De dood van de droom

HET LEVEN in de sertao, de door periodieke droogten geteisterde streek in het noordoosten van Brazilië, mag voor gewone stervelingen een verschrikking zijn, voor schrijvers als Joao Guimaraes Rosa en Graciliano Ramos is het een goudmijn....

Antonio Torres (1940) is ook een sertanejo en wie zijn roman Dit stuk grond gelezen heeft, zal moeten toegeven dat hij nauwelijks onderdoet voor zijn illustere voorgangers. Geografisch middelpunt van het boek is Torres' geboortedorp Junco, een van God verlaten oord, dat bijkans dreigt te verdampen in de hitte. En als het er al eens regent dan valt het water in bakken uit de hemel en stroomt het hele gebied onder. Het gros van de bewoners heeft dan ook maar één wens: vertrekken, het liefst naar Sao Paulo.

Uit deze poel van ellende licht Torres het verhaal van iemand die de gok heeft gewaagd en naar Sao Paulo is gegaan. Twintig jaar verbleef hij daar, Nelo Cruz, één uit een gezin van twaalf kinderen, en nu keert hij terug naar Junco. Voor het eerst ontmoet hij zijn jongere broer Totonhim, de ik-persoon van het boek.

Iedereen denkt dat Nelo miljonair is en dus gelukkig. De schijn bedriegt: na enkele weken hangt hij zich op. In zijn portefeuille vindt men doktersrecepten, foto's en loterijbriefjes, maar geen geld. Nelo bleek volledig aan de grond te zitten. De lezer kent de tragische afloop al na een kleine twintig bladzijden, maar de kracht van Dit stuk grond zit niet zozeer in deze en andere 'feiten' als wel in de wijze waarop de oorzaak van het gebeurde en de consternatie van de familie worden vertolkt.

Aan de hand van de overpeinzingen van Totonhim spint Torres een doorwrocht web van voorvallen, geheugenflarden en dialogen uit het leven van Nelo en zijn familie. Aanvankelijk doet deze opzet wat ondoorgrondelijk aan. Perspectiefwisselingen en soms abrupt veranderende werkwoordstijden maken het de lezer niet altijd even gemakkelijk. Maar ten slotte blijken alle fragmenten voorbeeldig in elkaar te passen.

Het knappe van Torres is dat hij met zijn ironische, ogenschijnlijk lichtvoetige stijl geleidelijk een familiedrama van jewelste blootlegt. Zijn vormgeving is subliem. Als de onderlinge spanningen na Nelo's dood toenemen, voert hij het vertelritme navenant op. Het laatste hoofdstuk lijkt haast in trance geschreven, zo overrompelend is Totonhims relaas.

De perikelen van de familie Cruz hebben alles te maken met de tegenstelling tussen stad en platteland (een geliefd thema in de sertao-literatuur). Moeder Cruz wilde een betere toekomst voor haar kinderen en toog naar de dichtstbijzijnde stad. Vader Cruz bleef achter en verloor zijn bezittingen. Moeder redt het niet en draait door, vader Cruz behoudt ondanks alles nog een zekere morele waardigheid en timmert eigenhandig de doodkist voor Nelo.

Met Dit stuk grond pleegt Torres, zogezegd, literaire vivisectie op een willekeurige sertanejo-familie - wat op zichzelf uiteraard een ongelooflijke creatieve verrichting is -, maar hij brengt daarnaast een immens maatschappelijk probleem onder de aandacht: de leegloop van de sertao.

In een nawoord wijst Willemsen op het desastreuze effect van Nelo's zelfmoord op de achterblijvers: 'Wanneer (. . .) de persoon die zijn droom volgde, die wegging, terugkeerde en zich het leven benam, dan was dit de dood van de droom van alle mensen.'

Dromen, vertrekken, achterblijven, je verdriet verdrinken of je geld opmaken aan kansspelen, de familie Cruz kent alle uitvluchten voor de hel op aarde. Maar wat moet zij anders? 'Iedereen heeft gelijk. Het is de wereld die niet deugt', merkt de geestelijk ontspoorde moeder Cruz aan het slot trefzeker op.

Meer over