De emancipatie van het lawaai

Lawaaimachines gaan de strijd aan met sirenes. ‘Je gaat anders nadenken over wat horen is.’ Door Harmen Bockma..

De polyfone sirene ziet er uit alsof er elk moment een krankzinnige atoomgeleerde, die de aarde op de rand van de afgrond heeft gebracht, achter kan plaatsnemen voor het finale slotakkoord. Een deel van een oud harmonium is opgehangen in een stalen constructie, uit de onderkant komen zwarte kunststof slangen kronkelen als de tentakels van een octopus. Ook de andere instrumenten van het Sirene Orkest, dat deze maandagavond repeteert op de zolder van het Scheltema-gebouw in Leiden, behoren bepaald niet tot de standaarduitrusting van het gemiddelde kamer- of symfonieorkest. De dubbele sirene heeft veel weg van een bankwerkersmachine voor in de fijnmetaal, de bas-sirene met zijn twee lange buizen zou zo kunnen dienen voor een belangwekkend natuurwetenschappelijk experiment met protonen en neutronen.

Onder de dakbalken van de oude wollendekenfabriek waren deze avond de geesten rond van de eminente 19de-eeuwse fysicus Hermann von Helmholtz – schrijver van het standaardwerk Die Lehre von den Tonempfindungen als physiologische Grundlage für die Theorie der Musik (1863) – en van een van zijn bewonderaars, de in vergetelheid geraakte Nederlandse natuurkundige en hbs-leraar Henri Naber, in de jaren twintig van de vorige eeuw onvermoeibaar voorvechter van de emancipatie van de sirene. En natuurlijk die van de futurist Luigi Russolo, die in 1913 met zijn pamflet L’arte dei rumori (De kunst van het lawaai) de muziek bevrijdde van de noten, en binnenleidde in het rijk van het geluid. Want het Sirene Orkest speelt niet alleen op sirenes, maar ook op de intonarumori van Russolo, zijn ‘lawaaimachines’ die de geluiden voortbrachten van de stad, van al het lawaai dat de mens omringt sinds de industriële revolutie.

Het orkest beleeft komend weekeinde zijn vuurdoop in Scheltema. Ook uit de partituren van de componisten Martijn Padding, Yannis Kyriakides en David Behrman – die voor het orkest nieuw werk hebben geschreven – blijkt hoe anders deze muziek is. Notenbalken komen er nauwelijks aan te pas, wel lange horizontale lijnen om de glijdende tonen aan te geven.

Wie weet schuift zondag ook de wereldberoemde beeldend kunstenares en muzikante Laurie Anderson aan om een stukje mee te spelen. Ze is de eregaste tijdens het Symposium on Sound dat zaterdag en zondag in Scheltema wordt gehouden. Het symposium is de climax van de twee jaar durende aanwezigheid van een wetenschapper, John Heymans, tussen de muziektheatermakers van gezelschap de Veenfabriek.

Scholar on Stage, onderzoeker op het podium, heet het project dat is bedacht door Paul Koek, de artistiek leider van de Veenfabriek. ‘Toen we in 2005 verhuisden naar dit complex, dat meer dan vijftig jaar had leeggestaan, heb ik samenwerking gezocht met de universiteit. We zitten tenslotte niet voor niets in Leiden. Een wetenschapper op het toneel, en een acteur achter het katheder, daar droomde ik van.’

Techniekfilosoof John Heymans is de eerste wetenschapper die, namens de opleiding Kunstgeschiedenis van de Universiteit Leiden, bij de Veenfabriek aan de slag is gegaan. In het kader van zijn promotie doet hij onderzoek naar de invloed van Helmholtz’ standaardwerk op de ontwikkeling van de vroeg-elektronische en moderne muziek.

‘Helmholtz was de eerste die uitgebreid onderzoek deed naar het verband tussen de fysica van het geluid en de fysiologie van het horen’, zegt Heymans. ‘Tot dan waren dat twee totaal verschillende wetenschappelijke disciplines. Hij had de mooie hypothese bedacht dat zich in ons binnenoor een piepklein pianootje bevindt waarvan de snaren meetrillen met de geluiden van de muziek. En de snaren in dat pianootje geven de informatie dan vervolgens aan onze hersenen door. Dat pianootje is als het ware het knooppunt tussen de natuurkundige interpretatie van geluid en de fysiologische verwerking daarvan. Zodoende kon hij een theorie van het horen formuleren op basis van experimenten met meetinstrumenten zoals polyfone sirenes, resonatoren en klanksynthesizers. Daardoor ga je dus anders nadenken over wat horen is.’

Het is deze wereld die de afgelopen twee jaar is opengegaan voor de leden van de Veenfabriek, zowel de muzikanten als de acteurs, tijdens de colleges die Heymans erover gaf. ‘Wij wisten niet al te veel af van het bestaan van Helmholtz. Wel van Russolo, de sirenes en de intonarumori’, zegt Koek, die zelf ook een compositie heeft geschreven die zondag wordt uitgevoerd. ‘We zijn altijd wel bezig geweest met het ontwikkelen van nieuwe instrumenten en nieuwe muziek om via onze stukken ook op muzikale manier emoties over te brengen. Maar John Heymans heeft onze muzikale horizon nog verder verbreed.’

