De ijzeren kanselier; LEVEN EN WERK VAN OTTO FÜRST VON BISMARCK NAUWKEURIG BESCHREVEN

VOLGENDE WEEK donderdag zal het precies honderd jaar geleden zijn dat Otto von Bismarck op 83-jarige leeftijd stierf, de 'ijzeren kanselier' die tussen 1864 en 1871 drie oorlogen voerde om Duitsland tot een eenheid te smeden, maar zich vervolgens inspande om de vrede in Europa te bewaren....

JAN LUIJTEN

Maar Bismarck, die Wilhelm II maar een 'domme jongen' vond, had in zijn testament anders beslist. Hij wilde samen met zijn vrouw Johanna begraven worden op Friedrichsruh. En op zijn grafsteen moest komen te staan: 'Ein treuer deutscher Diener des Kaisers Wilhelm I'.

Dat Wilhelm II Bismarck een indrukwekkende staatsbegrafenis had willen geven, lag voor de hand. Bismarck was na zijn ontslag in Duitsland uitgegroeid tot een nationale held. De keizer kon het zich niet veroorloven hem te negeren en Bismarck, ondanks verbittering over zijn ontslag nog altijd een trouwe aanhanger van de monarchie, had de vijandschap niet willen voortzetten. Dus vond in 1894 een formele verzoening plaats, maar de onderlinge verhouding was niet werkelijk verbeterd.

Ruim een jaar voor Bismarcks dood had Wilhelm II nog op de hem eigen arrogante manier beweerd dat zijn grootvader, keizer Wilhelm I, werd omgeven door 'handlangers en pygmeeën'. Zoveel ondank van een monarch van het Huis Hohenzollern jegens Bismarck wekte zelfs de verontwaardiging van de schrijver Theodor Fontane. Die had nog in 1890 na Bismarcks ontslag aan een vriend geschreven: 'Het is een geluk dat we hem kwijt zijn.'

In 1897 schreef hij aan dezelfde vriend: 'Ik ben geen aanhanger van Bismarck, het beste in mij wendt zich van hem af, hij is geen edele natuur: maar de Hohenzollern behoren zich niet van hem af te wenden, want de hele glorie die de oude Wilhelm omstraalt - en die bovendien een zuivere glorie is, omdat het lelijke daarvan aan Bismarcks handen bleef kleven - die geheel nieuwe glorie van het Huis heeft het Hohenzollerndom te danken aan de geniale krachtpatser in Sachsenwald. (. . .) En die zou werktuig zijn geweest of handlanger of zelfs pygmee! Hoe kan men de geschiedenis zo vervalsen.'

Uit Fontane's woorden blijkt dat niet iedere Duitser honderd jaar geleden deelnam aan de Bismarck-cultus. Zijn grote populariteit na 1890 was trouwens opmerkelijk, want als rijkskanselier had Bismarck maatregelen genomen die hem bij bepaalde bevolkingsgroepen allerminst geliefd hadden gemaakt. Na 1871 had hij eerst in de Kulturkampf de katholieken heftig bestreden en vervolgens na 1878 de socialisten onderdrukt.

'Maar de brede massa juichte de legende toe die zich begon te vormen en niet de historische werkelijkheid. Het menselijke geheugen is vaak selectief, is in staat het onaangename te verdringen of te vergeten en het aangename te bewaren. Man en mythe versmolten zo tot een enkele gestalte in wiens trekken ten slotte niet meer veel te herkennen was van de historische Bismarck.'

Dit laatste schreef Otto Pflanze, een Amerikaanse historicus van deels Duitse afkomst, aan het slot van zijn monumentale Bismarck-biografie. Van deze biografie, waaraan hij bijna dertig jaar heeft gewerkt en die eerder in Amerika werd gepubliceerd, is nu een Duitse vertaling in twee kloeke delen verschenen.

