REPORTAGEFIETSTOCHT NAAR ROME

De enige gast in het hotel in Bergamo. ‘Het is hier nu veiliger dan bij jullie’

Wat heeft corona betekend voor onze manier van reizen? Heeft slow tourism de toekomst? Journalist Jeroen van Bergeijk fietst naar Rome om dat uit te zoeken. Vijfde bestemming: Florence.

null Beeld Jeroen van Bergeijk
Beeld Jeroen van Bergeijk

Comomeer – Florence 496 km

‘Je denkt toch niet dat je hier normaal zomaar binnen had kunnen lopen en de mooiste kamer van het hostel had kunnen uitzoeken?’, zegt Fabio, manager van Lake Como Beach hotel in Domaso. ‘Andere jaren zijn we rond deze tijd al weken volgeboekt – en zou je twee keer zoveel betalen.’ De kamer met weids uitzicht over het Comomeer laat inderdaad niks te wensen over, maar dat het hier minder druk is dan andere jaren, was mij even ontgaan. De campings langs het meer staan stampvol. Aan de oever liggen mensen, handdoek aan handdoek, te zonnebaden.

Maar Fabio gaat het rijtje even voor me af: het duurste hotel van het dorp is dit seizoen niet opengegaan, de surfschool is failliet, evenals het restaurant een paar panden verderop. En de bezetting van zijn hostel ligt nog niet op 50 procent van wat het zou moeten zijn. De meerderheid van de bevolking rond het Comomeer werkt in het toerisme en Fabio schat dat slechts zo’n 30 procent daarvan momenteel een baan heeft. ‘Een drama inderdaad, maar ik hoop ook dat corona mensen hier duidelijk heeft gemaakt dat ze te afhankelijk van buitenlandse toeristen zijn geworden. De laatste jaren was het een gekkenhuis. Het toerisme groeide zo hard. Misschien is het goed dat we een pas op de plaats maken.’

Het Comomeer. Beeld Jeroen van Bergeijk
Het Comomeer.Beeld Jeroen van Bergeijk

Voor het eerst tijdens deze reis wordt de economische impact van het coronavirus op het massatoerisme duidelijk – al is het misschien niet direct zichtbaar. Wel zichtbaar is dat Italianen hun coronamaatregelen uiterst serieus nemen. Het contrast met Zwitserland kan haast niet groter. Overal dragen mensen mondkapjes en als je een restaurant binnenkomt, wordt standaard je temperatuur opgemeten. Je went er snel aan. Na een paar dagen Italië weet ik niet beter dan te zorgen dat ik naast fietssleutels, telefoon en portemonnee een mondkapje in mijn zak steek.

Op een terras aan het meer zit een gebruind stel een kopje koffie te drinken. Het zijn Hans en Addy, gepensioneerden uit Nijmegen die hier een tweede huis hebben. Ze komen hier al vijftien jaar. Ook bij hen liggen de de verschrikkingen van maart en april nog vers in het geheugen. ‘Elke dag vlogen hier helikopters over het meer, om mensen naar ziekenhuizen elders te brengen. De sfeer was dreigend.’ Ik vertel dat ik morgen naar Bergamo wil fietsen, tot voor kort het epicentrum van de uitbraak in Italië. Ze kijken bedenkelijk. ‘Het was daar zo erg… bij ons het in dorp zeggen ze dat je daar nu niet naartoe moet gaan. Dat vinden ze van weinig respect getuigen.’

null Beeld Jeroen van Bergeijk
Beeld Jeroen van Bergeijk

Veilig

‘Allee, welkom, goed dat u er bent’, zegt Horacio, chef-kok van hotel-restaurant Il Sole in Bergamo, in het Vlaams. Ik heb net een schitterende dag achter de rug: de zon die over het knalblauwe Comomeer streek, flarden nevel boven het water, het pontje naar Bellagio. Wanneer ik voldaan en bezweet bij het hotel arriveer, hoeft Horacio maar een blik op mijn fiets te werpen en hij weet dat hij met een Nederlander van doen heeft. Horacio lijkt sprekend op Robert De Niro – maar dan met forse buik en zonder haar. Hij is geboren in Luik, waar zijn vader in de mijnen werkte. Hij heeft België alweer 36 jaar geleden verlaten, maar spreekt nog steeds heel behoorlijk Nederlands. Als ik ter sprake breng dat me bij het Comomeer is verteld dat ik uit respect niet naar Bergamo moet gaan, kijkt hij me fel aan. ‘Wat een onzin, schrijf alsjeblieft in jouw krant dat iedereen naar Bergamo moet komen. Het is hier nu veiliger dan bij jullie.’

