De ingeslikte puls van wat je hoorde

FANS ZIJN aandoenlijk omdat ze weigeren een voorbehoud te maken. Kom bij hen niet aan met een redelijke afweging, met voors en tegens of relativeringen....

Dirk van Weelden is een geboren fan. In zijn romans en essays zoekt hij een methode om het leven te zien als een machine waarvan de motor altijd blijft draaien.

Het zijn niet de futielste zaken die hij op zijn tocht wenst te omzeilen, wil hij niet voortijdig bij de pakken neerzitten: verveling, stagnatie, stilstand, ironie, cynisme, melancholie, dood. Natuurlijk, hij weet ook wel dat die rampen uit niemands leven verdreven kunnen worden. Maar hij laat het hoofd niet hangen, en geestdriftig zoekt hij voort naar bewijzen voor zijn ondervinding dat plezier en uitgelatenheid minstens zo inspirerend kunnen zijn als ennui, spleen of hoe al die vreemde woorden luiden waar de gemiddelde c.q. gekwelde westerse kunstenaar nu al een eeuw bij zweert.

Hoe melancholisch zovele dichters zich ook noemen, ook zij moeten toegeven toch minstens gedurende de tijdsspanne dat ze daadwerkelijk schiepen, aan hun staat van doffe ellende ontstegen te zijn geweest. Een écht zwaarmoedige natuur had de zin niet gezien van het schrijven van een gedicht, nietwaar?

Een fan kan zijn voorliefde zelden of nooit ondersteunen met argumenten die een valide indruk maken. Daar is hij fan voor. Argumenteren is immers een kwestie van nuanceren, van wikken en wegen, van redelijkheid kortom die in dit geval nu net uit den boze is.

Een geboren fan die ook schrijver is, heeft een probleem. Dat is wel het minste dat gezegd kan worden van Van hier tot hier, zonder blikken of blozen gepresenteerd als een 'autobiografische archeologie van 1980, het jaar waarin Dirk van Weelden als twintiger zijn volwassen leven begon'.

Met dezelfde opgetogenheid die hij eerder in zijn romans aan de dag legde, laat Van Weelden in deze essays, brieven en verhalende fragmenten zien waaruit zijn onvrede als student filosofie bestond. Hij wilde muziek maken, tentoonstellingen bezoeken, boeken lezen, maar zich bovenal niet beperken tot academische kringen. Niets minder dan het leven van alledag wilde hij te lijf. Want wat zou er mooier zijn dan een leven waarin moeiteloos geschakeld kan worden tussen denken en handelen?

In boekjes snuffelen volstond niet. Dirk wilde ook proefondervindelijk te werk gaan. Kern van de zaak werd voor hem dat wanneer je ergens alleen voor staat, je dan zelf moet uitvinden hoe je iets aanpakt. Zoiets als kamperen, maar dan geestelijk - als ik Van Weeldens abstracties goed begrijp. Wie wel eens buiten de vertrouwde en bebouwde kom op de heide in een tent is gaan zitten met niks of bijna niks - een lekke butagasfles, een nat doosje lucifers en een blik doperwten dat over de datum heen is -, die weet wat het behelst, het gevoel helemaal opnieuw te moeten beginnen. Welnu, dat vindt Dirk van Weelden nou enig.

Hij houdt van 'beginnersnihilisme' of 'minimalisme', van slapen in het open veld onder de sterrenhemel in plaats van in een hotel (waar je met vijf sterren meer dan tevreden bent) en hangt de idee aan dat iedereen per slot van rekening als een amateur in het leven staat, daar wij allen 'al doende moeten leren'.

Alles goed en wel, maar dit soort gejubel doet verdacht veel denken aan de blijmoedigheid van hopmannen en het wereldvreemde optimisme van doe-het-zelvers, van een overlevingstocht op hiephiephoera-sandalen en van zondagochtend-in-alle-godse-vroegte-uit-de-veren-mensen, want dan gaan we naar een veldje waar je - mits de wind gunstig staat en er niet wordt gerookt of gelachen - de geelgebefte heikneuter nog kunt horen baltsen.

Niks tegen dit slag mensen, maar je moet er geen dagen aan overgeleverd zijn, want dan wordt hun onstuitbaarheid onuitstaanbaar. Tegen zoveel levenslust is geen onkruid gewassen. Van de weeromstuit begin je hartgrondig te verlangen naar een scheutje ironie, een schepje cynisme, een teentje zwartgalligheid, een wolkje verveling - of hoe al die treiterige gemoedsgesteldheden ook heten. Een tikkie zelfspot, kun je samenvattend zeggen.

