De elite moet zijn taak weer op zich nemen

De culturele, politieke en journalistieke elite van Nederland vertoont een verontrustend gebrek aan innerlijke overtuiging, meent Michaël Zeeman. Alleen een zelfbewuste elite kan ons bevrijden van het gevoel van apathie waaraan we collectief ten prooi lijken....

ER hangt een geest van malaise in de grote Nederlandse culturele instituties. Ze doen hun werk nog, dat wil zeggen: zij doen in grote trekken ogenschijnlijk nog wel waar ze ooit voor werden opgericht, maar het is alsof zij dat louter nog doen vanuit hun routine, alleen maar omdat dat nu eenmaal de gewoonte is en zij zelfs de moed niet hebben om ermee op te houden of een nieuw élan te ontwikkelen of desnoods maar iets geheel anders te gaan doen.

Het lijkt zelfs wel of zij het gevoel van neerslachtigheid, de toestand van slapheid, gebrek aan kracht en bloei die zij aan de dag leggen, moedeloos hebben geaccepteerd en lusteloos zitten te wachten op een dramatische verlossing.

Ofschoon ik de indruk heb, dat die geest niet uniek is voor die culturele instituties, zal ik me hier beperken tot het bespreken van drie van die instituties, om de simpele reden dat ik die het best ken: de krant, de televisie en de universiteit. Daar werk ik namelijk voor en dat doe ik voor alle drie al geruime tijd. De poging niet alleen maar te signaleren waar de verlammende verwarring in die instituties uit bestaat en waar ze door veroorzaakt wordt en de poging haar te duiden is dus niet belangeloos en is in zekere zin zelfs te lezen als een inventarisatie van eigen falen. Dat kan op het moment dat mij een prijs wordt toegekend voor mijn verdiensten vermoedelijk geen kwaad.

Al meer dan tien jaar geef ik aan de Universiteit van Amsterdam gedurende een of twee trimesters per jaar een cursus aan letterenstudenten in hun laatste studiejaar, die een deftige naam heeft maar waarvan de praktijk neerkomt op het leren lezen en schrijven aan jonge mensen. De bedoeling is dat ik die jongelui kritisch leer lezen en vervolgens uitleg hoe je daar een leesbaar, betekenisvol en waarderend stuk over kunt schrijven. Ik vertel ze, met andere woorden, iets over mijn eigen werk en probeer dat werk in historisch, theoretisch en cultureel perspectief te plaatsen.

Gaandeweg is die cursus verworden tot een soort remedial teaching en het oplossen van de opvoedingsproblemen die de Noord-Hollandse burgerij voor zich uit heeft geschoven. Ik haal geduldig en streng de spelfouten uit de stukken die zij voor mij moeten schrijven, probeer hun invallen en anakoloeten tot zinnen om te vormen, verleid ze ertoe de boeken waarop ze moeten reageren metterdaad en binnen redelijke termijn te lezen, hun stukken op tijd in te leveren en liefst ook op tijd te komen voor onze werkcolleges, liever niet zonder bronvermelding hele lappen tekst over te schrijven van het internet en met een, als het enigszins kan, zinnig en verdedigbaar betoog te komen.

Begrijp mij goed: het gaat mij er niet om mij bij het koor te voegen van klaagzangers over het onderwijs, meer in het bijzonder het academische onderwijs in Nederland. Ik geloof niet dat studenten gedurende de tijd van mijn leven meetbaar dommer, luier en ongeïnteresseerder zijn geworden. Vanuit evolutionair perspectief lijkt mij dat een onhoudbare stelling.

In het algemeen blijken die studenten binnen een paar weken bovendien goed in staat aan hun verplichtingen te voldoen, het gezanik over de werkdruk te staken en het Nederlands behoorlijk onder de knie te krijgen. Het ligt niet aan hen, het ligt bovenal aan hun opvoeding tot schuldeloosheid en levensblijheid en aan het beroerde onderwijs dat ze hebben genoten, op de lagere school, op de middelbare school en op de universiteit.

En het ligt aan de omgeving die hun onderwijs aanbiedt, een omgeving die verscheurd lijkt door grote twijfels aan wat zij uit moet richten en waartoe dat zou kunnen leiden. (. . .

'U krijgt een groep van honderd ongeïnteresseerde anglisten voor u', schreef een functionaris van de Rijksuniversiteit Utrecht mij verleden week, toen zij mij vroeg die studenten iets te komen uitleggen. 'Weet waar je aan begint', zei de decaan van de letterenfaculteit die mij ooit uitnodigde bij hem te komen werken, 'ze weten niks, ze kunnen niks en ze willen niks'. Dat waren de studenten die de betrokken docenten soms al enkele jaren college hadden gegeven. (. . .)

