'De gele trui die hij in 1951 won, heeft Van Est aan mij te danken'

Ze kennen elkaar al sinds de Olympische Spelen van 1948, toen ze beiden in de kopgroep zaten. Henk Faanhof reed lek en Gerrit Voorting won zilver....

Door Gijs Zandbergen

Het onderwerp van gesprek is de Tour de France, maar eerst wordt het Nederlands kampioenschap voor beroepsrenners stevig becommentarieerd. Faanhof (82) begrijpt er weinig van. 'Rabobank had maar drie man van voren om hun sprinter Steven de Jongh te helpen. De rest reed achterin. Er zit in die ploeg iets goed verkeerd.'

Zijn vriend Gerrit Voorting (82) begrijpt het wel: 'Een Nederlander rijdt altijd een beetje stiekem voor zichzelf. In 1953 reden we met z'n drieën voorop naar Bordeaux: Hans Dekkers, de Fransman Pierre Pardoen en ik. Die Pardoen zat er stik doorheen, dus het ging tussen Dekkers en mij. Toen Dekkers demarreerde, wilde ik meegaan, maar ik mocht niet van ploegleider Pellenaaars. Pas toen die van het parcours werd afgeleid, ben ik erachteraan gegaan. Ik kwam tien meter te kort.'

Faanhof: 'Toen ik in 1954 in Bordeaux won, had ik er 345 kilometer opzitten. Een Touretappe was destijds gemiddeld 285 kilometer lang. Wij moesten ons veel meer uitsloven. Op de bergen lag nog zand en grind op de weg. Alleen op de Galibier reed je over asfalt, maar dat was meestal gesmolten. Als je daar overheen reed, zakte je erin weg of bleven al die steentjes aan je band kleven. Dus reed je in het gootje aan de kant van de weg, vlak langs de afgrond.

'Dat zie je niet meer, dat renners wiel achter wiel moeten rijden omdat de weg te slecht is. Mede door het slechte wegdek is destijds Van Est in het ravijn gevallen.'

Voorting: 'Als je Wim van Est moest geloven, heeft hij nooit een wedstrijd verloren, alleen maar verkocht. Flauwekul natuurlijk, maar Wim kon het mooi brengen. Aan de streep leek het altijd net of hij de enige deelnemer was geweest. Daar heb ik het wel eens moeilijk mee gehad.

'De gele trui die hij in 1951 won, had hij aan mij te danken. Wim zat in een kopgroep en was daarin de kortstgeplaatste renner. De gele trui reed in de ploeg van Louison Bobet, die de achtervolging ging organiseren. Daar ben ik tussen gaan rijden om de boel te verstoren.

'Bobet vond dat niet leuk en hij gaf mij een gooi. Toen ik weer terug van voren was, was ik zo kwaad dat ik mijn fietspomp in zijn voorwiel heb gegooid. Bobet schrok zo dat hij opdracht gaf te stoppen met achtervolgen. Zo kwam Van Est in het geel. Alleen heeft hij dat nooit verteld aan de journalisten.'

Faanhof: 'Die zag je toch bijna nooit. Die lui reden na het vertrek vooruit om 150 kilometer verderop te gaan lunchen. Als wij daar langs kwamen, liepen ze even naar buiten om te kijken. Daarna zagen we ze nog een keer, als ze ons voorbij reden op weg naar de finish. Daar vroegen ze hoe de koers was gegaan en daarna gingen ze hun stukkie schrijven. Eigenlijk had je niks aan ze. Dan waren de Belgische journalisten beter.'

Voorting: 'Als je de Belgische journalisten langs de weg zag staan, wist je dat er tweehonderd meter verderop een teil met drinkwater klaar stond. Die was bedoeld voor de Belgische coureurs. Alleen, er hing geen briefje bij, dus wij namen er ook van. Wat dat betreft hebben renners van tegenwoordig het veel gemakkelijker. Als ze iets willen drinken, pakken ze de deurkruk en laten ze zich eerst een eindje meeslepen. Wij mochten de ploegleidersauto niet eens aanraken. Wij moesten maar zien hoe we aan drinken kwamen.'

Faanhof: 'Iedere deelnemer was verplicht twee bidons bij zich te hebben en twee reservebanden, een onder je zadel en een om je nek. En daar werd op gelet. In elke volgauto zat een commissaris.'

Voorting: 'De meeste mensen weten dat niet, want iedereen die jonger is dan vijftig jaar zat toen nog in vaders verrekijker, maar het was veel strenger. Als je bij de ravitaillering het etenszakje miste, of het koordje brak, moest je maar zien hoe je aan eten en drinken kwam. Daarom had ik altijd een opener bij me voor het geval ik in een café een flesje ging halen.

