'De hele straat stond in brand en wij moesten vluchten'

Georges van Vooren: 'Bij de boerderij van mijn oom zaten twee Duitsers met hun etensblikje in de hand. Ze waren dood.'..

Georges van Vooren (1923) werd op 19 oktober 1944 bevrijd in

Aardenburg.

'Afgemat, met baarden van centimeters, met bloeddoorlopen ogen, met kapotte voeten - infanteristen die uit Frankrijk kwamen, te voet hier naartoe, op weg naar Breskens: wekenlang hebben we de terugtocht gezien van het Duitse leger.

We woonden in Eede, dat is een dorp tussen Aardenburg en de Belgische grens. Antwerpen was bevrijd op 4 september '44 en wij verwachtten de bevrijders dus ook ieder ogenblik, maar ze kwamen niet. Ze bombardeerden Breskens toen die Duitse troepen en masse op het Veerplein stonden, een paar honderd Duitsers zijn toen gesneuveld en ook een kleine tweehonderd inwoners van Breskens. Desondanks zijn de Duitsers er toch in geslaagd praktisch hun hele leger over de Schelde te zetten van 3 september tot 24 september, de laatste overgang.

Op 13 september hebben we een aanval gehad van de Canadezen. Die zijn met een bataljon over het Leopoldkanaal gegaan, in bootjes van zeildoek, daar konden twintig man mee, geloof ik. In Eede hoorden we ontzettend zwaar geschut, want hemelsbreed van Eede is het misschien maar een kilometer of acht van waar ze over het kanaal kwamen. Ze zijn erover geraakt, ze hebben geprobeerd een brug over het kanaal te leggen, maar al het Duitse geschut hier uit de omgeving was precies op die plek gericht en ook het zware geschut vanaf de kust is op die plek gericht geweest. De Canadezen hebben geen kans gezien om een brug te leggen en hun mensen die aan de overkant zaten, wat er dan nog van over was, hebben ze de volgende dag terug moeten trekken. Toen was het afgelopen hier, toen is hier niet meer gevochten.

De Canadezen kregen geen aanvoer meer en hadden opdracht de streek ten zuiden van het Leopoldkanaal gewoon bezet te houden. Alle aanvoer van materiaal en manschappen ging naar Nijmegen en Arnhem. We hebben hier een periode gekend van drie weken dat er niks gebeurde, alleen wat patrouille-activiteiten langs het Leopoldkanaal. De Canadezen schoten rondom de dorpen hier, maar dat was patrouille-activiteit vanaf het kanaal, ze moesten laten zien dat ze er waren. Dus die hebben de dorpen beschoten, maar niet noemenswaardig veel.

De Duitsers reden met pantserwagens heen en weer om te laten merken dat het hier nog bezet was. Ze hebben in die weken de streek ontzettend kunnen versterken: overal lagen mijnenvelden en alle mogelijke opstellingen. Als er maar even gelegenheid was, ergens in een hoek of aan een rand van een dijk, om een stelling te bouwen, dan bouwden ze daar stellingen en alle inwoners, tot op vijf kilometer van het kanaal, kregen opdracht te evacueren. In Eede kwamen ze huis aan huis zeggen: het wordt oorlogsterrein hier, alles wordt hier kapot geschoten, jullie moeten zondag 17 september vóór twaalf uur weg.

Er is toen nog een drama gebeurd. De mensen van Sint Kruis, een dorp ten oosten van Aardenburg, moesten op 16 september weg. Die reden toen met boerenwagens in een lange kolonne naar Aardenburg over de Sint Pietersdijk. Een vrij hoge dijk met zo'n drie rijen populieren, daar reden ze onder en ze waren dus moeilijk te herkennen. Maar die zijn ontdekt door een stel Typhoons en die zijn op die kolonne neergedoken.

Het gevolg is geweest dat een voerman in z'n rug is geschoten, die was dood, een ander zijn been ging eraf, en dertien paarden zijn toen gedood of moesten worden afgemaakt. Voor de mensen ging het nog enigszins, want die vluchtten van de wagens af en konden zich verschuilen tegen de schuine kant van de dijk. Maar die Typhoons kwamen iedere keer terug van alle richtingen, dus die mensen moesten zich dan weer verdekt proberen op te stellen achter de bomen. Dat is een vreselijk iets geweest en het mag een wonder heten dat er maar zo weinig omgekomen zijn.

