De hakbijl van het grote gelijk

Elke provocateur die het politiek correcte denken over de hekel haalt of niet meer gelooft in het vooruitgangsdenken van de kunst, is een ‘réac’....

‘Een Voltaire arresteert men niet’, merkte de Franse president en generaal Charles de Gaulle in 1960 op toen hij hoorde dat zijn ministers en zijn politie een plan smeedden om Jean-Paul Sartre te laten arresteren. De filosoof keerde zich tegen de Franse politiek om de Algerijnse vrijheidsstrijd te onderdrukken. Hoe hij ook dacht, zei De Gaulle, ‘een man van zijn kaliber laat men ongemoeid’. Hij liet zien dat hij een staatsman was, zei schrijver Leon de Winter tijdens de onverkwikkelijke Ayaan Hirsi Ali-paspoortaffaire. Zo’n De Gaulle is geen Rita Verdonk, schreef De Winter in een column, die ‘heeft bewezen dat zij voor altijd een gevangenisdirecteur zal zijn nu zij heeft getoond dat zij ons land als een detentie-inrichting wil leiden’.

Ook een Peter Handke verbiedt men niet. De Parijse Comédie française heeft zijn toneelstuk Das Spiel vom Fragen oder Die Reise van het affiche geschrapt, omdat de auteur in maart aanwezig was bij de begrafenis van de voormalige Servische president Slobodan Milosevic, waar hij –volgens berichten in het weekblad Le Nouvel Observateur – ‘met een Servische vlag zou hebben gezwaaid en ter plekke een lovende toespraak zou hebben gehouden’. De intendant van de Comédie, Marcel Bozonnet, nam zijn censorbeslissing omdat hij weigerde ‘deze persoon in een theater te ontvangen en hem de hand te schudden’. In 1989 kwam Handke al in opspraak omdat hij een geruchtmakend reisverhaal had geschreven, Eine winterliche Reise zu den Flüssen Donau, Save, Morawa und Drina oder Gerechtigkeit für Serbien, waarin hij een ander verhaal over die tragedie vertelde, in een andere toon, minder stigmatiserend, met een geheel ander standpunt. Hij werd ‘in de ban gedaan’, ook door de Franse filosoof Alain Finkielkraut, die Handke een ‘ideologisch monster’ noemde. Iedereen wordt wel een keer onthoofd, ook Finkielkraut, wellicht de meest getergde filosoof van Frankrijk.

Het Düsseldorfse stadsbestuur besloot eind mei dat Handke niet in aanmerking kwam voor de Heinrich Heine-prijs, groot vijftigduizend euro, die hem door een jury van recensenten was toegekend omdat hij net zo ‘eigenzinnig als Heine in zijn werk naar de waarheid zoekt’. Door de commotie over zijn aanwezigheid op Milosevic’ begrafenis is ook die toekenning verhinderd, omdat het andere geluid van Handke ‘weliswaar eigenzinnig klinkt maar totaal onaanvaardbaar is’.

Nobelprijswinnaar en landgenote Elfriede Jelinek heeft al geprotesteerd tegen het schrappen van zijn toneelstuk door de Parijse Comédie, anderen lieten van hun ongenoegen blijken over het Düsseldorfse raadsbesluit. Al is Handke al langer omstreden – dat was Sartre ook –, waarom wordt zo’n schrijver gemuilkorfd? Er moeten blijkbaar weer koppen rollen. Toen Finkielkraut, een van Handkes belagers, in de Israëlische krant Haaretz uitspraken deed over de rellen vorig jaar in de Franse voorsteden, werd ook hij haast geguillotineerd.

Hij vond, helemaal anders dan politiek correcte commentatoren, dat de golf van geweld ‘geen opstand was tegen werkloosheid en discriminatie, maar een uiting van haat tegen Frankrijk’. Ze waren tegen de Republiek. ‘Het is een gigantisch antirepublikeinse pogrom.’ Hoofdschuldigen, zei hij, waren de bobo’s, de bourgeois-bohème, het weldenkende volksdeel dat het antirepublikeinse geweld aanmoedigde omdat – in klinkklare maar voorts onzinnige politiek correcte terminologie – ‘het zich zo schuldig voelt over de slavernij en het kolonialisme’. Hij mocht, vonden zijn tegenstanders, geen les meer geven aan de Parijse Ecole polytechnique, en de publieke zender France Culture mocht geen gebruik meer maken van zijn diensten.