Faanhof: 'Geld had je niet bij je, maar dat kon die kroegbaas later afrekenen met de organisatie. Die regelde alles. De Tourorganisatie zorgde voor fietsen en je koerstrui moest je ' s avonds inleveren. Dan werd ie gewassen en de volgende dag kreeg je in het hotel een schone .'

Voorting: 'Tegenwoordig slapen de renners in eersteklas hotels. Die van ons waren vaak derde-of vierdeklas. Als je pech had, sliep je op het marktplein, waar ' s nachts de raclamekaravaan stond te toeteren en als je nog meer pech had, lag je op de bovenste verdieping. Kon je wachten met douchen tot een verdieping lager de Italianen klaar waren.'

Faanhof: 'Die Italianen waren wel verder dan wij. Zij hebben bijvoorbeeld het knechtensysteem uitgevonden. Er reden altijd drie of vier man om Coppi heen. Ook qua verzorging konden we wat van ze leren. Coppi had een dokter bij zich, wij een fietsenmaker.'

Voorting: 'Die had ie niet voor niks. En hij was de enige niet. Koblet en Anquetil hadden ook altijd een dokter mee. Je mag raden waarom. Ik heb me er nooit mee bemoeid. Ik was er ook niet zo nieuwsgierig naar. Als ik Coppi in het hotel een ampul zag openbreken en door zijn eten doen, of als ik Gaul van die enorme spuiten zag zetten, hoefde ik niet te weten wat erin zat. We waren erg naïef in die jaren.'

Faanhof: 'Ik zweer dat ik nooit spul heb gebruikt, terwijl dat toch niet ingewikkeld was. In België kon je bij de apotheek zo kopen wat je nodig had. Je had ook van die Belgische zesdaagse-soigneurs met een slechte reputatie. Daarentegen hadden wij een soigneur, mijnheer Sonnet. Die man was als een vader voor ons. Hij gaf altijd een soort ouweltje met een poeier mee. Als we het moeilijk kregen, moesten we dat maar doorslikken. Ik heb het nooit gedaan.'

Voorting: 'Ik hoor het Woutje Wagtmans nog zeggen. 'De verzorger hoeft er alleen maar suikerwater in te doen. De rest stop ik er zelf wel bij.'

Faanhof: 'De enige keer dat ik eraan heb gedacht, was nadat ik in de afdaling van de Peyresourde was gevallen. Ik kwam de bocht door, waar de ploegleidersauto van de Spaanse ploeg stond. Ik reed erlangs, maar naast de auto lag een gat in de weg. Daar ben ik in gereden, met twee wielen stuk. Ik heb toen een fiets van een toeschouwer

gekregen, waarmee ik nog twee cols ben opgereden. Ik kom te laat binnen, dacht ik, en ik besloot dat ouweltje te nemen, maar toen ik het uit mijn achterzak pakte, was het zo nat geworden dat ik er niets meer aan had.

'Gelukkig waren de laatste twintig kilometers vlak en kon ik achter een politiemotor stayeren. Ik kwam drie minuten voor sluitingstijd binnen. De volgende dag stond in de Franse kranten dat Faanhof de etappe had beëindigd op de fiets van Henri Desgrange. De man die zijn fiets had uitgeleend is later naar het hotel gekomen om die fiets weer te ruilen. Dat zou vandaag de dag niet meer gebeuren.'

Voorting: 'Men is veel wijzer tegenwoordig. Wat wisten wij nou? Wij lieten ons alles aanleunen. Als je ziet met welke versnellingen ze tegenwoordig rijden. Wij kregen er drie en daar moesten we het mee doen. Wie er niet mee uit de voeten kon, werd gelost. Zo ontstonden die grote verschillen in het klassement.'

Faanhof: 'Door die oortjes is wielrennen saaier geworden. Alles wordt bepaald door de ploegleiders. Maar die weten het ook niet altijd .'

Voorting: 'Pellenaars was destijds de grote man. In 1958 had hij geen zin in de Tour, omdat de ploeg niks voorstelde. Zijn chauffeur Klaas Buchli moest het maar doen. Wat denk je? Ik win in die ronde de tweede etappe en pak ook nog een keer de gele trui. Wim van Est doet hetzelfde en ten slotte wint Charly Gaul het eindklassement.

'Ploegleider was Klaas Buchli, een vrachtwagenchauffeur. Geen verstand van wielrennen, geen oortjes, maar hij had wel de Tourwinnaar in zijn ploeg.'

Meer over