Pflanze is erin geslaagd de historische Bismarck tot leven te wekken. Hij doet dit door de man en de politicus Bismarck tot in detail te schilderen en tegelijkertijd de politieke, sociale en economische ontwikkelingen in Duitsland in de negentiende eeuw te schetsen, alsmede de politieke situatie in de grote Europese hoofdsteden. Door deze volledigheid ontstaat een zeer genuanceerd beeld van Bismarck. Pflanze laat ook zijn duistere kanten zien. En hier en daar worden de contouren al zichtbaar van de catastrofes die zich in de twintigste eeuw zullen voltrekken.

Dat Bismarck bereid was oorlog te voeren om zijn grote doel, het scheppen van een verenigd Duitsland onder Pruisische leiding, te bereiken, is bekend. Tevens weten we dat Bismarck een geraffineerde diplomaat was, uiterst bedreven in het tegen elkaar uitspelen van de Europese mogendheden om zo het na 1871 ontstane Europese machtsevenwicht te handhaven en te verhinderen dat het nieuwe Duitse rijk door een coalitie van Europese grootmachten zou worden bedreigd.

Pflanze gaat echter ook uitvoerig in op Bismarcks karakter, zijn opbruisend temperament en de vele kwalen die hem dwongen weken en soms maanden verlof te nemen van de politiek en Berlijn te verruilen voor zijn landgoed Varzin, ver weg in Pommeren. In zijn biografie leren we Bismarck kennen als een hypochonder en een veelvraat. Van zijn medewerkers eiste hij haast blinde gehoorzaamheid en volgzaamheid.

Zijn privé-belangen als grootgrondbezitter verloor hij ook als politicus nooit uit het oog. Zijn vrienden buitte hij uit en in zijn politieke tegenstanders zag hij vijanden die hij haatte. Verzet tegen zijn politiek maakte hem woedend, ziek en depressief. 'Steun werd gelijkgesteld met patriottisme, oppositie met verraad.' Soms werd politieke steun ook met geld gekocht.

In de keuze van zijn middelen ter bestrijding van zijn politieke tegenstanders was hij niet kieskeurig. Toen rond 1880 het antisemitisme zijn kop weer opstak in de persoon van hofpredikant Adolf Stoecker, keerde Bismarck zich wel tegen de jodenhaat waarvan zijn aanhangers het doelwit waren. Maar, schrijft Pflanze: 'Bismarck had niets tegen antisemitisme zolang zich dat op zijn vijanden richtte.'

Dat Bismarck op zijn graf liet zetten dat hij 'een trouwe dienaar' van Wilhelm I was geweest, paste bij het beeld dat hij graag verspreidde. Hij sprak over zichzelf als de vazal of leenman van Wilhelm I, maar in werkelijkheid beheerste hij tussen 1862 en 1890 de Duitse politiek. Dat werd ook al spoedig duidelijk. Pflanze citeert uit een brief van een gravin, waarin deze schrijft dat 'Bismarck de koning in zijn zak heeft gestoken'. 'Men maakt ook al de grap dat hij zijn laatste maîtresse is, want alleen een dergelijk schepsel kan zo'n magische invloed op een oude man uitoefenen, hem zo sterk van alle anderen vervreemden.'

B ISMARCK was in 1862 minister-president van het koninkrijk Pruisen geworden, omdat Wilhelm I hem nodig had. In dat jaar was er in Berlijn een ernstige politieke crisis ontstaan. Verkiezingen - in Pruisen waren die niet geheim en inkomen en vermogen bepaalden het gewicht van de stemmen en dus de uitslag - hadden een liberale meerderheid in het parlement opgeleverd. Die meerderheid en de koning raakten verwikkeld in een bitter grondwettelijk conflict over de hervorming van het leger en het begrotingsrecht.

Het was een uiterst belangrijk conflict, want het ging over de vraag waar in de toekomst de macht zou liggen: bij het parlement of bij de koning en zijn ministers. Geen van de partijen wenste toe te geven, en de koning dreigde troonsafstand te doen. Maar voordat hij dat deed, sprak hij met Bismarck, toen ambassadeur in Frankrijk. Hij zocht ministers 'die bereid zouden zijn mijn regering te leiden zonder zichzelf en mij te onderwerpen aan de parlementaire meerderheid'.