Sommige commentatoren willen weer bloed zien, of prediken het Berufsverbot voor andersdenkenden, en timmeren geestdriftig in het toch zo bejubelde domein van het vrije denken weer een ‘ideologische guillotine’ in elkaar, schrijft journalist Eric Brunet in Être de droite – Un tabou français (Rechts zijn – Een Frans taboe). Filosofen worden in Frankrijk, eertijds al het vurige land van het halsrecht, niet alleen op papier bestreden, beschimpt of uitgewist, maar soms ook met de dood bedreigd. Filosoof Michel Onfray kreeg naar eigen zeggen al geregeld doodsbedreigingen per brief, e-mail of tijdens publieke discussies.

‘Het zijn allemaal reactionairen’, schreeuwen hun tegenstanders in columns, analyses, politieke boeken en debatten. Toen Régis Debray, oud-strijdmakker van Che Guevara en gesprekspartner van president Mitterrand, in Sur le pont d’Avignon kritiek uitte op het zomerfestival van die stad, werd hij prompt voor een réac en een archéo uitgescholden. Domdenkers vonden hem een retrograde ‘has been’. Hij was een nostalgicus die nog geloofde in het jaren-vijftig-jaren-zestig-toneel, de theaterwereld van Jean Vilar en Gérard Philipe, een bestrijder van het post-post-moderne misbaksel van pis, spuug, kak en sperma op het podium – zoals je dat vorige zomer in het theater van Jan Fabre zag, de artistieke directeur van het festival.

Debray houdt in zijn pamflet schijnbaar een pleidooi voor een eerherstel van de ouderwetse komedie. In Avignon zag hij alleen maar de neergang van het theater. Le pipi nous libère, schrijft Debray over het werk van Fabre, ‘de pis bevrijdt ons’. In een paar pennenstreken schetst hij de strijd tussen zijn generatie en de ‘hypermodernen à la Fabre’, een nieuwe Querelle des Anciens et des Modernes, de hegemonie van de klassieken tegenover de aanspraken van de eigen tijd. Debray hunkert naar het theater van Kleist en Büchner, zelfs van Cor-neille. Hij mijmert over zijn eigen good old days in Avignon.

Zowel een filosoof als Finkielkraut in zijn gebundelde glasheldere hoorcolleges aan de Ecole polytechnique over ‘wij anderen, modernen’, als de ‘medioloog’ Debray in zijn prikkelende oprispingen over de theatrale hyper-rataplan van Fabre, brengt die belegen en uitgeholde frase van de dichter Arthur Rimbaud ter sprake: ‘Il faut être absolument moderne.’ Kunst dient van deze tijd te zijn. Het klinkt al sinds jaren als een versleten dictaat. De jonge en rebelse dichter, de Rimbaud van vóór Afrika, was de held van de mei-revolte in 1968. Je zag zijn beeltenis op muren, zijn verzen klonken bevrijdend en fris. Al die anderen, zeg maar de anti-modernen, schrijvers als Joseph de Maistre of Roland Barthes, politieke commentatoren als Raymond Aron of Jean-François Revel, waren in de ogen van de soixantehuitards reactionairen. Finkielkraut (maar ook Antoine Compagnon in zijn tableau Les antimodernes) herinnert aan Barthes’ commentaar, een paar jaren na de Parijse revolte: hij verklaarde zich à l’arrière-garde de l’avant-garde, ‘de achterhoede van de avantgarde’. Op 13 augustus 1977, citeert Finkielkraut uit diens dagboek, begreep Barthes dat ‘het hem onverschillig liet of hij anti-modern was’.

Vier jaar geleden, toen in 2002 de ultra-rechtse Jean-Marie Le Pen kon deelnemen aan de tweede ronde van de Franse presidentsverkiezingen, schreef Daniel Lindenberg Le rappel à l’ordre (het tot de orde roepen), een vlijmscherpe maar vooral ook provocatieve analyse van het totaal chaotische Franse denken. Er zijn, zei hij, steeds meer ‘nieuwe reactionairen’. De brij is hybride, een kolkende terrine van links en rechts, gauche gauche en gauche caviar. Lindenbergs ingrediënten waren teksten van Michel Houellebecq, een schep Debray, een lepel Max Gallo, een snuif Finkielkraut. Sindsdien is de jacht op de réac open en hanteren de commentatoren de hakbijl van het grote gelijk. De lijst is lang: Marcel Gauchet, Philippe Muray, Shmuel Trigano, Maurice Dantec, Pierre-André Taguieff, Pierre Manent, het waren allemaal reactionairen. In Le Monde diplomatique werden nog meer namen aan die zwarte lijst toegevoegd: Pascal Bruckner, André Glucksmann, Pierre Nora, Jacques Julliard en Bernard-Henri Lévy. ‘Het is een regelrechte zuivering’, zegt Finkielkraut. ‘We worden allen tot de galeien veroordeeld.’