Het gekke is dat Van Weelden zijn makke kent. In zijn roman Orville (1997) gaf hij er blijk van te beseffen dat er wel iets in te brengen is tegen zijn hopmansyndroom. De op hem gelijkende hoofdpersoon kreeg van verschillende kanten tegengas. Maar in Van hier tot hier legt hij zich geen beperkingen op, met als gevolg artikelen die potsierlijk worden door het juichtoontje van de onverbeterlijke fan.

Van Weelden over de hiphopper Dj Shadow: 'Zodra de muziek inzet, voel je hoe ongelooflijk die onderbreking swingde. De onderbreking, het wegvallen van de muziek wordt een ritmisch element, een beat. Ook al hoor je in de nieuwe scène een ander ritme en heel andere instrumenten, toch voelt het volledig opnieuw opbouwen van de collage onmiddellijk aan als vervolg op het vorige deel. Hij was er, elliptisch, zoals in een break: de ingeslikte puls van wat je hoorde. Je hoort het ritme behalve als een voorwaartse beweging dus ook achteruit.'

Dertien bladzijden is Van Weelden zo aan het raaskallen. Om mijzelf een adempauze te gunnen, snorde ik de cd Endtroducing. . . Dj Shadow (1996) op. Er zaten pauzes tussen de samples, inderdaad, maar die verschilden niet wezenlijk van de stilte tussen, pak 'm beet, het 'Allegro, ma non troppo' en het 'Larghetto' in Beethovens Vioolconcert. En dán krijg je er nog een vioolconcert bij ook!

Van Weelden gaat dit keer te ver. In zijn stukken wekt hij weliswaar belangstelling voor de foto's van Robert Frank, de film Permanent Vacation (1980) van Jim Jarmusch (die hij navertelt en onnavolgbaar abstract interpreteert), of die cd van Dj Shadow, maar je luistert naar deze schrijver als naar een handelsreiziger in knutselboeken: met een welwillend oor, maar zonder werkelijk te geloven in de waren die de goede man met zoveel omhaal van dure bewoordingen, inclusief ontsporingen, aanprijst. Over het personage Allie in Permanent Vacation: 'Verlangen naar intimiteit of seks is onbespeurbaar', waar hij bedoelt dat in de film bij de hoofdpersoon geen verlangen naar intimiteit te bespeuren is.

Het stuk 'Naar Antwerpen' opent met een heuse blooper: 'Nee, het is overzwemmen, schudde Winterslag met een ergerlijke zekerheid op zijn gezicht.' Je kunt een zin uitspreken, fluisteren, schreeuwen, zingen desnoods; maar schudden, en dan ook nog met een ergerlijke zekerheid, dat behoort tot de onbestaanbaarheden.

Dit doet denken aan de talloze kreupelheden die Karel van het Reve zaliger in Freud, Stalin en Dostojevski (1982) in het werk van laatstgenoemde overschatte meester signaleerde: 'O, dus je hebt dat van die pope onthouden, keek Varvara Petrovna haar woedend aan.' Lees het stuk, en je kijkt voortaan wel drie keer uit voor je zo'n zin opschrijft. Maar Van Weelden houdt niet van Karel van het Reve. Te ironisch naar zijn zin.

Hij besteedt zijn tijd aan andere dingen dan het controleren van zijn taalgebruik. Liefst dertien bladzijden interviewt hij zichzelf (!) over het bandje Gdansk, waar hij met zijn broer tussen augustus 1980 en augustus 1982 deel van uitmaakte: 'Zelfopgelegde armoede. (. . .) De naaktheid van onze sound en de vele functies die ons bescheiden instrumentarium moest vervullen, dwongen ons bij het maken van nummers in een bepaalde richting. (. . .) Uit de klonten in de geluidssoep stelden we onze nummers samen.'

Het moet een vrolijke bende geweest zijn. Om publiek gaven we niet, ook niet tijdens optredens, zegt Van Weelden in een bijzin. De toeschouwers zagen twee jongens die zich in een armoedige geluidssoep wierpen, hoorden de naakte sound even aan en dachten toen ongetwijfeld: geef mijn portie maar aan fikkie.

Met deze humorloze zelfverheffing maakt Van Weelden zich belachelijk. Gelukkig voor hem is hij niet afhankelijk van de appreciatie van derden. Hij is een fan van zichzelf.

Meer over