, volwassen worden en dood te beleven. Voor dans die alleen esthetisch is, heb ik geen belangstelling. Vergeet niet, Israël heeft me aan het dansen gebracht.'

Hun werk wordt ook gepresenteerd in het feestprogramma rond de opening van het Suzanne Dellal Centre, een vlootschouw van de dans in Israël. Er is hiphop, flamenco, homo-erotiek, verlopen expressionisme, new age in profetische gewaden, trancedans, zielendans - niet veel anders dan wat je in willekeurig welk Europees land zou kunnen aantreffen.

Maar op zeker moment bespeur je iets dat in Europa zelden langskomt. Het is een gebaar dat zo weer voorbij is. Eerst ontwaar je het op het danspodium, later blijkt het ook in het wild voor te komen: tijdens gesprekken op de hoek van de straat, in winkels, bij de Klaagmuur.

Die beweging, die je de joodse wapper zou kunnen noemen, gaat als volgt: breng beide handen met gespreide vingers aan weerszijden naast het hoofd, dat licht gebogen is. Beweeg nu de handen snel langs het hoofd heen en weer. Maak daarbij eventueel schuddende bewegingen met het hoofd, steek desnoods de tong uit of prevel er bij: oy oy oy.

Niet iedereen die in Israël wat met dans van doen heeft, herkent dat gebaar meteen. Naharin bijvoorbeeld moet er niets van hebben. Ook choreografen bij wie je de joodse wapper zo in hun dans kunt aanwijzen, zoals Rami Beer uit de kibboetz, ontkennen het bestaan ervan.

Maar de meesten komen met treffende verklaringen.

'O ja, meteen duidelijk', reageert Talia Perlstein, hoofd van de dansbibliotheek van Israël. 'Dit is een klein land, de dansers nemen snel wat van elkaar over. Zo kan het gebeuren dat je dezelfde beweging vaak tegenkomt. Het is een agressief, maar tegelijk ook religieus gebaar.

'De dans heeft zich hier de afgelopen jaren snel ontwikkeld. Klassieke dans bestaat hier amper, we willen alles zelf uitvinden. Choreografen naderen de Israëlische bronnen; het samenleven van orthodoxen en niet-gelovigen, joden en Arabieren wordt steeds vaker in dans verwerkt. Dit is misschien een teken dat ook het joodse geloof en temperament als bron van inspiratie worden herkend.'

Choreograaf Barak Marshall ziet aanvankelijk niks in het gebaar. Later komt hij grijnzend op zijn woorden terug. 'Terwijl ik zat te vertellen, merkte ik ineens dat ik wapperde.'

'Hectisch, gestresst, paniekerig, bezwerend', analyseert Neomi Perlov, repetitor van Mayumana, een dans- en percussiegroep die zich opmaakt om via het Holland Dance Festival Europa te veroveren. 'Kortom: een typisch joods gebaar. Wij praten met onze handen. En we denken de hele dag dat we redenen hebben om ons op te winden.'

Of Arabieren dezelfde beweging maken? Perlov is resoluut: 'Nee, die zijn veel trager.'

Meer over