De grote thema’s zijn zoek

Behoefte aan duiding is er genoeg, maar ambitieuze exposities rond een trend of een vraagstuk ontbreken in het aanbod van het komende seizoen....

Legendarisch waren ze zeker. Veel publiek trokken ze ook. En daarbij, ze boden overzicht en duidelijkheid in de chaos van het kunstaanbod. Thematentoonstellingen.

Nederland kende er, net als in het buitenland, in het verleden vele. Exposities die bij veel bezoekers in het geheugen staan gegrift, omdat ze bijvoorbeeld de nieuwste Amerikaanse kunst uit de jaren tachtig in kaart brachten (zoals Horn of Plenty), een nieuwe visie op de 17de-eeuwse genreschilderkunst gaven (Tot lering en vermaak) of de abstracte kunst niet stilistisch maar filosofischer benaderden (The Spiritual in Art).

Het waren tentoonstellingen die als een gids de bezoekers door de tijd leidden. Ze probeerden orde te scheppen, een overzicht te geven in het gevarieerde aanbod aan kunstenaars en kunstwerken, door lange lijnen of korte verbintenissen te leggen, en tot dan toe ongeziene verbanden. Ze gaven inzicht in hoe bepaalde kunst is ontstaan, hoe er door een museum werd gecollectioneerd. Kortom, ze brachten licht in de duisternis. Redenen genoeg om ze te blijven organiseren, zou je zeggen.

Maar wie het aanbod van het komende seizoen in de Nederlandse musea overziet zal zich afvragen: waar zijn die themapresentaties gebleven?

Een overzicht van wat er de komende maanden staat te gebeuren, geeft namelijk een surplus aan solotentoonstellingen, variërend van Kees van Dongen, Francis Alÿs, en Tacita Dean tot Niki de Saint Phalle, Pieter Engels en Philip Akkerman, en weinig exposities die een nieuwe of veranderende tendens willen belichten.

Ze zijn er gewoon niet of nauwelijks. Geen kleine, geen grote en al helemaal niet van het kaliber Energieën (Stedelijk Museum, 1990), waarin Wim Beeren een voor die dagen vernieuwende combinatie maakte van kunst, theater, vormgeving, architectuur en mode. Of Sensation (Royal Academy, 1997), waarin de Young British Artists mondiaal werden gelanceerd. Hoewel het soms moeilijk is een lijn te trekken waar een groepsexpositie een thematentoonstelling wordt. Toch bracht Sensation, naast een aantal tot dan toe onbekende kunstenaars, ook een onderwerp naar voren: hoe de Britse kunstscene volwassen werd onder de conservatieve politiek van Margaret Thatcher, en hoe de kunstenaars de deplorabele, Britse samenleving van beelden voorzag.

De verandering in programmering van de Nederlandse musea (op het Van Abbemuseum na – altijd goed voor een paar beschouwende presentaties per jaar) is het best zichtbaar bij de Kunsthal. Bestond het aanbod van de Rotterdamse tentoonstellingsfabriek vorig jaar nog voor 80 procent uit exposities over een breed onderwerp (zoals De wijde blik, over de Haagse School en het moderne Nederlandse landschap, of Ode aan de Trabant), komend seizoen zijn de cijfers omgedraaid: 80 procent solo’s.

Kunsthal-directeur Emily Ansenk: ‘Ik denk dat het meer toeval is dan een tendens of trend. Het is gewoon een keuze: het ene jaar kies je voor monografische tentoonstellingen, het volgende jaar voor thematische. In de Kunsthal wisselen we drie soorten exposities met elkaar af: een veilige tentoonstelling, een beroemde naam, een vernieuwende expo. En komend jaar zijn bij ons de monografische tentoonstellingen weer aan de beurt.’

Of toeval in de keuze van het soort expositie inderdaad zo’n grote rol speelt, wenst Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag, te betwijfelen. Ook Tempel moet bekennen dit jaar meer solo- dan thematentoonstellingen te organiseren, maar hij ziet het niet als een toevalligheid. Eerder als een een typisch Nederlands verschijnsel. ‘Het Nederlandse publiek zit eenvoudig niet te wachten op een thematentoonstelling, en de Nederlandse musea hebben te weinig gedaan om het publiek daarvoor te interesseren. Het is niet ons sterkste punt.’

Tempel meent dat we daarin ook geen traditie hebben opgebouwd, zoals in het buitenland. ‘Met name in de Angelsaksische landen, maar ook in Frankrijk en Duitsland, is het de gewoonte dat historici en andere kunsttheoretici boeken schrijven, naar aanleiding waarvan later een tentoonstelling wordt georganiseerd. Ze hebben er ook meer durf om iets groots neer te zetten. Terwijl wij eerder denken dat, als we een speculatieve theorie hebben ontwikkeld, we op de vingers worden getikt. Het zit in onze volksaard: doe normaal.’

Of in het buitenland, wat altijd wordt beweerd, dit soort tentoonstelling frequenter te zien zijn, daarover bestaat inderdaad geen twijfel. Een blik in het tentoonstellingsoverzicht dat het gezaghebbende kunsttijdschrift The Art Newspaper iedere maand verstrekt, bevestigt het beeld dat Tempel schetst.

Engeland, Amerika, Duitsland en Frankrijk zijn toonaangevende landen als het gaat om prikkelende onderwerpen. Een willekeurige greep uit wat er de komende maanden te zien is: Napoleon und Europa. Traum und Trauma (Bonn), Engaged Observers: Independent Photojournalism (Los Angeles), The Original Copy: Photography of Sculpture (New York), Art & love (Londen), en La Russie romantique à l'époque de Gogol et Pouchkine (Parijs).

