De grootste bouwput van Europa Berlijn herschept zichzelf in koortsachtig tempo tot nieuwe hoofdstad

Alexanderplatz, Kurfürstendamm, Potsdamer Platz, Friedrichstrasse - er is geen plek in Berlijn die onberoerd blijft door het stedebouwkundig plan waarmee van de gehavende metropool weer een glorieuze Hauptstadt moet worden gemaakt....

JAAP HUISMAN

SCHIJNWERPERS met daglicht-sterkte brengen een donkere hoek van de Hackescher Markt tot leven: avondlijke bouwwerkzaamheden of een toevallige filmopname? Aangezien Berlijn werkelijk een oerwoud is van bouwkranen, gokken we op het eerste, totdat uit het duister luid en duidelijk cut klinkt, de spanning plotseling breekt en een acteur uit de in steigers gevangen poort te voorschijn rent.

Schijn en wezen, met dat lied is de Duitse hoofdstad al langer vertrouwd, maar het lijkt in deze jaren fortissimo te worden gezongen.

Hóe sterk blijkt een dag later, als op de Potsdamer Platz een leger bouwvakkers aantreedt, aangegaapt door technici, journalisten en studenten kunstgeschiedenis. Het ijs in de bouwput is weer dikker geworden, er giert een schrale wind uit het oosten over de vlakte - misschien wel de ideale omstandigheden voor een haast surrealistische operatie. Met grote precisie moet hier de rijk geornamenteerde Kaisersaal, ooit het luisterrijke podium van grand hotel Esplanade, dat tijdens de bombardementen teloorging, luttele meters worden verplaatst. De marmeren vloer, de spiegelwanden en de stucornamenten bevonden zich toevallig op dezelfde plek waar Sony de fundamenten voor zijn hoofdkwartier had gedacht. Het geheel, een relikwie van het vooroorlogse, bruisende Berlijn, moet een nieuwe bestemming krijgen als café in het Sony-complex.

Het lukt niet.

Na een half uur is het gevaarte over de rails tachtig centimeter opgeschoven en dàn wacht er nog een cruciale bocht. De technici pauzeren, overleggen, terwijl de menigte nieuwsgierigen aanzwelt, en besluiten dat het er vandaag niet in zit. Een besturingsprobleempje. Cut. Wim Wenders ziet even kans handtekeningen uitdelen. De filmregisseur kan vandaag niet verder met een nieuw hoofdstuk aan zijn Berlijnse filmkroniek, daar in die woestenij van de Potsdamer Platz.

Het helwitte licht van filmers beweegt zich door de gehele stad, maar tegen de stroom in. Nee, ze registreren niet het Berlijn in wording, ze leggen het verloren paradijs vast, à la recherche du temps perdu. Ze laten fotomodellen blauwbekken voor het Palast der Republik, ooit de trots van DDR-leider Ulbricht, nu een uitgeleefde bunker. Ze zwermen over de Alexanderplatz. En sinds het recente filmfestival is het een komen en gaan van filmploegen in de Oranienburgerstrasse, waar krakers en kunstenaars tussen geblakerde muren en gedoofde neonborden een soort vrijstaat hebben gesticht. Alsof de filmwereld zelf nog niet gelooft in het nieuwe Berlijn.

De filmwereld is niet als enige aangeraakt door de vergane glorie, het dass-war-einmal-gevoel. Maar terwijl de regisseurs de romantiek van het verval zoeken, grijpt Senatsbaudirektor Hans Stimmann, regisseur van de zoveelste wederopbouw, terug op het oude Berlijnse stratenpatroon en op een specimen van vroeger: het Berlijnse woonblok. In een ijzeren, dogmatisch ritme plant Stimmann die gesloten blokken in de Friedrichstad. Discussie daarover is niet eens mogelijk, fulmineert Stimmanns opponent, de architect Axel Schultes. De bloksgewijze bebouwing is Schultes veel te rigide.

