De eindtijd onthuld

Kunstenaars van het fin-de-siècle geloven niet in een goede afloop. In Düsseldorf en Amsterdam tonen zij de verzoekingen van de wetenschap, de ondergangstaferelen van de Tsjernobyl-apocalyps....

In zijn troosteloze en sombere gezangen van Maldoror, met name in de vijfde zang, vertelt de negentiende-eeuwse schrijver en dichter Isidore-Lucien Ducasse, de comte de Lautréamont, hoe men er - ondanks de vele dierlijke curiositeiten in het boek - toch nog niet in slaagde 'op de rug van een levende rat de afgesneden staart van een andere rat te enten'. Hij schreef het in 1869.

Het is een boek over bizarre gedaanteverwisselingen, vol giftige bladzijden over griezels en vampieren die gretig door de surrealisten werden gelezen. De verschrikkingen die ons te wachten staan, zijn hallucinant. 'Probeer dus op dezelfde manier de verschillende wisselingen van mijn kadaverachtig verstand op uw verbeelding over te brengen', schrijft Lautréamont - alsof het de verzoekingen van de heilige Antonius waren, of de monsters van Goya. 'Maar wees voorzichtig. Op het ogenblik dat ik schrijf, gaan er nieuwe huiveringen door de intellectuele atmosfeer; het gaat er slechts om, of men de moed heeft ze in het gezicht te zien.'

Het klinkt als een apocalyptisch visioen. Happy End, Zukunfts- und Endzeitvisionen der 90er Jahre in de Düsseldorfse Kunsthalle toont ons die verschrikkingen. Het Griekse apokalyptein betekent 'ontdekken', 'openbaren' of 'onthullen'. Dat is waartoe Lautréamont zijn lezers opriep: probeer de wisselingen van mijn kadaverachtig verstand op uw verbeelding over te brengen. De kunstenaars in Düsseldorf openbaren of onthullen de eindtijd.

Onlangs baarde een nietige muis opzien. Ze droeg op haar rug een echt menselijk oor - het visioen van Lautréamont. Het surrealistisch diertje was een genetisch kunstwerk uit het laboratorium van de gen-manipulatoren, een modern monstertje van Frankenstein: een beetje muis en tegelijk toch ook een beetje mens. Zo'n geprepareerd gedierte, waar de wetenschap een oor aan heeft genaaid, zou een mooi curiosum kunnen zijn in het rariteitenkabinet op de expositie Happy End of in Hybrids in het Amsterdamse kunstcentrum De Appel. Je krijgt er dergelijke geprepareerde misfits te zien, monsterlijke fenomeentjes in vitrines. De tentoonstelling in De Appel maakt het zelfs mogelijk op een computerscherm je eigen monster te creëren.

Thomas Grünfeld maakt zulke 'dierencollages', hazen met kippepoten, honden met eendekoppen of muizen met een menselijk oor, waarvan enkele exemplaren in zowel Amsterdam als Düsseldorf zijn te zien. Het zijn imaginary beings. Vroeger zag je zulke misbaksels op kermissen, of ze maakten deel uit van rariteitenverzamelingen. In het tijdperk van de gen-manipulaties of gewilde identiteitswisselingen - je als mens laten ombouwen - tonen Grünfelds mutaties ons de huiveringen waarover Lautréamont sprak, de gedaanteverwisselingen.

De aarde waggelt als een beschonkene, zegt de profeet Jesaja. Aan het eind van de eeuw en bij het begin van het derde millennium, in een tijd van onbegrensde technologische mogelijkheden, schommelt de aardbol meer dan ooit. Hij kantelt. Volgens de onheilsprofeten van de Tsjernobyl-generatie, waarvan de kunstenaars van Hybrids en Happy End deel uitmaken, is de Jongste Dag aangebroken.

Bijna dertig kunstenaars tonen in de Kunsthalle hun 'diffuse angsten'. Happy End is een ietwat macabere expositie van bizarre ingrepen, sombere toekomstvisioenen en apocalyptische hallucinaties. Op een groot scherm wordt de toeschouwer als het ware meegezogen in een tunnel zonder einde. De video van Peter Fischli en David Weiss toont ons niet het einde der tijden maar de idee 'dass es kein Ende mehr gibt, dass es kein Ende mehr geben wird'. Het is een tentoonstelling van de monstrueuze 'virtuele' werkelijkheid.

Het jongetje van Charles Ray, een winkelpop met lakschoenen en in een ordinaire outfit, is triviaal en 'ontmenselijkt'. De klonen van Dieter Huber zijn door de computer vervaardigde genetische manipulaties. Het is allemaal sophisticated, glad en koel. De portretten van Gerhard Lang, verdierlijkte mensenkoppen, schrikken je af. In een glazen huls staat het zelfportret van Marc Quinn, die ook in Amsterdam exposeert: een afgietsel van zijn hoofd, gevuld met viereneenhalve liter ingevroren bloed van de kunstenaar. Happy End, maar ook Hybrids met zijn science fiction en horror, is een verzameling 'cybernetische organismen', cyborgs, kruisingen tussen mensen en computergestuurde machines .

De kunstenaar van het fin-de-siècle, anno 1996, is een sobere 'decorateur des Untergangs'. Hij of zij toont de angstaanjagende verzoekingen van de wetenschap en de ondergangstaferelen van de Tsjernobyl-apocalyps met weinig theatrale franjes. Met grote nuchterheid, helemaal anders dan romantici of Weense ondergangsfilosofen, laten de kunstenaars in de Kunsthalle desolate landschappen 'na de ondergang van het mensdom' zien. Tim Heads 'petrochemische landschappen' zijn tergend onmenselijk en ijskoud. De verwoeste fabrieksterreinen van Willie Doherty zijn maanlandschappen, waar alleen nog afdrukken herinneren aan een reeds lang uitgewiste geschiedenis of aan een of ander voorval uit de tijd toen er nog mensen leefden.

