De held spreekt vloeiend Frans, Engels, Duits, Russisch, Italiaans en Siciliaans

Wie wil er nu niet met de Graf Zeppelin in een vliegend restaurant naar Brazilië zweven? Over de daken van Parijs vluchten naar de Jardin du Luxembourg? Met een bloedmooie miljonairsdochter door Europa racen in een 12-cilinder Napier Railton? Of in hotellobby's worden opgewacht door een spion achter een krant?

De Franse auteur Timothée de Fombelle (1973) roept in zijn nieuwe jeugdroman Vango de wereld op van detectives uit het midden van de vorige eeuw. De jonge helden beleven hun Europese avonturen precies zoals de Schaduw van Havank, commissaris Maigret van Simenon en de jonge James Bond van Fleming: tegen de even bruisende als dreigende achtergrond van een tijdperk waarin het telegram nog zo gewoon was als een sms-je en de stoomtrein nog een snel en sjiek vervoermiddel.

Maar dat is dan ook meteen al het goeds dat te melden is over Vango. Want na 380 bladzijden weet je nog bijna niets over de hoofdpersoon, die vloeiend Frans, Russisch, Engels, Duits, Italiaans en Siciliaans spreekt, een opleiding tot priester volgt, als een hagedis tegen gebouwen opklimt, kookt als een chef-kok en zonder duidelijke bron van inkomsten toch het ene moment in Londen opduikt en het andere onder de rook van de Stromboli op het Eolische eiland Salina. Net waar De Fombelle hem nodig heeft.

Dit ongeloofwaardige geschuif met personages is het grote euvel van De Fombelle. Hij liet het ook al zien in zijn goed verkochte debuut Tobie Lolness (Querido, 2007, Zilveren Griffel) over millimetergrote boommensjes die in de bast van een eik wonen. Zijn beschrijving van een verborgen wereld is meeslepend, maar daarna komt een knullig verhaaltje over projectontwikkelaars die de boom onleefbaar maken.

In zijn derde jeugdroman Vango blijken De Fombelles compositie en karaktertekening verbeterd, maar nog lang niet voldoende om te overtuigen. Zijn nazi-fascinatie - ook al weinig subtiel aanwezig in Tobie Lolness- voert onveranderd de boventoon. De lezer wordt met voorspelbare vertellerstrucs en moeizaam gewrochte oneliners gedwongen om de helden aardig en de slechteriken (de helpers van Adolf Hitler en Josef Stalin dit keer) gemeen te vinden. Oorlogen zijn de schuld van gewetenloze wapenhandelaren en alleen internationale vriendschap kan ons nog redden, is de boodschap.

De holderdebolder verhaallijn - driejarige jongen spoelt met kindermeisje aan op Eolisch eiland en ontdekt gaandeweg dat de halve wereld achter hem aan zit - is één langgerekte slapstick. De struikelpartijen en persoonsverwisselingen buitelen over elkaar heen en voor het begrip van de situatie essentiële informatie wordt zo lang mogelijk uitgesteld. Ja, zo komen die vuistdikke delen er wel. Vango is, uiteraard, pas het eerste deel van een reeks.

De Fombelle is een verteller met maniertjes. Zoals tegenwoordig in de serieliteratuur mode is, introduceert een in krullerige zinnen sprekende alwetende verteller het ene na het andere personage met zijn of haar complete verleden en een knipoog naar de toekomst. Bij elke nieuwe naam weet je dus hoe laat het is: daar komt weer een levensgeschiedenisje van enkele bladzijden dat voor het hoofdverhaal bijzonder irrelevant zal blijken. Het resultaat is een barokke revue: bij vlagen amusant, maar de grof geschetste emoties treffen geen doel.

Zelfs de kleurrijke sfeer, opgeroepen door vlijtig verzamelde natuurdetails (bougainville, aardbeiboom, bloeiende wilde venkel) gaat uiteindelijk irriteren. Jongleur De Fombelle babbelt vlot, maar houdt niet meer dan één bal omhoog. Vango is receptromantiek; ongetwijfeld bevredigend voor onverzadigbare lezeressen - zakdoek in de aanslag! - maar beslist geen hoogstaande jeugdliteratuur.

Timothée de Fombelle: Vango, tussen hemel en aarde.

Uit het Frans vertaald door Eef Gratama.

Querido; 380 pagina's; € 16,95.

ISBN 978 90 451 1149 0.

Vanaf 14 jaar.

undefined

Meer over