Dat hadden we gehoord, want dat gaat als een lopend vuurtje natuurlijk: het was toen vrij rustig, er werd praktisch niet geschoten en er was nog de mogelijkheid om zonder gevaar van het ene dorp naar het andere te gaan. De volgende dag moesten wij evacueren, dan zat je met die angst, en van de kolonne van Sint Kruis hadden we wel geleerd: wij vertrokken dus niet in grote groepen, maar allemaal als eenheden.

Mijn oom had een boerderij in het centrum van het dorp en met paard en wagen, wij een wagen en zij een wagen - met wat je maar kon meenemen, matrassen en zo - zijn we op pad gegaan. Ik geloof dat wij met vier wagens waren en ik heb, met een laken aan een stok, als een soort witte vlag, voorop gelopen. Gelukkig hebben we geen vliegtuigen ontmoet en is er niks gebeurd.

Maar kort voor wij vertrokken stond er bij ons in de buurt een vrouw nog even in de tuin te kijken met een jong meisje, ik geloof dat ze twee jaar was, dat was daar aan het spelen. Een granaat kwam vlak voor hun voeten en ze waren dood. Toen ik die granaat hoorde heb ik nog met mijn buik op de grond gelegen tegen een muur aan. Want dat werd altijd gezegd: zorg dat je op de grond gaat liggen, tegen een muur aan, want dat is de plaats waar je het minste geraakt wordt. Die granaat was misschien honderd meter verder ingeslagen en wat daar gebeurd was, daar werd je even later mee geconfronteerd. Wij moesten voorbij dat huis om te evacueren naar Aardenburg.

Van tevoren hadden we een adres gekregen waar we naartoe moesten. Met een man of tien hebben we daar zo'n drie weken in een kelder gezeten: het gezin dat daar woonde, ons gezin en nog een ander gezin. We sliepen in die kelder, daar lagen matrassen, en toen we hoorden dat er een razzia was op jonge mannen om voor de Duitsers te gaan graven, ben ik onder die matrassen gaan liggen. De oude man, waar we geëvacueerd waren, er bovenop en mijn vader, toen ook al een bejaarde man, er ook bovenop. De Duitsers, die in de kelder zijn geweest, zeiden: Ach, nur alte Leute.

Dat was kort voor een grote aanval in de nacht van 5 of 6 oktober. Die oude man, hij was 82 geloof ik, zei toen op een gegeven moment: ''Wat wordt het warm hier.'' De hele straat stond in brand en wij moesten vluchten. Overal waar nog een huis was dat een beetje behoorlijk was, informeren waar we naartoe konden. In een pauze waarin er niet geschoten werd, van een half uur, ben ik toen voorop gegaan.

De hele straat stond in brand na een trommelvuur van ongeveer twintig minuten en toen het wat rustiger was, hebben we met onze koffertjes of wat je dan bij je had, geprobeerd ergens anders te komen. Maar het was praktisch overal kapot geschoten. De kelder onder de katholieke kerk zat vol en daar zat het vol en ginds zat het vol, je kon bijna nergens terecht en toen zijn we nog in een loods kunnen komen van een graanhandel, daar hebben we nog een plaatsje kunnen krijgen.

Al die loodsen zaten vol met evacués, honderden mensen. Die loodsen hadden een betonnen vloer en daarboven lagen balen met vlas en het was bekend dat in vlas de granaatscherven worden gesmoord, dat was de enige veiligheid die je daar had. Het was nogal een regenperiode en de mensen lagen hutje-mudje met alle hygiënische gevolgen van dien: diarree, vlooien en weet ik wat allemaal meer.