Je hoort in Düsseldorf in een aparte zaal een stem uit het hiernamaals opklinken, misschien wel de stem van de klopgeesten. Geneviève Cadieux maakte een installatie, een glazen sarcofaag met luidsprekers die de dood ten gehore brengen. Misschien is het de laatste stem, het laatste woord dat nog menselijk in de oren ruist. Maar wellicht is het ook een afscheid, een murmelend wegzakken in de vergetelheid. Want de mensheid is maar een ademstoot in het licht van de eeuwigheid, heeft Friedrich Nietzsche ooit gezegd. Waarom ook zou de natuur een grotere voorkeur hebben voor de mens dan indertijd voor de ichthyosaurus, de vishagedis, of de dinosaurus? De eindtijd dus, het 'happy end'.

'Ich lebe in dem Untergang und wohne in bedrohten Räumen', dichtte Karl Kraus, de grote criticus van het Wenen van rond de eeuwwisseling. Alles in het Wenen van het fin-de-siècle was in de ogen van de azijnige Kraus Schaustellung. De keerzijde, 'die andere Seite', was grauw. In het werk van veel jonge kunstenaars herken je diezelfde wrange satire. Ze dwepen met de eindtijd. Van nostalgie is hier geen sprake. Het zijn ook geen cynici, maar nuchtere types. Hun werken zijn metaforen, uiteraard, denkoefeningen over de onvermijdelijkheid van de ondergang.

Het menselijk lichaam is onderworpen aan de terreur van de techniek, zeggen de meeste kunstenaars. Het is de demiurg en de demon van de 21ste eeuw. Niemand ontkomt aan die veranderingen, aan 'das Ende der Dinge' - het laatste hoofdstuk van Happy End: de morgue die Andres Serrano fotografeerde, de verkoolde lichamen, of de doodsstrijd van een aids-patiënt in het werk van Nan Goldin.

Gelukkig is het verschil tussen herenzakdoeken en dameszakdoeken, geruit of met kant erlangs, eindelijk opgeheven, schrijft Karin Spaink in haar inleidend essay bij het door De Balie gepubliceerde Cyborg-manifest, 'sinds wij allen in papier snuiten'. Het is maar één van de vele verworvenheden van de moderne vooruitgang. Zulke uitvindingen of ingrepen maken het leven aangenamer, vooral apparatuur en preparaten als brillen, contactlenzen, kunstgebitten, gehoorapparaten, bypasses, 'plastic tussenschotjes in coke-neuzen', heupen van kunststof, een stoma, metalen hartkleppen, plastic aders, een pacemaker, een tweedehands nier, siliconenborsten en andere hulpstukken, een automobiel of een portofoon.

Of het nu een stukje papier is of een kunstmatig verlengde penis, 'het verandert de wereld', meent Spaink. Of het brengt het einde der tijden in zicht - een item dat aan het eind van het millennium bij veel kunstenaars een buitengewone metaforische zeggingskracht blijkt te hebben.

Timothy Leary, de onlangs overleden hogepriester van het verruimde bewustzijn en 'moderne suikerbakker' van lsd-snoepgoed, heeft naar verluidt kort voor zijn dood nog schikkingen getroffen 'voor een laatste trip in de ruimte'. Hij wil in de atmosfeer worden begraven. Samen met de stoffelijke resten van Gene Roddenberry, schepper van Star Trek, wordt zijn as in een capsule meegenomen, die aan de laatste trap van een stuwraket wordt bevestigd. Het is het gedroomde einde - een 'Zukunfts- und Endzeitvision', de laatste trip. Hun as komt terecht in de atmosfeer en gaat daar in vlammen op. Het is een happy end.

De kunstenaars in de Kunsthalle geloven niet in een goede afloop. 'Exit humanity', schrijft Doreet LeVitté-Harten in de expositiecatalogus. '. . . And then there was none. . .' Düsseldorf haalt het jaar 2000 niet.

In 999, aan de vooravond van het toen angstaanjagende jaar 1000, dacht een deel van de mensheid dat het einde in zicht was. Wie geld had, gaf het aan de armen. Schulden werden kwijtgescholden. In Rome en andere heilige plaatsen wemelde het van de penitenten. Niet vermoede ontrouw werd bekend en stropers verontschuldigden zich bij hun heer. Misdadigers werden uit de gevangenis ontslagen en bedelaars kregen ongebruikelijke aalmoezen. Massaal ontvingen de kerkgangers de absolutie. Iedereen wachtte het noodlottige begin van de Jongste Dag af, het einde van de wereld.

De Sint-Pieter in Rome liep vol. De klok sloeg het noodlottige twaalfde uur en toen keerde paus Sylvester II zich om en zei 'dat het voor een andere keer was'. De gelovigen zongen het Te Deum. Schuldeisers herinnerden zich wie nog schulden had, misdadigers werden weer gevangen gezet en de bedelaars werd ontnomen wat ze hadden gekregen.

Zo begon het jaar 1000.

Happy End, Zukunfts- und Endzeitvisionen der 90er Jahre, tot en met 6 juli in de Kunsthalle Düsseldorf.

Hybrids, tot en met 18 augustus in De Appel in Amsterdam.

Meer over