De Baudirektor verhult niet dat zijn reconstructie van de stad afwijkt van de naoorlogse plannen, toen Berlijn afstevende op een 'stadslandschap', met flats in het groen, zonder overheersende pleinen en straten. Hoewel dat radicale plan nooit is verwezenlijkt, duiken er elementen van op in het stadsbeeld, voornamelijk in het oude Oost-Berlijn, waar woontorens in zeeën van asfalt en grintbeton lijken te zwemmen.

Samen met vier medewerkers, niet de geringste architecten, maakt Stimmann de dienst uit in het verenigde Berlijn. Schultes: 'Hij luistert wel, maar hij zet zijn wil door.' En over het resultaat is hij ongehoord scherp: 'Het is richtig Scheisse wat ze maken.' Stimmann trapt volgens Schultes in de val, diede stad al een eeuw parten speelt. Berlijn is niets anders dan een provinciaal sufferdje dat achter de feiten aanloopt, dat bouwstijlen twee eeuwen na dato ontdekt en ze dan (verkeerd) kopieert, en ondertussen ook nog krampachtig op zoek is naar een eigen identiteit.

Dat gesloten blok zou typisch Berlijns zijn, meent Stimmann. Schultes daarentegen vindt dat een aaneenschakeling van bouwblokken nog geen stedelijk leven garandeert. Het is de dood in de pot in de als winkelstraat bedoelde Friedrichstrasse, waar blokken met identieke hoogte en slaapverwekkende façades wandelaars de lust tot gezellig shoppen ontnemen. Als het aan Schultes had gelegen, was er gevarieerd in hoogte, was er op de etages tussen dakplantsoenen een stratenstelsel gecreëerd, desnoods aangevuld met bruggen over de straat, zoals in Chicago. Dan had een gezin er ook nog iets te zoeken gehad, en niet alleen welgestelde tweeverdieners.

DE BERLIJNERS steken hun trots niet onder stoelen of banken: hun stad is de grootste bouwput van Europa. Maar de keerzijde is dat er voornamelijk goedkope Tsjechen en Polen in ploeteren, terwijl de werkloosheid onder de stedelingen torenhoog is. Een andere schaduwkant is dat het economisch tij zo tegenzit, dat de overheid zich wel móet concentreren op drie terreinen: de omgeving van de Rijksdag (met Brandburger Tor en Spreebogen), de Potsdamer Platz en ten slotte de Friedrichstrasse. Samen vormen ze die mega-bouwput.

Bij de Rijksdag, als een Friki-kip leeggehaald en vervolgens in een stalen korset geplaatst, wordt de grond bouwrijp gemaakt ten behoeve van het nieuwe parlementaire centrum in de Spreebogen, waarvoor Axel Schultes een stedebouwkundig plan heeft gemaakt. Schultes mag dan een criticus zijn van het bangelijke overheidsbeleid, hij plukt er ook de vruchten van. In Bonn bouwde hij naast de Bundestag een veel geprezen Kunsthal. Waarom hij ondanks alle kritiek toch van de partij is? 'Het is míjn kans om een gebaar tegen Stimmann te kunnen maken; eindelijk was er een jury met buitenlanders erin die een andere koers koos. Het was mijn overwinning op de stad en zijn bestuurders.'

Achter de Rijksdag staat een ambassadewijk op stapel waarin ook de Nederlander Pi de Bruijn participeert. Het moet op den duur het eerherstel voor de Dorotheenstadt betekenen, tot in de vorige eeuw nog een wijk van stand, maar door oorlogs- en DDR-geweld gedegradeerd tot een grauwe verzameling kolossen. Een rijtje witte party-tenten, waarin doner-kebab en Bratwurst wordt geserveerd, voert hier een hopeloos gevecht tegen stof en wind.