Bismarck was bereid en beloofde 'liever met de koning te willen ondergaan dan Zijne Majesteit in de steek te laten in de strijd tegen de heerschappij van het parlement'. Vier jaar lang voerde hij op alle mogelijke en vooral ook onmogelijke manieren die strijd. De pers werd rigoureus aan banden gelegd en de onafhankelijkheid van de justitie werd aangetast.

Bismarck schond de Pruisische grondwet en veel liberalen vreesden dat het 'naakte absolutisme' zou terugkeren. De strijd duurde voort, totdat in 1866 het conflict aan betekenis verloor. Het werd oorlog: Pruisen tegen Oostenrijk en zijn Zuid-Duitse bondgenoten met als inzet de hegemonie in de Duitse Bond.

Na de overwinning op Oostenrijk, die Bismarck op slag populair maakte, begon hij aan zijn 'revolutie van boven', waarover Pflanze uitvoerig schrijft. Pflanze benadrukt dat de conservatieve landjonker Bismarck aanvankelijk een Pruisische patriot en geen Duitse nationalist was. Het ging hem om de Pruisische hegemonie in Duitsland.

Hij wilde de macht van Pruisen uitbreiden en maakte daarbij gebruik van het Duitse nationalisme, dat wil zeggen het streven naar Duitse eenheid dat in de eerste helft van de negentiende eeuw was ontstaan en dat tijdens de revolutie van 1848 een hoogtepunt had bereikt. Dit Duitse nationalisme, schrijft Pflanze, werd door Bismarck gemobiliseerd voor de expansionistische politiek van Pruisen.

Maar daarmee raakte Bismarck, de verdediger van de aristocratisch-monarchistische orde in Pruisen, in liberaal vaarwater. Want het scheppen van een Duitse eenheidsstaat was een liberale wens. Bij de Duitse liberalen ging die wens echter gepaard met nog andere verlangens: een liberale grondwet die een echte rechtsstaat zou scheppen, en een parlement; zaken die niet direct pasten in het autoritaire, conservatieve denken van Bismarck.

Hij begreep echter ook dat de tijden waren veranderd en dat de monarchie alleen kon overleven als zij zich aanpaste. En dus besloot hij dat de Noord-Duitse Bond, die in 1866-1867 ontstond, een nationaal parlement zou krijgen met afgevaardigden, gekozen volgens het algemene, directe en geheime kiesrecht (voor mannen).

'Maar dan raadt u mij dus aan revolutie te maken', zou volgens Pflanze de koning tegen Bismarck hebben gezegd. 'Er is geen reden tot bezorgdheid, zou Bismarck hebben geantwoord.' Hij was eran overtuigd dat de brede massa van de bevolking koningsgezind was en dit in het stemhokje tot uitdrukking zou brengen.

De 'revolutie van boven' was niet hemelbestormend. De grondwet die Bismarck voor zijn nieuwe Duitse staat onder Pruisische leiding ontwierp, bevatte nauwelijks iets over de ministeriële verantwoordelijkheid. De koning (na 1871 de keizer) benoemde en ontsloeg kanselier en ministers. De regering moest voor haar wetgeving steeds op zoek naar een meerderheid in het parlement, maar die meerderheid kon geen regering vormen.

Verder bleef het budgetrecht van het parlement beperkt. En aangezien de afgevaardigden geen salaris kregen, konden alleen bemiddelde personen zich verkiesbaar stellen.

Linkse liberalen waren dan ook niet tevreden, maar de meer gematigde liberalen waren bereid voorrang te verlenen aan de Duitse eenheid. De parlementaire vrijheden zouden later wel komen, wat een vergissing was.