Ik had een grimmige sfeer verwacht, maar op straat is het levendig en de terrassen van Piazza Vecchia zitten vol Italianen, Fransen, Duitsers en Nederlanders. Dat neemt niet weg dat het toerisme is gedecimeerd. Zo ben ik de enige gast in het hotel, dat midden in het oude centrum ligt. ‘Laten we het daar niet over hebben’, zegt Horacio. ‘Ik kijk liever naar de dingen die weer goed gaan: vanavond is het restaurant helemaal vol gereserveerd.’ En over al die hotels en restaurants die ook hier de deuren hebben gesloten is hij duidelijk. ‘Daarmee ging het voor corona al niet goed. Die hadden geen reserve’, zegt hij beslist. ‘Kijk, iedereen hier zit nu te klagen over die premier van jullie, maar hij heeft groot gelijk dat hij Italië geen geld wil geven. We moeten onze eigen zaakjes opknappen.’

null Beeld Jeroen van Bergeijk
Beeld Jeroen van Bergeijk

Een trend

De ruim 1.500 kilometer die ik tot Bergamo heb afgelegd, hebben mijn 28 jaar oude Giant niet onberoerd gelaten. Er zit een scheur in de buitenband van mijn voorwiel, de derailleur hapert en mijn remblokjes zijn versleten. Maandagochtend sta ik dan ook voor de deur van Bike Fellas, de beste fietsenmaker van Bergamo, zo heb ik me laten vertellen. Goed, het duurt een uur eer hij arriveert, maar dan gaat hij ook onmiddellijk aan de slag. Ondertussen komt Victor binnen, een Fransman van halverwege de 30 met een fraaie krulsnor. Ook zijn fiets is aan een opknapbeurt toe. Victor komt uit Normandië en wilde dit jaar naar Japan fietsen. Nu is hij via de Côte d’Azur en de Alpen op weg naar Slovenië. Hij is de eerste fietser die ik ontmoet die er werkelijk van overtuigd is dat het reizen zoals hij en ik dat doen een grote vlucht gaat nemen. ‘Ik ken drie vrienden die dit jaar voor het eerst op de fiets op vakantie zijn gegaan. In Frankrijk is het echt een trend.’

null Beeld Jeroen van Bergeijk
Beeld Jeroen van Bergeijk

Na een uurtje is mijn fiets weer zo goed als nieuw. Het plan is de Po-vlakte te doorkruisen, de Apennijnen over en dan in Florence een paar dagen rust nemen. Want het is heet. Tegen het middaguur is de temperatuur tot 36 graden opgelopen. De volgende dagen is het niet veel anders. Ik drink liters water. En terwijl ik weet dat ik geregeld moet eten om de hongerklop voor te blijven, krijg ik nauwelijks een hap weg. Vaak sta ik dan plotsklaps te trillen op mijn benen. Dat dwingt me tot een ander ritme. De volgende ochtend sta ik om 6 uur ’s ochtends op, fiets door tot een uur of 12 en ga dan onder een boom liggen tot de ergste hitte voorbij is.

Maar dan nog verwordt het fietsen tot een soort survivaltocht. Ik kom geen enkele andere bepakte fietser meer tegen. Ik tuur alleen maar naar het asfalt, dat waar je ook gaat in Italië vol gevaarlijke scheuren zit. Op een zeker moment beland ik door onoplettendheid op de snelweg en zie geen andere mogelijkheid daar weer vanaf te komen dan tegen het verkeer in een afrit op te rijden. Nee, dat hele slow tourism kan me even gestolen worden en ik zou er wat voor geven om nu in een geairconditioneerd vliegtuig te mogen stappen en binnen een half uurtje op mijn plaats van bestemming te zijn. Als ik dan na vier dagen uiteindelijk Florence bereik, ben ik werkelijk doodmoe. Niet een moeheid zoals aan het begin van de reis, toen ik ongetraind en met de naweeën van corona nog in mijn lichaam aan deze tocht was begonnen, maar eentje die in mijn botten lijkt te zitten en schreeuwt: kappen nou, met dat fietsen.

null Beeld Jeroen van Bergeijk
Beeld Jeroen van Bergeijk

Maar dan, diezelfde avond… met een ijskoude Negroni op een terrasje met uitzicht op de Duomo is de ellende ook weer snel vergeten. In gedachten breng ik een toost uit op mijn trouwe Giant – en op mijn vermoeide spieren.

Het is nog 350 kilometer naar Rome.

Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door financiële steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Lees hier over de tocht van Jeroen van Bergeijk naar de eerdere bestemmingen: Maastricht, Schengen, Basel en de Splügenpass.

Meer over