Op de Pariser Platz voor de Brandenburger Tor is het panorama niet anders: afbraak en aanzetten tot een nieuw begin. Alleen de replica van het oude Hotel Adlon begint zich uit de steigers te vechten. Het zal uiteindelijk worden omgeven door ambassades die de woonkazernes aan de Wilhelmstrasse aan het zicht onttrekken. Klauterend en slalommend bereiken we Potsdamer Platz: een onoverzichtelijke vlakte met een drie meter hoge muur als gedenksteen en de contouren van een hotel in aanbouw in de verte. Ondergronds glanzen de witte tegelwanden en de gotische belettering van het S-Bahnhof. Erboven, in een vuurrode doos op poten, bejubelen Sony en Debis (dochter van Daimler Benz) de technische innovatie die rondom wordt gepleegd, van een uitgekiende waterhuishouding tot de complexe verkeersstructuren. Zweefbaan, auto, hogesnelheidslijn en U-bahn, elk vervoermiddel lijkt aanspraak te maken op een buis ònder de Potsdamer Platz.

In Friedrichstadt staat het voormalige Checkpoint Charlie hulpeloos tussen hekken, bouwketen en metershoge borden. Op een daarvan lacht Philip Johnson, de hoogbejaarde Amerikaanse architect, de voorbijganger toe, als de quizmaster in een show waarvan de uitslag al bij voorbaat vaststaat. Hier wint het grootkapitaal van het American Business Center, hier hebben de architecten-stars een quartier toegewezen gekregen waarin ze hun kunsten mogen vertonen.

Iets noordelijker is de quartier-gedachte al in vervulling gegaan. Het contrast is bizar: alsof de oost-west-controverse wordt voortgezet in de architectuur. Tegenover het splinternieuwe blok van de architecten Pei, Cobb en Freed (dezelfden die het ABN AMRO-hoofdkantoor in Amsterdam gaan bouwen) knagen sloopmachines restanten Oostduitse luxe weg; bijna vertederend worden ze, de systeemplafonds en de betonnen sierpanelen op de gevel. Van het interieur van de Friedrichstadtpassagen van Pei mogen we slechts een glimp opvangen. De bewaking is niet te vermurwen. Opening: deze zomer. Wat we zien is een duizelingwekkend mozaïek van natuursteen op de vloer, dat verderop in de overdekte binnenhof tot een explosie moet komen.

De Friedrichstrasse groeide een dikke eeuw geleden uit tot het hart van Berlijn, vandaar het bord Stadtmitte bij het bijbehorende metrostation dat nu uit de puinhopen oprijst. Deze noord-zuid-as doorsnijdt de boulevard Unter den Linden halverwege. Van een woonwijk waar zich in de achttiende eeuw veel Franse hugenoten vestigden, veranderde het omstreeks 1850 in een zakenwijk. Winkels op de begane grond, kantoren erboven. Barok maakte plaats voor neo-classicisme, en toen de economie een decennium later aantrok, deden de ondernemers er een verdieping op of wisselden hun pand in voor forsere nieuwbouw. Een enkel blok overleefde de bombardementen van 1945 en de DDR-dictatuur nadien, zoals het Haus der Demokratie, dat gezelschap heeft gekregen van Hennes & Mauritz en de Berlijnse vestiging van Galeries Lafayette.

HET IS van een deprimerende sufheid. Kristin Feireiss, die haar Aedes-architectuurgalerie in Berlijn dezer dagen verruilt voor de directeursfunctie van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, stelt vast dat er kansen zijn gemist in de Friedrichstrasse. Hier hebben zich louter gouddelvers op de stad gestort, de ogen vol dollartekens - gelukkig dat de prijzen zijn gezakt. Hans Kollhoff, verantwoordelijk voor het blok met H & M, wordt alleen maar strenger, zegt ze, terwijl Jean Nouvel bij Galeries Lafayette zijn dag niet heeft gehad. 'Nog nooit heb ik glas gezien dat zo afwijzend is.' Wat Pei betreft: dat bureau heeft toegegeven dat het geen topprestatie kon leveren, omdat de verhouding met de opdrachtgever - lees Baudirektor Stimmann - dat in de weg heeft gestaan.

