De Dood van de Roman, de auteur en nog zo wat

Toen ik naar de middelbare school ging was de Roman al dood. De jonge, enthousiaste leraar Nederlands die probeerde bij te blijven op zijn vakgebied, had dat net, via via vernomen....

Ook de auteur: wijlen. Het subject als zodanig: voorbij, officieel gestorven. Dit laatste nieuws bereikte mij in de laatste klas van het gymnasium en ik kan me de verwondering herinneren, dat ik uberhaupt in staat was droefenis te beleven aan het verscheiden van mijzelf.

Ondertussen werd er wel degelijk gelezen, Hermans, Reve en natuurlijk Hannes Meinkema. Dat waren de Grote Drie in die tijd. Nadien schoolde ik mij in de filosofie, een discipline die met een satanisch genoegen telkens maar weer haar eigen failliet verkondigde, het ene na het andere. Bij de zoveelste, met veel bombarie aangezegde crisis begon het mij te dagen, dat dit catastrofe-denken genoot van haar eigen zwartgalligheid. Zo veel rampspoed in één familie, het was gewoon niet meer normaal.

Maar het begon op te vallen dat uitsluitend filosofen vonden dat de filosofie haar einde was genaderd. De rest van de wereld draaide door alsof er niets gebeurd was, en ook de filosofen zelf haastten zich, om telkens maar weer hun eigen overbodigheid te onderstrepen, in vuistdikke boeken, die je natuurlijk, als Dood Subject, wel geacht werd te lezen. Peter Schat heeft die hele lichting doemdenkers ooit samengevat als de 'treurgeneratie'. Na Auschwitz geen poëzie, die richting - en dat dan weer het liefst poëtisch verwoord.

Onderhand mag ik stellen, dat ik getraind ben in het overleven van de dood. Alles waar ik liefde voor begon op te vatten, was al weer voorbij voordat ik het had kunnen aanraken. In die zin heb ik mijn leven lang vooral lijken uit de kast getrokken, kadavers uit sloten gevist, en dat met een halsstarrigheid die bijna weer een bevestiging is van het leven zelf. Mijn hele generatie: geboren necrofielen.

'De literatuur', schrijft P.F. Thomése over het werk van zijn collega's Palmen, Giphart, Brusselmans, 'is in deze benadering niet langer een superieure uitdrukkingsvorm: zij conformeert zich aan datgene waartegen zij zich voorheen verzette: de onnauwkeurige taal, de voor de hand liggende observatie, de onbezielde visie. Het is mededelingenproza, niet van schrijvers, maar van opschrijvers.'

Wessel te Gussinklo valt zijn vakbroeder bij: 'Doelgroepenproza zonder tanden, zonder iets gewaagds of verrassends. (...) Je zou het zelf geschreven kunnen hebben, zo herkenbaar. Het juiste publiek is gevonden - de nieuwsgierigen naar het platteland van hun eigen gevoelens.' Dat van dat platteland is mooi bijtend gezegd, vind ik. Zou het trouwens minder erg zijn als het 'nieuwsgierigen' waren 'naar het stedelijk gebied van hun eigen gevoelens'?

In ieder geval krijgt hier niet langer de roman as such de wacht aangezegd: alleen de slechte romans moeten het ontgelden. De Auteur, hij leve hoog, maar de broddelaars, de schrijvers die er volgens Thomése en Te Gussinklo met de pet naar gooien, die mogen verdwijnen. 'Unsere Leichen leben noch' - en ze concurreren om het hardst.

Tweede pluspunt: hier wordt de dood van de Ander aangekondigd, en op de een of andere manier klinkt dat geloofwaardiger (ook doorzichtiger, trouwens) dan de geproclameerde dood van jezelf. Martin Heidegger zou er niets van moeten hebben, want die vond dat we vooral onze eigen dood moesten 'denken' - die van de anderen, daar zat hij, zoals bekend, minder mee.

U zult het begrijpen: Martin Heidegger (mh) is voor mij altijd geweest als Harry Mulisch (hm): heel belangrijk, uiteraard - maar hoef ik hem alstublieft niet te lezen. Overigens: ik denk niet dat er een schrijver is die over zichzelf zal beweren dat hij hartstochtelijk gelooft in 'de voor de hand liggende observatie' of in de 'onbezielde visie'. Dat zijn altijd de kwalificaties die anderen je toedichten, al dan niet terecht. En consequent doorgeredeneerd: zou het juist niet uitermate 'gewaagd' en 'verrassend' zijn, wanneer Te Gussinklo, tegen zijn eigen overtuigingen in, gegrepen werd door een boek 'zonder tanden, zonder iets gewaagds of verrassends'. Daar gebeurt pas echt iets onverwachts.

Al die ex cathedra verklaringen over de Roman, het Schrijven et cetera hebben een aantal nadelen, waarvan ik er twee wil noemen:

A Ze klinken hol, met het volle pathos van het gemakkelijke, herkenbare meervoudsspreken, waartegen de auteur zich juist wilde verzetten.

B Ze zijn zo transparant als een babydoll.

Het is reclame voor het eigen schrijven, de eigen visie, ook wanneer voor de vorm van de anti-reclame is gekozen: de kritiek. Als Thomése schrijft over zijn afkeer van 'reclame, journalistiek, onderwijs, politiek', is dat een verholen manier van reclame maken. 'Lees Thomése', zegt Thomése, 'want ik ben tegen reclame.'

Nog een praktijkervaring uit het doodverklaarde gebied van de roman, van de schrijver, ja zelfs van de psychologie. Eerst dit: in liefde-is-voor-vrouwen.nl (reclame!) is Samuel aan het woord, een hyperbewuste hoe-kom-ik-over-man die ieder weekeinde een vrouw probeert te versieren en tegelijkertijd een grote, bijna kinderlijke verering heeft opgevat voor zijn vriend William.

Dat wringt, want hoe zelfbewust kun je iemand laten zijn, zonder dat hij die blinde vlek van zichzelf in de gaten krijgt? Net toen ik daarover peinsde, ontving ik een mail van Lex & Petra: 'De Samuel van het begin is een volwaardig, volwassen persoon. Beetje bewust in de omgang, maar wie is dat niet. Versieren doet een mens nu eenmaal niet achteloos. Maar zodra Samuel over zijn vriend William nadenkt, oogt hij naïef en kritiekloos - een puber, niet ouder dan 16.'

Dit is, wat ik een oortjes-ervaring zal noemen. Op de tv hebben correspondenten die dingen in, zo onzichtbaar mogelijk. Maar nu kreeg ik dingen toegefluisterd die ik net zat te bedenken. Gelijktijdig, als in een tango!

Dit sprookje gaat nog verder. 'Kan het zo zijn', peinzen Lex & Petra, 'dat Samuel wel degelijk weet, dat William een destructieve invloed op hem uitoefent? Dat hij begrijpt een gevaarlijk spel te spelen? De wijsheid gebiedt hem te stoppen met de vriendschap, maar hij wil niet wijs zijn. Hij hoopt William te veroveren, zodat William ooit net zo onder de indruk van hem is als hij van William.' 'Maar dit is allemaal interpretatie', schrijven ze er verontschuldigend achteraan.

Nee, dit is geweldig, dit is de overwinning op de dood van de roman, de auteur en het subject in één klap.

Een papieren figuur, opgebouwd uit wat zinnen en interpunctie-tekens, die tot in het hoofd en het hart van de lezer doordringt alsof het de eigen familie is, of toch in ieder geval de eigen, dierbare onbekende.

Als dat de dood is, kan ik er goed mee leven.

Meer over