De Friese emigrant sloeg Amsterdam en Rotterdam gewoon over

MENSEN EMIGREREN doorgaans om financiële redenen; slechts enkelen doen het uit zucht naar avontuur. Wanneer er op eigen bodem nauwelijks een droge boterham valt te verdienen en naar verluidt elders werk te over is, ligt van oudsher het landverhuizen voor de hand....

Tussen 1880 en 1914 emigreerden tien- tot twaalfduizend Friezen naar de Verenigde Staten. Uit sommige dorpen in de provincie Friesland maakte in die periode één op de vier inwoners de oversteek. Dat was opvallend veel. Van elke honderdduizend Nederlanders trokken er tussen 1880 tot 1914 zestig naar de Verenigde Staten. Van elke honderdduizend Friezen deden dat er vijfhonderd.

Dat blijkt uit het onderzoek van de historicus dr A. Galema in onder meer Friese en Amerikaanse bevolkingsregisters. Zij onderzocht wat, welke Friezen van hun geboortegrond dreef en hoe het hun verging wanneer ze eenmaal in de Verenigde Staten waren aangeland. Galema promoveerde op 27 maart aan de Rijksuniversiteit Leiden op haar dissertatie: With the Baggage of the Fatherland.

Emigreren naar Amerika was eind negentiende eeuw betrekkelijk normaal. Jaarlijks verhuisden honderdduizenden verwachtingsvolle Europeanen erheen. Werkloosheid en armoede dreven hen.

Toch week het gedrag van de Friese emigranten af. Zo was het elders in Nederland normaal dat wie geen emplooi vond in eigen dorp of gemeente, eerst zijn geluk ging beproeven in een grotere stad, en uiteindelijk in Amsterdam of Rotterdam kwam. Leverde dit niet de bedoelde broodwinst op, dan trok zo'n voormalige provinciaal alsnog naar de VS.

Zo niet de Friezen. Van die emigranten was 90 procent de grenzen van de provincie nooit over geweest vóór het vertrek, en 60 procent verhuisde zelfs linea recta van het eigen geboortedorp naar de Verenigde Staten.

Galema deed via televisie en radio een oproep aan familieleden van emigranten en andere achterblijvers om paperassen en correspondentie te mogen inzien. Ze kreeg honderden documenten en brieven toegestuurd. Daaruit komt het beeld naar voren van een plattelandsbevolking die ondanks hard werken armoe lijdt. Voor het gewone volk was de situatie in Friesland rond 1880 zelfs deerniswekkend.

Waarom de Friezen in groten getale kiezen voor emigratie in plaats van voor verhuizen naar de grotere Nederlandse stad, wordt gaandeweg duidelijk uit de correspondentie tussen emigranten en achterblijvers. Hoewel veel landverhuizers het aanvankelijk moeilijk hebben met de vreemde taal, met het vinden van behoorlijk onderdak en met het begrijpen van de plaatselijke bureaucratie, stellen ze in hun brieven de situatie overzee veelal tamelijk rooskleurig voor. In de grote steden, waar ze aanvankelijk terechtkomen, is dank zij de opkomst van de industrie werk genoeg.

Aanstaande emigranten leren zo letterlijk de weg kennen van Friesland naar de Verenigde Staten, weten wat een bootreis kost, waar vandaan het schip vertrekt en waar het aankomt.

Ze weten wat te doen na aankomst en hebben zicht op de inmiddels ontstane overzeese Nederlandstalige of zelfs gedeeltelijk Friese gemeenschap. Voor hen is Amerika een reëlere optie dan verhuizen binnen Nederland. Want daar is de situatie toch overal even slecht, denken ze.

In Amerika helpen de Friezen diverse protestante Nederlandse kerkgemeenschappen op te zetten. Ze stichten Nederlandse scholen en uiteindelijk zelfs drie universiteiten. En ze moedigen achterblijvers aan, de hopeloze zaak achter te laten en naar hen toe te komen.

Opvallend vindt Galema dat veel Friezen na hun aanvankelijke aankomst in steden als Chicago en Paterson (New Yersey), waar ze in fabrieken werken, grond kopen vlak buiten de stad. Daar beginnen ze agrarische bedrijven. En dat in een tijd waarin de stormloop op land in het oosten en midden van de VS al is voltooid.

De Friezen nemen dan ook vaak bestaande boerderijen over van boeren die verder trekken naar het westen. En, zo benadrukt Galema, heel a-typisch voor Friezen: ze kopen huizen, land en meubilair op krediet. De aanbetaling doen ze met geld dat ze hebben gespaard toen ze in de fabriek werkten, de rest gaat op afbetaling of er wordt gehuurd. Dat moet bepaald een mentale omslag voor de Friezen hebben betekend, zo meent Galema.

Het kopen van eigen land bracht voor de arbeiders een sociale status met zich mee die ze van huis uit nooit hadden gekend. Het vooruitzicht op een dergelijke maatschappelijke vooruitgang sloot naadloos aan bij het credo dat in de jaren negentig werd gepredikt door typisch Friese politici als Pieter Jelles Troelstra en Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

Zij wakkerden het zelfbewustzijn van de arbeiders aan, hamerden op het recht op gelijke kansen voor iedereen. Duidelijk was dat de idealen in Nederland in die jaren niet te verwezenlijken waren, maar in de Verenigde Staten wel.

Uiteraard plaatste ook de eigen taal de Friese emigranten enigszins in een uitzonderingspositie. Veel gezinnen en families bleven decennia lang drietalig: ze spraken thuis Fries, in de kerk Nederlands en op het werk Engels. Immigranten onderhielden het Fries ook in culturele verenigingen. Die organiseerden wekelijkse kaatswedstrijden, lieten Friese sprekers en toneelgezelschappen overkomen vanuit Nederland, of studeerden zelf Friese toneelstukken in.

Onderzoekers die in de jaren zestig naar de Verenigde Staten reisden, troffen daar nog hoogbejaarde immigranten die onvervalst Fries spraken. En hun kinderen en kindskinderen soms ook.

Mieke Zijlmans

Meer over