Reportage

De ‘Indische gemeenschap’ in Nederland is een eilandenrijk – net als het vroegere Indië

Het kabinet trekt ruim 20 miljoen euro uit voor de bevordering van de kennis in Nederland van de geschiedenis en de cultuur van voormalig Nederlands-Indië. Onder de noemer ‘Indische Nederlanders’ gaan echter meerdere gemeenschappen met uiteenlopende ervaringen schuil.

Muzikanten treden op tijdens de presentatie van het programma voor de bevordering van kennis  over de Indische gemeenschap in Nederland.  Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant
Muzikanten treden op tijdens de presentatie van het programma voor de bevordering van kennis over de Indische gemeenschap in Nederland.Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

Indische Nederlanders: ze zijn met velen, maar niemand lijkt te weten met hoeveel precies. En ze hebben iets te maken met voormalig Nederlands-Indië, maar niemand lijkt te weten wát precies. Het zijn allemaal redenen voor het kabinet om een ‘collectieve erkenning van de Indische gemeenschap in Nederland’ te organiseren. Een zeskoppige commissie, aangevoerd door oud-minister Jet Bussemaker (Onderwijs), moet Nederlanders meer vertrouwd maken met een cultuur die niet met de vroegere kolonie ten onder is gegaan, en die ook de huidige Nederlandse samenleving kleurt.

Bij de presentatie van het 20,4 miljoen euro kostende programma, afgelopen maandag in het Haagse museum Sophiahof, liet staatssecretaris Paul Blokhuis (VWS) in het midden wie zoal tot de Indische Nederlanders mogen worden gerekend. Volgens de staatssecretaris zou het gaan om zo’n 2 miljoen mensen, wat doet vermoeden dat hij een rekkelijke groepsdefinitie hanteert: iedereen die genealogisch, cultureel of anderszins een band heeft met het vroegere Nederlands-Indië.

Molukkers

Bij de toelichting van het programma leek Blokhuis echter vooral op de ongeveer 42 duizend Molukkers in Nederland te doelen: vroegere bewoners, en hun nazaten, van de Molukken – een eilandengroep aan de oostelijke rand van de Indische Archipel. En die verschillen onderling weer sterk van mening over de omgang met het eigen verleden en hun plek in de Nederlandse samenleving – zoals onlangs bleek uit de onenigheid waar de voorgenomen herdenking van de komst van de eerste Molukkers, 70 jaar geleden, in eigen kring aanleiding toe gaf.

Van een ongedeelde Indische gemeenschap kan dus niet worden gesproken. Hooguit van meerdere gemeenschappen die een verdwenen land van herkomst met elkaar gemeen hebben, maar daar niet per se een gevoel van onderlinge verbondenheid aan ontlenen. Hun identiteit is tenslotte niet alleen bepaald door het land waar zijzelf, of hun voorouders, zijn geboren maar ook – wellicht nog wel sterker – door de sociale klasse waar zij in Nederlands-Indië toe behoorden.

In zijn boek Revolusi beschreef David Van Reybrouck de pakketboot, het meest gebruikte transportmiddel in het Nederlands-Indische eilandenrijk, als metafoor van de Indische klassen- en standenmaatschappij. Op het eerste dek verbleven de (blanke) Europeanen en enkele Indo-Europeanen: mensen met een gemengd Europees-Indische etniciteit die ook Indo’s of – minder vlijend – katjangs werden genoemd. Deze groep bevolkte ook het tweede dek, samen met mensen die volgens de toenmalige classificatie bij de ‘vreemde oosterlingen’ werden geschaard.

Inlanders

Het benedendek ten slotte, was het domein van de inlanders: de oorspronkelijke bewoners van de Indische archipel. ‘Chinezen kon je op alle drie de dekken aantreffen’, schreef Van Reybrouck. En Japanners? Die werden, in de lijn van de administratieve logica van Nederlanders-Indië, tot de Europeanen gerekend – wellicht vanwege hun hoge ontwikkelingsgraad. Zij waren dus ook op het eerste dek te vinden.

‘Indische Nederlander’ is nu de noemer voor alle groepen die op de pakketboot nog streng van elkaar waren gescheiden – voor zover zij zich na de oorlog in Indonesië (1945-1949) in Nederland hebben gevestigd. Vóór de oorlog werd deze kwalificatie echter uitsluitend gebruikt voor Indo-Europeanen, veelal personen met een Nederlandse vader en een Indonesische moeder. Hun positie op de pakketboot – en in de Indische samenleving in haar geheel – was uiterst wankel.

Zij vormden, in de kenschets van Van Reybrouck, ‘de onderkant van de bovenkant’. Dat betekende dat ze door de witte bovenlaag maar zelden op waarde werden geschat, en dat ze door inlandse massa werden gewantrouwd. Als de Nederlandse vader van een gemengd gezin kwam te overlijden had dat een pijnlijke sociale degradatie van de (Indische) weduwe en haar kinderen tot gevolg.

Loyaliteit

De Indo’s wilden bij de Nederlanders elke twijfel over hun loyaliteit wegnemen. ‘Zij wilden Nederlandser dan Nederlands zijn’, zei schrijver Herman Keppy (zoon van een Molukse vader en een Nederlandse moeder) in 2019 in de Volkskrant. Dit is een verklaring voor het grote aandeel van de in Nederland wonende Indo’s in het verzet tegen het nazibewind. Hun liefde voor het moederland bleef echter vaak onbeantwoord, zei Keppy. ‘Bij de documentatie van mijn boek over het Indisch verzet trof ik een notitie aan op de aanvraag voor een onderscheiding voor een Indische verzetsstrijder: ‘Halfbloed, dus met de bekende achterbakse eigenschappen’. Of het met die diskwalificatie samenhangt weet ik niet, maar de betrokkene heeft die onderscheiding níet gekregen.’

In Indië zelf verkeerden de bijna 200 duizend Indo’s tijdens de Japanse bezetting (1942-1945) in een precaire positie. Anders dan de zogenoemde totoks – blanke Nederlanders die in Nederlands-Indië waren opgegroeid – werden de meesten weliswaar niet in kampen ondergebracht, maar die weelde was maar heel betrekkelijk. Ze verloren vaak hun oude betrekkingen en ze wekten onverkort de achterdocht van de Indonesische meerderheid van ruim 60 miljoen zielen. Tijdens de Bersiap, een gewelddadige periode in het najaar van 1945, hadden de Indo’s evenzeer te lijden onder wraakacties van Indonesische nationalisten als de Nederlanders.

Hoezeer de ervaringen van Indo’s, totoks, Molukkers en andere Indische Nederlanders ook uiteenlopen: ze worden allen tot dezelfde gemeenschap gerekend. Staatssecretaris Paul Blokhuis is zich naar eigen zeggen terdege bewust van die diversiteit. ‘Het is niet de bedoeling dat de commissie-Bussemaker die verschillen wegpoetst of maskeert. Er zal niet één verhaal over voormalig Nederlands-Indië worden verteld, laat staan een verhaal waar iedereen het mee eens zal zijn. Maar er is al winst geboekt als Nederlanders beseffen dat de geschiedenis van mensen met een Indisch verleden ook hún geschiedenis is. Dat er op z’n minst ergens een belletje gaat rinkelen als het over de Bersiap of de Molukken gaat.’

Meer over