Bismarck heeft later, zo blijkt duidelijk bij Pflanze, verschillende keren overwogen het kiesrecht weer te veranderen en het parlement op te heffen en te vervangen door een corporatieve vertegenwoordiging, maar hij heeft dat nooit gedaan. Wel was hij voortdurend bezig zijn niet geringe macht als rijkskanselier en minister-president van Pruisen uit te breiden. Er werd dan ook wel gesproken over een 'Bismarck-dictatuur'.

O NDER Bismarck veranderde het Duitse liberalisme. Zijn grondwet van 1866 was een splijtzwam. De gematigde liberalen vormden een nieuwe partij, de 'Nationalliberale Partei', die bereid was met Bismarck samen te werken, wat niet zonder wrijving verliep. Deze partij moest compromissen sluiten en was zo voortdurend gedwongen steeds weer iets van het liberale gedachtegoed prijs te geven. Na 1875 werd ze meer en meer een rechtse partij, wat vijf jaar later weer tot een afsplitsing leidde. Dit veranderde ook het karakter van het Duitse nationalisme.

Pflanze schrijft in zijn slotbeschouwing dat er na 1875 een conservatief nationalisme ontstond. Daarmee verloor het nationalisme zijn laatste, nog uit de tijd van de Verlichting en Romantiek stammende humanitaire en kosmopolitische trekken. 'Het uitbuiten van het Duitse nationalisme voor imperialistische en autoritaire doeleinden maakt van Bismarck een overgangsfiguur tussen de politiek van de achtttiende en de twintigste eeuw, tussen het tijdperk van het aristocratische absolutisme en het tijdperk van het autoritaire nationalisme', aldus Pflanze, die erop wijst dat deze ontwikkeling door de Duitse academische wereld werd ondersteund.

Het tweede deel van de biografie begint omstreeks 1875, toen Bismarck eerst ernstig heeft overwogen af te treden - de keizer weigerde echter zijn ontslag te aanvaarden - waarna hij plannen smeedde om te komen tot een conservatieve meerderheid in het parlement. In dit deel wordt veel aandacht geschonken aan het onophoudelijke streven van Bismarck om het na de Frans-Duitse oorlog van 1870 ontstane Duitse keizerrijk te consolideren.

Naar buiten toe deed hij dat door allianties te smeden; naar binnen toe hanteerde hij zowel het machtsmiddel van de brute onderdrukking als het instrument van de overreding. Zo stimuleerde hij het samensmelten van de oude, adellijke elite van grootgrondbezitters met de nieuwe burgerlijke elite van succesvolle en rijke ondernemers. En hij benutte weer het Duitse nationalisme. De Beieren, Saksen en Zwaben moesten zich vooral Duitser gaan voelen.

Pflanze gaat uitvoerig in op de gevolgen van dit nationalisme voor de Poolse, Deense en Franse minderheden in het nieuwe Duitse rijk. Zij werden in het kader van de zogeheten Germanisierung gedwongen hun eigen taal op te geven. Maar deze 'afgedwongen etnische assimilatie' bereikte niet het door Bismarck gewenste doel. 'Wat het mislukken van deze politiek bij de Duitsers opriep', schrijft Pflanze, 'was een onbestemd gevoel van teleurstelling, waaruit ten slotte vastberadenheid groeide om met gewelddadige methoden te proberen het Deutschtum te verspreiden. Het resultaat was uiteindelijk een bittere oogst.'

In zijn slotbeschouwing komt Pflanze terug op deze Germanisierung, die als 'fataal neveneffect' had 'de intolerantie van de Duitsers tegenover andere volken te versterken. Het natuurlijke gevolg was dat de populaire overtuiging terrein won dat de Duitse cultuur superieur was en daarom meer recht had ten koste van andere te bestaan'. Volgens Pflanze zou Bismarck dit geen goede ontwikkeling hebben gevonden, maar van de verantwoordelijkheid voor deze ontwikkeling 'kan hij echter niet geheel worden vrijgesproken'.