In de Friedrichstrasse lijkt Berlijn aan zijn grenzeloze ambitie te gronde te gaan. 'Weet je wat het is?', zegt Feireiss, 'ze willen zo graag Hauptstadt zijn. Ze laten zich daarop voorstaan, laten het woord te pas en te onpas vallen, terwijl iemand uit Amsterdam er niet eens over zal nadenken.'

Hauptstadt. De architectuurcriticus Robert Stegers valt Feireiss bij. 'Die Hauptstadt-obsessie is natuurlijk óók de erfenis van de DDR. Je kunt je voorstellen dat de vroegere regering het onverteerbaar vond dat ze eerst haar staat en vervolgens ook nog eens haar hoofdstad kwijt zou raken. Ze had al niets meer over. Geen ideologie, geen geld. Die staat was zo goed als bankroet. Er werd al jaren niets meer gebouwd'

Angst essen Seele auf. Zo zou de filmtitel van Fassbinder van toepassing verklaard kunnen worden op de reconstructie. Angst voor de toekomst, het holt jezelf uit. Ook Feireiss denkt dat Berlijn in een kramp leeft; de hoge verwachtingen die de Wende en de hereniging schiepen, zijn niet ingelost. Het proces is taaier dan menigeen had gedacht. Berlijn verliest economisch en politiek gezien van het welvarende zuid-Duitsland.

'Als je onzeker bent, durf je je niet over te geven aan experimenten. Alleen iemand die onbevangen tegenover de stad staat, zoals de Italiaanse architect Renzo Piano, die hier nog bijna nooit geweest was, kan vrij ontwerpen en doet dat dan ook met het Sony-Center op de Potsdamer Platz. Iets anders is dat we er in de Friedrichstrasse getuige van zijn hoezeer de architectuur in de ban is geraakt van de façade. Nog nooit zijn gevels zo dun gemaakt! Het glas van Nouvel, het marmer van Oswald Mattias Ungers (quartier-205), het is allemaal tapetendunn. Nu constructief alles mogelijk is, vergeten architecten na te denken over de stedelijke ruimte.'

En ze vergeten nòg iets, vindt Feireiss. Wie bouwt er zonder toekomstvisie kantoren? 'Dat is een verouderde gedachte. De wereldwijde trend is dat de automatisering en het gebruik van nieuwe media alleen maar toenemen. Uitgerekend in het vernieuwde Berlijn houdt men zich daar nauwelijks mee bezig: terwijl die oude woonblokken vaak nog geschikt waren om tot kantoren te verbouwen, zijn de nieuwste kantoren niet berekend op omgekeerd gebruik. Iets essentieels als een natte cel ontbreekt. De nieuwe media, de ecologie: het is allemaal niet uitgebuit.'

Criticus Stegers: 'Berlijn roept zich dolgraag uit tot de stad van de 21ste eeuw, zoals New York dat van de twintigste eeuw is. Dat is nogal ambitieus voor een verzameling dorpen waarvan zes jaar geleden de ene helft hoofdstad was en de andere helft eiland.'

ZO'N KLASSIEK Berlijns woonhuis met een monumentale entree, gestucte plafonds, zuilen met acanthusmotief, nu veranderd in een kantoor, daarin werkt architect Hans Kollhoff. Het staat in de Fasanenstrasse, zijstraat van de Kurfürstendamm, een concentratie van couturiers, ver weg van het slagveld dat het voormalig Oost-Berlijn nu is.