Sommige buitenlandse musea hebben de thematentoonstelling zelfs tot hun core business gemaakt. Zo kent het Parijse Centre Pompidou inmiddels een traditie, opgebouwd vanaf de legendarisch expositie Les Magiciens de la terre tot aan het recentere Traces du sacré. De Schirn Kunsthalle in Frankfurt is al lange tijd hofleverancier met onder andere Shopping, Grotesk!, Wunschwelten en Das Gedächtnis der Kunst.

Het waren grote successen, hoewel Tempel zich daar niet op wil blindstaren. ‘Traces du sacré in het Centre Pompidou, over het religieuze in de kunst, had fantastische stukken. Maar in het museum was het religieuze gevoel er uit gehaald. Verdwenen. Zoals ze een Barnett Newman hadden getoond! Het werkte niet. Toen bleek: het boek was beter dan de tentoonstelling.’

Toch kunnen de grote musea in het buitenland, met veel (onderzoek)personeel en een miljoenenbudget, beter en met grotere regelmaat zulke tentoonstellingen initiëren. Thematentoonstellingen kosten nu eenmaal veel energie, verbeeldingskracht, doorzettingsvermogen en geld. Er moet een feeling met de tijd zijn en een drang om daaruit thema’s te willen destilleren. Er moet tijd voor worden gereserveerd; schilderijen, video’s en beelden in bruikleen aangevraagd; teksten geschreven; sponsors gezocht. De hele operatie doet een zwaar beroep op de hele organisatie, en op de kas.

In tijden van economische tegenspoed, zoals nu, is dat geen sinecure. Geld vinden voor exposities die het ongewisse in kaart willen brengen, niet zelden met enige intelligentie gepaard gaan, en waarvan het maar de vraag is hoe sexy ze zijn, daar staan de geldschieters niet voor in de rij. Die slaan makkelijker aan op bekende namen.

Zo maakte Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam drie weken geleden, onder de kop ‘Unilever steunt de grote ogen van Kees van Dongen’, middels een persbericht bekend dat de multinational hoofdsponsor van de Van Dongen-expositie is die komend najaar in Rotterdam te zien zal zijn. Op de bijgeleverde foto geven Richard van Eijk (Unilever) en Sjarel Ex (Boijmans) voor een vrouwenportret van Van Dongen elkaar de hand, een glas champagne in de andere. Grote ogen – voor zoiets wil een sponsor wel overstag.

Voor exposities van bekende kunstenaars, zoals Van Dongen, Picasso en Munch, zijn altijd wel externe financiers te vinden, en een groot publiek. Dus is het, gezien de economische crisis, het wel begrijpelijk dat een museum voor hot shots kiest, zegt Tempel. ‘Het zijn onzekere tijden. En dan menen veel musea: we gokken op een grote klapper.’

Veelzeggend was, aan de andere kant, de lijdensweg die Bonnefantenmuseumdirecteur Alexander van Grevenstein moest bewandelen eer hij de financiering van zijn al in 1990 bedachte, maar pas in 2009 concreet geworden tentoonstelling Exile on Main St. rond had. ‘Er waren geen sponsors voor dit soort werk te vinden’, concludeerde hij vorig jaar nuchter. Op de tentoonstelling hing werk van negen Amerikaanse ‘oudere jongeren’, met hallucinerend, politiek geëngageerd werk dat in de jaren zeventig anarchistisch, maar anno 2009 anachronistisch aandeed.

Toch vond Tempel Exile on Main St. een ‘mooie’ presentatie. ‘Anders dan bij andere thematentoonstellingen liet het niet een grote, historische lijn zien; wel een vergeten lijn. Maar zelfs zo’n expositie vereist altijd nog meer creativiteit dan een monografische tentoonstelling. Het is ook lastiger om collega-directeuren te overtuigen werk uit hun collectie als bruiklenen te geven. Die denken soms bij een moeilijke expositie toch: daar lenen we onze stukken niet voor uit.’

Tempel: ‘Bij een ‘solo’ pak je een handboek of oeuvrecatalogus van de kunstenaar, en daar maak je dan een keuze uit. Daarvoor heb je minder inventiviteit nodig dan bij een thematentoonstelling.’

Ansenk spreekt die eenvoudigere opzet en financiering van een monografische expositie tegen. ‘Natuurlijk komen sponsoren makkelijker af op een expo die in een paar woorden is uit te leggen. Maar voor het overige is het niet moeilijker een thematische of een monografische expositie te bekostigen. Overigens is een solo net zo lastig te bedenken als een themapresentatie, vooral als het om een bekende kunstenaar gaat. Bij een beroemde naam wil je toch een andere, nieuwe visie ontwikkelen, om het publiek niet het idee te geven dat het om de zoveelste expositie over bijvoorbeeld Van Gogh gaat.’

Blijft de vraag waarom de grote onderwerpen en thema’s komend jaar niet meer op de rol staan. Waar zijn de nieuwe Horn of Plenty’s? Is er nog wel de ambitie? De indruk ontstaat toch dat de slogan ‘Nederland, gidsland’ binnen de vaderlandse museumwereld steeds minder zeggingskracht heeft. Wat toch vreemd is. Want de behoefte aan uitleg is er bepaald niet minder op geworden. Juist meer. Nu duidelijke kunststromingen zich minder manifesteren, het postmodernisme nog steeds springlevend is gezien de chaotische hoeveelheid stijlen en navolgers, en een kunst zich nu ahistorischer voordoet dan ooit, zou je denken dat er juist behoefte is aan sturing en duiding.

Ansenk: ‘Horn of Plenty-achtige tentoonstellingen zijn eenvoudig niet meer te betalen. De kosten groeien de pan uit. Door de verzekering, het transport. Maar ik sluit niet uit dat de thematentoonstellingen, op kleinere schaal, weer terugkomen. Het is een golfbeweging.’

Meer over