Er werd gekookt in een soort centrale keuken, met grote potten, en dat werd verdeeld. Groente en aardappelen waren er genoeg en er waren ook ontzettend veel dieren: dus koeien, paarden, varkens, en schapen wat minder - die hadden de boeren die moesten evacueren, meegenomen en die werden in de wei gestopt vlakbij het dorp. Maar die beschietingen gingen door en massa's dieren werden gedood of zwaar gewond en een aantal moedigen ging tussen de beschietingen naar die beesten toe. In de voormiddag meestal, dan werd er niet geschoten, je moest het uitkienen en dan vlug, vlug, werden er grote hompen vlees uitgehaald of ze kwamen met hele beesten aan. Dat vlees werd gezamenlijk gekookt of gebraden en dan uitgedeeld. We hadden geen tekort aan eten, beslist niet. Er waren mensen bij, die hadden nog nooit zoveel vlees gegeten als toen.

Maar het vervelende was, we dachten: over een paar dagen zijn ze er, maar ze kwamen niet. En dat week in, week uit. Je werd moedeloos op den duur en recalcitrant. We komen er nooit uit, ze komen nooit meer - dat was de gedachte die je had. Je zat voortdurend in angst en je had steeds maar die beschietingen.

Er zaten in Aardenburg geen Duitsers meer en ook niet in die andere dorpen, maar ze zaten wel overal in stellingen op het land en het gemene was dat ze met tanks of een rijdend kanon door zo'n dorp reden tegen de avond. Want overdag werden ze uitgepeild door de verkenningsvliegtuigen en de Typhoons, die doken op alles neer wat ze zagen. Maar als het donker begon te worden kwam zo'n kanon te voorschijn of zo'n tank en die reed door Aardenburg en andere dorpen en loste dan enkele schoten en honderd meter verder weer enkele schoten en dan weer. De Canadezen hadden dus de indruk: verdorie, het staat vol met kanonnen. Ze schoten dus terug op de dorpen.

In de nacht van 18 op 19 oktober zaten wij nog in die loods, nou ja, tussen de woning en de loods zat nog zo'n gebouwtje en daar zaten wij toen in. Er was een uitgang naar buiten toe en de deur gaat ineens open en er komen een stuk of vier, vijf Duitsers binnen met - het was schemerdonker - een kaars of zo. Ik dacht dat ze lichten bij zich hadden. Met baarden en ogen diep in de kassen, grauw en grijs vermoeid - doodop. Toen ze zagen dat wij gewoon burgers waren, gingen ze in een hoekje zitten slapen, met eentje op wacht, en toen ze na een paar uur vertrokken, zeiden ze: Morgen ist der Tommie hier.

De volgende morgen werd er niet meer geschoten, dus je durfde wel buiten te komen en er waren een hoop mensen op straat die zeiden: de Tommies komen. En toen, op een gegeven moment na de middag, zeiden ze: ze komen langs de Rijksweg.

Ik heb toen de stoute schoenen aangetrokken, naar de Rijksweg toe. Waar de Rijksweg Aardenburg binnenkomt, heb je een zijweg naar Sint Kruis en daar zeiden ze: ze komen ginder, ze komen ginder. Dus ik dacht, omdat ik wel Engels kon, ik loop die kant op. En ja, inderdaad, aan beide kanten van de weg liepen patrouilles in ganzenmars en ik ben er mee opgelopen tot aan Aardenburg toe, zo'n twee-, driehonderd meter. Ik heb een praatje gemaakt, maar die mannen vertrouwden het nog niet, ze durfden niet te veel te praten. Er was er eentje die voorop liep met de walkie-talkie en er waren verkenningsvliegtuigen in de lucht, die gaf hij dus seinen, en bij het binnenkomen van Aardenburg stelden ze mitrailleurs op in alle richtingen. We waren bevrijd.

De volgende dag zijn we even in Eede gaan kijken. Bij ons in de tuin lagen misschien wel honderd granaatputten, alles was kapot, al die huizen daar. Ik zie nog precies voor me waar de gesneuvelde Duitsers lagen. Eentje zat er tussen Aardenburg en Eede achter z'n kanon, dood. Een eind verder lag er tussen een paar korenschoven ook een, helemaal geel. In het dorp, bij de boerderij van mijn oom, zaten bij het hek voor het toegangspad twee Duitsers met hun etensblikje in de hand. Ze waren dood.'

Volgende week: 'Ik denk dat iedereen die een facet van deze oorlog, inclusief de holocaust heeft meegemaakt, gewond is van binnen. Iedereen.'

Meer over