De groene economie past bij ons

Juist in deze tijden moet fors worden geïnvesteerd in duurzame economie. Investeringen in energiezuinige huizen en gebouwen kunnen 50 duizend banen per jaar opleveren....

Jan RotmansJohn Grin en Johan Schot

De huidige financiële en economische crisis echoot nog jarenlang met besparingen van ongekende omvang. Alleen maar bezuinigen zou ons echter rechtstreeks naar volgende crises leiden. Dus is een nieuw ordenings-model van markt, overheid en maatschappij nodig. De kern van een nieuwe, duurzame economie is het schoon en veilig produceren en consumeren van goederen, materialen en energie.

De transitie naar een duurzame economie is al volop gaande, maar is voor veel mensen nog niet zichtbaar. President Obama zei het treffend tijdens zijn State of the Union eind januari 2010: ‘Het land dat de duurzame energie-economie domineert, zal het land zijn dat de wereldeconomie domineert.’ Nu al is duurzaamheid de snelst groeiende economische sector, met een wereldwijde omzet van 1.400 miljard dollar. Deze omzet zal de komende tien jaar nog eens verdubbelen, aldus een recente studie van het milieuagentschap van de Verenigde Naties. Dit kan tientallen miljoenen ‘groene banen’ opleveren in de duurzame energie, afvalverwerking, landbouw, chemie, waterhuishouding, verkeer en vervoer en groene diensten.

Het economisch potentieel is enorm: duurzame energie levert het komende decennium naar schatting 20 miljoen nieuwe banen op. In China werken nu al 10 miljoen mensen in de afvalverwerking en 600 duizend mensen in de zonne-energiesector. Duurzaam gebruik van biomassa kan 15 miljoen nieuwe banen opleveren in India, Brazilië, Venezuela en andere ontwikkelingslanden. Het verduurzamen van de bouwsector kan wereldwijd 10 procent extra banen opleveren ten opzichte van de 110 miljoen mensen die nu in de bouwsector werken.

Ook in Nederland neemt de omzet van duurzame producten twee keer zo snel toe als die van normale producten en diensten. Die omzet wordt mede gestimuleerd door de rijksoverheid die vanaf 2010 een duurzaam inkoopbeleid wil voeren. Kansen liggen onder meer in:

Elektrisch vervoer. Nederland is uitstekend gepositioneerd om internationaal voorop te lopen. Door substantieel te investeren in oplaadpunten, fiscale stimuleringsmaatregelen te nemen, ‘pilots’ te starten en als eerste grote klant op te treden, kan de overheid een grote impuls geven.

Bouw. Energiezuinige en energieleverende gebouwen vormen een snel opkomende markt. Een andere interessante tak is die van duurzame en groene daken die fijn stof uit de lucht kunnen filteren, water vasthouden en energie leveren. Kansrijk is ook het drijvend bouwen – een techniek die ruimte en kosten bespaart, flexibel is en een aanpassing is aan een veranderend klimaat.

Energie. In sommige Europese landen is al een florerende industrie ontstaan. In Duitsland heeft het stimuleren van duurzame energie via een ‘feed-in’ tarief meer dan 300 duizend banen opgeleverd. Een Dutch Solar Initiative, grootschalige productie van zonne-energie, kan in Nederland 50 duizend banen opleveren met een geschatte omzet van 2,5 miljard euro.

Groene chemische industrie. Duurzame chemische industrie vervangt fossiele grondstoffen door groene grondstoffen. Grootschalige toepassing van de tweede generatie biomassa levert een enorm milieuvoordeel op en heeft op termijn een positief economisch effect van jaarlijks vijf tot acht miljard euro.

Clean Tech. Dit omvat een cluster van activiteiten rond schone technologie, energie, afvalverwerking en materialen tot klimaatadaptief bouwen. Een voorbeeld is de in Rotterdam opgerichte Clean Tech Delta. Nederland kan over vijf jaar in de toptien staan van deze groeimarkt.

Kennisinfrastructuur. Een nieuwe, groene kennisinfrastructuur heeft drie speerpunten. Structureel investeren in zowel proceskennis als technische kennis op het gebied van duurzaamheid; het creëren van innovatiecampussen waar bedrijven en kennisinstellingen gezamenlijk werken aan een maakindustrie; flexibele entrepreneurs vooruit helpen.

De nieuwe industriepolitiek zal in niets lijken op de ouderwetse, defensieve industriepolitiek uit de jaren zeventig en tachtig, waarbij miljarden werden geïnvesteerd in noodlijdende bedrijfstakken – in de textiel, de scheepvaart (RSV), de vliegtuigindustrie (Fokker) – die nadien alsnog ten onder gingen. Geboden is een politiek die inzet op veelbelovende niches en niet alleen op sectoren die nu al sterk zijn, zoals het Innovatieplatform voorstaat.

De huidige industriepolitiek is niet gekoppeld aan de innovatieagenda. In de afgelopen kabinetsperiode is twee miljard euro uitgegeven aan energie, water, ICT en chemie, een druppel op een gloeiende plaat. Anders gesteld: dé banenmotor van de toekomst, duurzame innovatie, bevindt zich nog in de marge en heeft een forse, structurele impuls nodig.

Nodig is een investeringsfonds voor duurzame innovatie. Frankrijk en Duitsland hebben dat al. Een belangrijk deel van de gelden uit het bestaande Fonds Economische Structuurversterking (FES) kan hiervoor worden aangewend. Ook regionale clustering van bedrijven, overheden en kennisinstellingen is belangrijk, want de sectoren van de toekomst zijn vaak regionaal gebonden.

De overheid heeft hier niet de regie, maar moet het vestigingsklimaat verbeteren, zorgen voor goede infrastructuur en de beschikbaarheid van hoog- en laagwaardige kennis. Nodig is een lerende overheid die ook in experimenten durft te investeren. Op deze wijze kan Nederland een koploper worden in duurzame innovatie.

Meer over