Journalist Eric Brunet, de boekhouder van het verongelijkte en gefrustreerde rechtse kamp, spreekt in Être de droite – Un tabou français over een ‘intellectuele noodtoestand’. De media in Frankrijk zijn vergiftigd, ‘we leven in een Soixantehuitistan’, zegt hij, ‘waar nauwelijks nog 6 procent van de journalisten zich uitgesproken rechts durft te noemen’. Iemand als de columnist Patrick Besson, ‘distilleert klaarblijkelijk een links gedachtegoed met het instrumentarium van een rechtse schrijver’; hij publiceert zijn kronieken zowel in de linkse L’Humanité als in de rechtse Figaro. Wat maakt het nog uit? Links ziet op elke straathoek ‘néo-réacs’, schrijft Laurent Joffrin in Histoire de la gauche caviar. ‘Maar het debat wordt in Frankrijk door Nicolas Sarkozy gevoerd. Et alors?’

Ieder slijpt evenwel zijn messen. Frankrijk zou gebaat zijn bij een vrijer debatklimaat, maar zowel links als rechts – meent Debray – ‘denkt in manicheïstische termen, ouden tegenover modernen, progressieven versus réacs, de voorhoede tegen de achterhoede’. Nauwelijks was de inkt droog van zijn pamflet over het theaterfestival van Avignon, en de storm over hem nog niet geluwd, of Debray schreef al weer een verzoekschrift: Supplique aux nouveaux progressistes du XXIe siècle (Smeekschrift aan de nieuwe progressieven van de 21ste eeuw). Daarin verzet hij zich tegen de etiketjes die zowel door links als door rechts worden opgeplakt, ‘het dispuut wordt in de 21ste eeuw gevoerd met 19de-eeuwse slogans’.

Al jaren houdt Debray een pleidooi voor het behoud van de eigenheid van de Franse Republiek. In 1989 wilde hij van de lezers van Le Nouvel Observateur weten of ze democraat waren of republikein. ‘De democratie’, stelde Debray, ‘is datgene wat overblijft van een republiek wanneer men de Verlichting dooft.’ Zijn critici noemden zijn republikeinse inspanningen een ‘conservatief achterhoedegevecht’, de laatste stuiptrekkingen van een nouveau réac.

Debray heeft het in zijn nieuwe pamflet over ‘tragisch links’, tegengesteld aan het oppermachtige links van vroeger, een links zonder illusies dat ‘luistert, debatteert, argumenteert, durft en faalt’. Een links dat beseft dat er naast zwart of wit ook grijs bestaat, de favoriete kleur van le tout nouveau Debray. Hij citeert instemmend de schrijver Julien Gracq: ‘In literatuur mag een nieuw werk, in strikte zin, reactionair zijn.’

De roman, zegt Milan Kundera, is geboren op het moment dat al in één paragraaf een paar tegenstrijdige gedachten voorkomen. Neuzen moeten niet altijd in dezelfde richting staan, zoals moderne managers weleens denken. Het is altijd beter dat minstens één neus de andere weg kiest, de dissident, nu de reactionair, want als al die andere neuzen de foute weg opgaan, kan gelukkig nog eentje roepen en kunnen zijn metgezellen zeggen dat ze de verkeerde kant uitgaan. Een samenleving mag niet worden geleid ‘door de blinde toepassing van wetten en regels’, zei Leon de Winter over het Verdonk-vonnis. Daar moet je over kunnen debatteren, en daar hoort ook het verwijt bij van Ayaan Hirsi Ali dat ‘Hans Wiegel eigenlijk een reactionair is’.

Vooralsnog wordt het debat in Frankrijk te weinig gevoerd. Er wordt geroepen, gemanifesteerd, de een pakt zijn politieke tegenstander, de ander slaat. ‘Wij moeten het hoofd van de koning afhakken’, zei Michel Foucault in 1977, het jaar van Barthes’ dagboeknotities over de anti-modernen. ‘In de politieke filosofie moet dat nog steeds gebeuren.’ Het schavot is al in gereedheid gebracht. Allons enfants!

Meer over