De reactie op ergernis over de gang van zaken aan de universiteit richt zich steevast op de dramatiek van de presentatie en op zonderlinge vormen van didactiek, maar ze gaat de fundamentele vraag, namelijk wat willen we onderwijzen, waartoe en hoe, stelselmatig uit de weg. Ze accepteert op een apathische en fatalistische wijze kennelijke sociaal-culturele veranderingen en bezint zich niet op de vraag wat ondanks al deze ontwikkelingen haar plicht is.

In de praktijk van het academisch onderwijs zijn docenten in de weer foefjes te verzinnen om hun colleges voor zichzelf en hun publiek draaglijk te houden, beraden zij zich op uitvluchten om te vermijden dat hun studentenaantallen of hun productie-score teruglopen, en niet op de vraag wat zij hun studenten minimaal moeten meegeven. (. . .)

In een fraai artikel in NRC Handelsblad van afgelopen zaterdag heeft Willem Otterspeer - universiteitshistoricus én hoogleraar - erop gewezen dat het ontbreken van een leidende gedachte volslagen versplinterd onderwijs heeft opgeleverd. Wij leveren studenten af die her en der ingelicht zijn over uiteenlopende, vaak kleinschalige onderwerpen. Leuke onderwerpen, vooral. In hun kennis ontbreekt iedere samenhangende gedachte, iedere poging tot ordening, ieder spoor van ernstige zinverlening aan die kennis.

Als ik mijn vierdejaars studenten vraag de grote culturele episoden van de westerse geschiedenis in de juiste volgorde op een tijdas te plaatsen, blijft het grootste deel van hen in gebreke. Wanneer de Verlichting was en of die voor de Romantiek was of na de Barok, zij kunnen het niet vertellen, hoe goed zij ook op de hoogte zijn van de manier waarop koffie in de westerse wereld is geïntroduceerd.

Het ontbreken van die ordeningszin, van de samenhang, is het gevolg van een vinnige academische twijfel en een volslagen gebrek aan verantwoordelijkheidszin. De academische twijfel is net zo lang tekeer gegaan over, bijvoorbeeld, de samenstelling van de literaire canon, dat de canon verdwenen is. Het gevolg is dat er geen sleutelteksten meer zijn die alle studenten kennen en er dus nergens meer aan te refereren valt: er is geen gemeenschappelijk referentiepunt meer. Sommige studenten Nederlands denken dat Max Havelaar een pittige koffie is, anderen kennen de film en enkelen hebben een poging gedaan het boek te lezen. Over literatuur valt op die manier niet meer te praten.

Op zichzelf is die academische discussie intellectueel interessant, al geloof ik niet dat je mensen die nog niets hebben gelezen ermee moet lastig vallen. De narigheid begint echter bedreigend te worden wanneer die academische twijfel gaat interfereren met zelftwijfel, met het ontbreken van de innerlijke overtuiging waarom wij dit alles ondernemen. Om die twijfel van een maatschappelijke elite, een politieke zowel als een culturele, gaat het mij. Het is die twijfel die, meen ik, op dit moment ook zorgt voor de ontwrichtende en in mijn ogen zelfs gevaarlijke vormen aannemende politieke verwarring.

Wat voor de universiteiten geldt, geldt a fortiori ook voor de belangrijkste media, de krant en de televisie. Ik geloof niet dat een land als Nederland het zonder publieke omroep kan stellen. Er is een televisiezender nodig die het tot haar taak rekent kijkers te informeren op een wijze die in beginsel betrouwbaar is en die door andere motieven dan die van winstbejag wordt gedreven.

Die betrouwbaarheid ontstaat niet op grond van een gedefinieerde of opgelegde objectiviteit, laat staan vanwege autoriteit, maar ze kan wel worden bevorderd door het polyfone gesprek tussen onafhankelijke mensen en instituties te tonen. In dat gesprek, dat principieel verschillende meningen laat horen, verschillende technieken van afweging laat zien, komt misschien een beeld naar voren dat draaglijk en niet a priori vooringenomen is of bedoeld om particuliere belangen te bevorderen.

De eerste opdracht van iedere regering is het de zwakken tegen de sterken te beschermen en niet de meeste good will te verzamelen. Dat beginsel geldt ook voor een instelling als de publieke omroep. Daar kan je vervolgens eindeloos op nuanceren, maar als de publieke omroep louter nog bestaat om het gevecht aan te gaan met de commerciële omroepen om de gunst van het getalsmatig sterkste publiek, verzaakt zij haar verantwoordelijkheid.

Dezelfde twijfel en dezelfde apathie die de universiteiten lijken te hebben bevangen hebben zich meester gemaakt van de verantwoordelijke elites bij de televisie. Niet wat belangwekkend, ontroerend, interessant of domweg goed gemaakt is, heeft prioriteit bij de programmering, maar wat vooraf op een groot publiek kan rekenen - en wat een groot publiek wil, weten ze bij de commerciële omroepen het best.