Kollhoff, in Nederland bekend geworden door het woonblok Piraeus op het KNSM-eiland in Amsterdam, heeft reden tot glimlachen. Hij hoort tot de uitverkorenen van Stimmann, hij bouwt op de Friedrichstrasse, Unter den Linden en hoopt een stedebouwkundig plan voor Alexanderplatz tot uitvoering te kunnen brengen. Want Alexanderplatz, vooral in de jaren zestig het exercitieterrein van de DDR, dàt wordt de volgende opgave. Zodra Stadtmitte op orde is. 'Ik schat dat we over vijftien of twintig jaar een eind op streek zijn.'

Komt Berlijn ooit nog uit zijn bouwput?

Kollhoff wil wel toegeven dat het segment kantoren aan de hoge kant is, maar repliceert: 'Er is een afspraak dat we minimaal 20 procent bewoning garanderen. Dat zal niet zo goedkoop zijn als het was, maar het is ook niet de periferie. Alexanderplatz is Grossstadt. Daarbij hoort dat je niet provisorisch, maar duurzaam moet bouwen. Dat is een van de spelregels die ik zou willen hanteren.

'Kent U Alexanderplatz? Nou, dan weet u dat het vergeven is van de DDR-symboliek, dat het op zijn zachtst gezegd geen aangename verblijfsruimte is. Het is géén Leidseplein. En toch zou ik elementen van het Leidseplein, zoals de ijsbaan, willen overnemen, ook al is de schaal onvergelijkbaar. Dat betekent in eerste instantie: functies aantrekken. Je moet dat plein zo min mogelijk met verkeer belasten, minder dan nu het geval is. Maar ik zie ook niet direct een voetgangersplein voor me, daarvoor is het te groot.'

Er valt niet te ontkomen aan de sloop van de DDR-kolossen, Erweiterung van het Kaufhaus met zijn witte kantwerk aan de gevel. En als dat niet kan: integratie. Natuurlijk begrijpt Kollhoff de sentimenten van de voormalige DDR-burgers. Wie zou daar niet gevoelig voor zijn? Tabula rasa maken is dan ook uitgesloten. Toch moet je, vindt hij, rebelleren tegen de maat. De enige manier waarop dat kan, is met wolkenkrabbers, maar 'dan wel torens die in de hoogte filigrein worden'. En het plein zelf? 'Ik zie het als een uitgaanscentrum. Bioscopen. Gastronomie, véél restaurants, die het hele spectrum beslaan. Niet zozeer voor de elite, maar voor de op consumeren gerichte middenmoot, die de weg naar Alexanderplatz moet weten te vinden.'

Rijst de vraag of er met een wederopbloei van het oude Stadtmitte de Kurfürstendamm wordt geschaad. De Kurfürstendamm, dat was de speeltuin van de vorsten, aan de rand van de stad, met parken in de onmiddellijke nabijheid, een omgeving die zich door de tweedeling noodgedwongen ontplooide tot Ersatzzentrum van Berlijn. Het lag ver weg voor de gewone burgers en dat zal wel weer zo worden, mijmert Kollhoff. Het behoudt daarom ook zijn exclusieve karakter. Een Beethovenstraat voor Berlijn, maar dan breder en véél luxueuzer. Toch moet het een veeg teken zijn dat vandaag café Einstein, ontmoetingspunt voor intellectueel Berlijn, een filiaal opent op Unter den Linden. Helemaal schadevrij kan de verplaatsing van de binnenstad eenvoudigweg niet verlopen.

Het alternatieve uitgaanscentrum is in korte tijd al opgeschoven van Kreuzberg naar de Prenzlauer Berg. Cafés en restaurants nestelen zich in bouwvallen, achter steigers. In bontmantels schrijdt de chic over vlonders, opgebroken stoepen en door eeuwig lijkende bouwtunnels. Aan de Hackescher Markt heeft de Nederlandse architect Ben van Berkel zijn eerste stap in Berlijn gezet, met het interieur van café Aedes. Een opdracht van Feireiss zelf, die net als Einstein een filiaal in de nieuwe stad wenste. Voor Van Berkel staan de deuren wagenwijd open. Zijn bureau is belast met de bouw van het stedelijk departement van de politie.