Bismarck heeft de sociaal-democraten onderdrukt, omdat hij in hen een gevaar zag voor de bestaande orde. Maar hij heeft wel geprobeerd de arbeidersklasse voor het Duitse keizerrijk te winnen. Hij heeft in de jaren tachtig van de vorige eeuw een stelsel van sociale verzekeringen opgezet, waarover Pflanze zeer lovend is. Dit waren 'baanbrekende maatregelen om te komen tot sociale rechtvaardigheid, die door andere landen nog tientallen jaren lang niet werden geëvenaard'.

Bismarck slaagde er echter niet in de arbeiders voor zijn staat te winnen. Die gingen in toenemende mate stemmen op sociaal-democratische kandidaten. Pflanze laat duidelijk zien dat Bismarck geen oog had voor de erbarmelijke arbeidsomstandigheden in de fabrieken en de nood van de arbeiders, die mede was ontstaan door zijn economisch en fiscaal beleid. Eind 1889 verlangde hij zelfs dat 'belastingverlaging voor landbezitters prioriteit moest krijgen boven belastingverlaging voor de lagere inkomensgroepen, ofschoon er in Duitsland in die maanden omvangrijke stakingen waren geweest'.

Tijdens die stakingen van vooral mijnwerkers gaf Bismarck zijn pogingen op de arbeidersklasse te integreren. Tijdens die stakingen koos hij de zijde van de bezittende klasse en begin 1890 verklaarde hij: 'De sociale kwestie valt niet met rozenwater op te lossen, hiervoor is bloed en ijzer nodig.' Keizer Wilhelm II, die in 1888 was gekroond, was het daarmee niet eens.

Aan het slot van de biografie komt Pflanze te spreken over het 'morele verval' in Duitsland, dat begon onder Bismarck en zich in nog sterkere mate voorzette onder Wilhelm II. Het Pruisische systeem van Bismarck, met zijn paternalisme, nadruk op het hoger gestelde gezag, onderdrukking van minderheden en andersdenkenden, venijnige aanvallen op tegenstanders, bevorderde het ontstaan van gehoorzame onderdanen. Mondige burgers werden immers niet op prijs gesteld.

Pflanze laat Harry graaf Kessler aan het woord, een Duitse publicist die van nabij de laatste jaren van Bismarck heeft meegemaakt en die daarover later in zijn memoires heeft geschreven. In de eerste helft van de negentiende eeuw was zich als gevolg van de neohumanistische cultuur, verbonden met namen als die van Goethe en Schiller, en het ontstaan van een liberale, nationale beweging een 'vrije en oprechte' persoonlijkheid gaan ontwikkelen, aldus Kessler, en die is nu verdwenen. 'Wat of wie had dit groeiproces van een vrije Duitser onderbroken en voor het grootste gedeelte weer ongedaan gemaakt?', vraagt Kessler zich af. 'Ik vond geen ander antwoord dan: Bismarck.'

Pflanze is het daar niet geheel mee eens, omdat volgens hem 'het probleem groter was dan Bismarck en Wilhelm II'.

'Als een aanzienlijk deel van de Duitse samenleving zich werkelijk zo diepgaand liet beïnvloeden door die beide persoonlijkheden, dan mag verondersteld worden dat kanselier en keizers slechts tegemoet kwamen aan een neiging die bij de betreffende personen reeds immanent - dus cultureel - aanwezig was.'

Anders gezegd: Bismarck kwam tegemoet aan de aard van de Duiters. En dat verklaart wellicht waarom de 'ijzeren kanselier' reeds tijdens zijn leven kon uitgroeien tot een nationale held en mythische gestalte.

Jan Luijten

Otto Pflanze: Bismarck - Der Reichsgründer.

C.H. Beck, import Nilsson & Lamm; 906 pagina's; * 102,20.

ISBN 3 406 42725 1.

Otto Pflanze: Bismarck - Der Reichskanzler.

C.H. Beck, import Nilsson & Lamm; 808 pagina's; * 102,20.

ISBN 3 406 42726 X.

Meer over