Het is de twijfel van elites aan zichzelf. Vanzelfsprekend geloof ik niet dat de smaak van die elites de enig juiste is, zomin als ik geloof dat die elites eenduidig zijn of hun meningen eensluidend. Nederland is een sterk geëgaliseerd land met ver doorgevoerde democratie in zijn instituties. Maar zelfs binnen geëgaliseerde en gedemocratiseerde instituties moet zo nu en dan iemand de verantwoordelijkheid durven nemen, een zekere dapperheid durven opbrengen. En dat is niet de dapperheid die de huidige staatssecretaris voor mediazaken opbracht toen hij besloot de benoemingen in verantwoordelijke posities bij de publieke omroep voortaan alleen nog maar op partijpolitieke gronden te verrichten waardoor de greep van de politiek op de omroep inmiddels de ambities van Berlusconi voorbij heeft gestreefd.

Wat voor de omroep geldt, geldt voor de kranten, zeker voor de krant waarvoor ik werk, de Volkskrant. Het is een ramp dat alle belangrijke Nederlandse kranten inmiddels in handen zijn van een enkele uitgeverij, PCM, een uitgeverij die kranten in toenemende mate uitsluitend nog ziet als middelen om winst te maximaliseren.

In een serieuze democratie is het open en competitieve gevecht tussen kranten onontbeerlijk; hoe vitaal zij zijn voor de meningsvorming, toont het Srebrenica-rapport andermaal aan. Dat kan niet gebeuren wanneer hun uitgevers hun belangen opleggen aan de redactie en die redactie in zichzelf verscheurd is over wat haar te doen staat.

Kranten dreigen in toenemende mate louter en alleen volgend te worden in hun beleid en deinzen terug voor het nemen van initiatieven, hetzij van ideologische, hetzij van culturele aard. Ook op krantenredacties wordt veel gepraat over koers en keuze, maar tot beslissingen leiden die discussies nauwelijks. Het zijn inmiddels altijd de verkiezingsonderzoeken en de lezersonderzoeken die de koers bepalen.

Het gebrek aan innerlijke overtuiging bij de culturele, politieke en journalistieke elites creëert inmiddels een beklemmend vacuüm - het is de malaise waar ik het in het begin over had. Het is dat vacuüm waarin de populisten springen, of dat nu de politieke of de culturele populisten zijn. Ik meen dat zich nooit eerder in de Nederlandse geschiedenis een dergelijk vacuüm heeft voorgedaan - ik meen ook dat de Nederlandse geschiedenis een geduchte bron is van voorbeelden en voor argumenten om die vertwijfeling te overwinnen en die verantwoordelijkheden te nemen. (. . .)

Hoe graag de democratiseringsgolf zichzelf ook als synoniem zag aan een egaliseringsproces, de werkelijkheid is een stuk weerbarstiger. Geen samenleving zal het ooit zonder elites kunnen stellen en wie dat uit schaamte of twijfel probeert te verheimelijken, richt een ravage aan. Het is die ravage die inmiddels ontstaat achter de vertrouwde gevels van de instituties. (. . .) Of het nu gaat om de canonvorming in het onderwijs, de rol van de krant in de democratie of de culturele functie van de televisie, de zelftwijfel slaat wild om zich heen.

Er loopt door de Nederlandse geschiedenis een lijn van versterking van de volkssoevereiniteit, van de relatieve autonomie van burgers en groepen enerzijds, en van centrale verantwoordelijkheid anderzijds. Tegenover de tendens tot democratisering en egalitarisering stond lange tijd het plichtsbesef van een elite, soms zelfbenoemd, soms ontstaan, soms benoemd.

De tijd heeft de wijze waarop die elite tot stand komt vanzelfsprekend beïnvloed: Johan van Oldenbarneveldt verwierf zijn positie op een volslagen andere manier dan Hans van Mierlo, P.C. Hooft op andere gronden dan Matthijs van Nieuwkerk, Johan de Witt anders dan Wim Kok. Maar dat neemt niet weg dat die elites er zijn en dat hun positie verplichtingen en dus ook verantwoordelijkheid met zich meebrengt.

Een diep en doorleefd besef van de tradities van de longue durée van de Nederlandse cultuurgeschiedenis kan naar mijn oordeel helpen bij het overwinnen van dat gevoel van apathie dat de culturele elite in zijn greep lijkt te hebben - en bij het maken van een begin met het opnieuw opbouwen, nee, niet het restaureren, van het gebouw achter de façades van de instituties.

Dit is de bekorte tekst van de dankrede die Michaël Zeeman donderdag uitsprak na het in ontvangst nemen van de Gouden Ganzeveer 2002, een prijs van de Academie De Gouden Ganzenveer. De prijs is bestemd voor Nederlanders die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de geschreven Nederlandse cultuur.

Meer over