Aedes is een smaakvol rustpunt in een woelige wijk. Terwijl buiten op een van de vijf binnenhoven bewakers met herdershonden ongewenst publiek op afstand houden, wordt er binnen genipt aan cocktails tussen wanden met geëtst glas, op licht houten meubilair of aan de betonnen bar. Opnieuw kruisen werkelijkheid en schijn elkaar. Het scherpe contrast duikt overal op, het afscheid van de DDR gaat gepaard met stijlbreuken en provocaties. Aan de Torstrasse springen fleurige nieuwbouwblokken op uit een omgeving van grijs pleisterwerk. Zo rekent de nieuwe transparante architectuur af met de afwerende bouw van 25 jaar geleden. Hier lijkt de doctrine van Stimmann niet te gelden. Er is daarom meer aanleiding tot toekomstdromen, zeker meer dan in de Friedrichstrasse, waar nota bene dank zij westerse inbreng een soort DDR-architectuur zegeviert. Het dieptepunt daarvan? Lindencorso op de hoek Unter den Linden/Friedrichstrasse van Christoph Mäckler uit Frankfurt, die een geribbeld reliëf uit de catalogus op de gevel heeft geplakt. Een dergelijke eenvormigheid hadden de DDR-bouwers niet kunnen verbeteren.

GAAT HET te snel? Nee, zegt Kollhoff, dynamiek is inherent aan Berlijn, dat is juist de aantrekkelijkheid van de nog jonge metropool. 'En de critici die het weer graag zouden terugdraaien of het weer anders zouden willen hebben, dat zijn Klugscheissers.' De beste schippers staan aan wal. Schultes daarentegen haalt opgelucht adem. Nu de bodem van de schatkist in zicht is gekomen, is er gelukkig tijd voor bezinning, tijd die nodig zou kunnen zijn om de stad van haar dogma te bevrijden.

Toch is óók Schultes er veel aan gelegen dat er spoedig een beslissing valt over de Spreebogen en met name het Forum, een democratisch centrum met speakers corner, als verbindend element. Staande voor de maquette gebaart hij: dáár de Bundesrat, dáár het Bundespresseamt, dáár de Rijksdag, 'met een ontbijt-eitje als koepel op het dak'.

Het complex ligt als een lint door het park, overbrugt twee bochten in de Spree. Het moet, filosofeert Schultes, bijna onmerkbaar overgaan in het omringende park met een wand van wintertuinen. Tot in details staat het inwendige van de gebouwen vast. 'Daar staat de chef, die met een schuin oog naar de bondsdag kan kijken, en daar zit zijn secretaresse.' Maar pas in 1999 zullen ze er werkelijk rondlopen.

Voorlopig is Schultes' grootste zorg dat dat Forum er niet komt. De bondskanselier is niet bepaald een voorstander van een plek waar ook de burgerij zich kan manifesteren. En de bondskanselier heeft het laatste woord. Hij was het die in Bonn - en nu ook in Berlijn - voor zichzelf een apart Kanzleramt opeiste.

In zijn stoutste dromen zou dat een replica van Neuschwanstein moeten worden, maar Kohl beseft ook wel dat dàt gevoelig ligt. Trouwens, replica's heeft de stad al genoeg. Geen historisch sentiment dus en geen ambtelijk getto dat 's avonds op slot gaat. Vandaar Schultes' heftig pleidooi voor het Forum. Hij scherpt zijn wapens voor de strijd met de machthebbers, wil op voorhand met geen compromis genoegen nemen. Compromissen, ook daar staat de stad al vol mee. De stedebouwkundige behoudt de hoop dat het zal lukken. Hij citeert een collega: 'De kanselier is ook maar door ons aangesteld.'

Meer over