Heymans hoopt door zijn verblijf bij de Veenfabriek te ontdekken hoe de wetenschap invloed heeft op de ontwikkeling van de muziek en omgekeerd. Voor wat betreft Helmholtz is dat duidelijk, zegt hij. ‘Door zijn onderzoek naar tonen en het als het ware isoleren ervan, gaf hij de aanzet om anders met geluid om te gaan. Maar hij maakte nog een esthetisch onderscheid tussen niet-muzikaal en muzikaal geluid. Het gehoor doet dat natuurlijk niet. Dat doen onze hersenen.’

De intonarumori die tijdens de repetitie staan opgesteld tegenover de sirenes, bewijzen dat je dat ook anders kunt zien, en horen. Het zijn langwerpige houten kisten waaruit een hendel steekt, met aan de voorkant een toeter van het soort dat badmeesters vroeger gebruikten om zwemmers te waarschuwen die zich al te ver in zee waagden. Ze luisteren naar de namen ululatore (huiler), ronzatore (zoemer), sibilatore (fluiter), crepitatore (knisperaar), gracidatore (krasser) en frusciatore (die volgens Russolo het timbre van ritselend zijde moet voorbrengen). ‘Als ik had geweten dat ze bestonden, had ik er allang van gedroomd ze te mogen bespelen’, zegt Veenfabriekveteraan Ton van der Meer.

De intonarumori zijn op basis van foto’s, schetsen, omschrijvingen en oude geluidsopnamen nagebouwd door kunstenaar Wessel Westerveld, die ook een van de leden van het achttienkoppige orkest is. De originele instrumenten gingen verloren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het idee om ze na te bouwen, is pas gaandeweg het project ontstaan. ‘Op een gegeven moment werd het mij allemaal wat te theoretisch’, zegt Koek. ‘Ik wilde ook wel eens aan de slag met al die dingen waarover John vertelde. Bovendien past het Sirene Orkest naadloos in ons onderzoek naar muziektheatervormen en de performances en concerten die wij geven.’ Heymans is er blij mee. ‘Van het nabouwen leer je een heleboel over de werking van de instrumenten en over de bedoelingen van Russolo en Helmholtz.’

Luigi Russolo las het werk van de eminente Duitse wetenschapper, maar was het oneens met het onderscheid dat hij maakte tussen muziek en andere geluiden. Geheel in de geest van de Sturm und Drang van het futurisme – dat dweepte met de snelheid, de verwardheid en de constante stroom van indrukken van het moderne leven – verklaarde hij ‘het brommen, donderen, barsten, plenzen, plonzen, galmen, fluiten, sissen, blazen, fluisteren, murmelen, gonzen, snorren, pruttelen, knarsen, knakken, knisperen, zoemen, knetteren en wrijven’ tot muziek. Plus de geluiden die ontstaan door het slaan op metaal, hout, leer, stenen en aardewerk, net als roepen, schreeuwen, steunen, gebrul, gehuil, gelach, reutelen en snikken.

Russolo gaf zijn eerste concert in 1914 in Rome. De composities hadden titels als ‘het wakker worden van de hoofdstad’, ‘ontmoeting van auto’s en vliegtuigen’ en ‘dineren op het terras van het casino’. Het publiek smeet met fruit en groenten naar de muzikanten, en Russolo werd na afloop aangehouden wegens het veroorzaken van een rel. Ook in Londen bleek het publiek deze nieuwe muziek nog niet helemaal te kunnen doorgronden. Het smeekte de musici op te houden. Volgens Marinetti, de grondvester van het futurisme, was het concert te vergelijken met ‘het tonen van de eerste stoomlocomotief aan een bende koeien’.

In zijn onderzoek wil Heymans een verband leggen tussen Russolo, die is opgenomen in de canon van de vroeg-moderne muziek, en de Nederlander Henri Naber. Die ijverde net als zijn Italiaanse tijdgenoot voor een verbreding van de definitie van muziek, maar is niet meer dan een heel kleine voetnoot in de geschiedenis geworden. Naber (1867 – 1944) was een soort Don Quichot die een aantal vaststaande waarheden in de natuurwetenschappen aanvocht, zonder dat hij enig succes boekte. Hij ‘herontdekte’ enkele wetenschappelijke uitvindingen, die hij vervolgens met man en macht probeerde te herintroduceren.

Zo ook de sirene, die hij zelf ombouwde tot een muziekinstrument dat ‘in volkomenheid’ alle andere instrumenten zou kunnen overtreffen. Hij richtte in 1910 het Sirene-Comité op, daar ‘het groot-kapitaal, de wetenschap en de industrie zich tot heden om de zaak niet bekommerden’. Als Mozart had geweten van de sirene, zou hij zijn opera Die Zauberflöte de naam van het instrument hebben gegeven, zei Naber. Maar hoewel hij onder anderen de componist Julius Röntgen wist mee te krijgen, slaagde hij uiteindelijk niet in zijn emancipatiestrijd.

Werktuigbouwkundig ingenieur René Bakker, ook musicus van het orkest, heeft de afgelopen maanden de sirenes nagebouwd. De slangen aan de instrumenten leiden naar een ventilatiesysteem waarmee de lucht wordt aangevoerd om de sirenes in werking te stellen. Dat gebeurt bij het repeteren van de compositie van Martijn Padding, waarin met een lang glissando de sirenes aanzwellen. Een stofzuiger is te horen, het diepe keelgeluid van ruziënde katten, een saxofoon. Langzaam dreigend klinken de sirenes, alsof het helemaal verkeerd gaat aflopen. De intonarumori vallen in, met hun krakende rumoer. Helmholtz en Russolo vinden elkaar alsnog, op de zolder van een oude fabriek.

Meer over