De freule en de bastaard

'Zoethoudertjes' waren het volgens de criticus Jaap Goedegebuure, de vier novellen die W.F. Hermans tussen 1980 en 1984 als afzonderlijke boekjes liet verschijnen....

Hopelijk is er niemand meer zo dom om de verschijning van de novelle De bastaard van Manon Uphoff hooghartig af te doen als een zoethoudertje, onder verwijzing naar de eerder aangekondigde en nog niet verschenen tweede roman. Er is goede hoop dat zo'n flater dit keer uitblijft niet omdat het intelligentiepeil van critici intussen gestegen is, maar omdat Uphoffs vorige novelle, De vanger (2002), door de Libris Prijs-jury op de longlist werd geplaatst.

Zo hoort het als het gaat om goede boeken, al valt hun omvang in het niet vergeleken bij de bakstenen die veel uitgevers, lezers en sommige critici bij voorbaat met trompetgeschetter begroeten.

Blijkens een persbericht is de auteur van zins binnen afzienbare tijd zelfs een derde novelle te publiceren. Wellicht komt dan ook het zicht vrij op een overkoepelende thematiek. Vooralsnog lijkt het erop dat Uphoff zich heeft voorgenomen drie melodrama's te schrijven, die zich afspelen op een begrensd terrein. Inhoud en vorm sluiten op elkaar aan.

Ze zet een paar mensen in en rond een oud huis in De bastaard is dat een vervallen 'neo-Tudor landhuis' en geeft het noodlot ogenschijnlijk de vrije hand. Door de gecomprimeerde vorm en de afgepaste dialogen houdt Uphoff het mysterie en de spanning intact. Het is alsof de lezer het verhaal door suggestieve nevelen moet lezen. Niet alles wordt klaarhelder geduid. In dit geval is dat een verademing.

De onopvallende freule Arinde woont met haar man Maurice op het gede landgoed. Negen maanden na de bruiloft wordt in het koetshuis de eerste zoon van Maurice geboren. Niet van Arinde. De bastaard heet Bastiaan.

Later krijgen Thomas en Arinde ook een zoon, de destructieve schoonheid Thomas. Zonder dralen schetst Uphoff deze personages, die zich vergeefs teweer stellen tegen de gloomy doem die het landgoed in de greep heeft. Bijzonder is de manier waarop ze de lijdzame Arinde toch tot de enige echt aansprekende figuur doet uitgroeien. 'Ik had een karakter moeten hebben', merkt de bedlegerige freule op als haar zoon en echtgenoot zijn gestorven, en ook haar levenseinde nadert.

Maar misschien is zij, door zich (letterlijk) neer te leggen bij de loop der dingen en 'enig plezier' te beleven aan het gadeslaan van het verval, wel de meest standvastige van het stel, en het minst slachtoffer. Daar laat Uphoff je nog lang over nadenken.

Meer over