De dominee van weleer

David Bos onderzocht de plaats van de predikant in de negentiende-eeuwse samenleving. Een goudmijn waren gedichten en novellen uit hun nalatenschap....

EEUWENLANG hebben ze tot de vaste elementen in de mise-en-scène van onze cultuur behoord, de dominees. Zoals er in dit deel van de wereld geen dorp is zonder een kerk, ja, het silhouet van een verzameling gebouwen pas 'dorp' heet wanneer er een kerktoren uit oprijst, zo hebben de mannen die iedere zondag in die kerken de taak hadden als voorganger op te treden vanaf de zeventiende eeuw een centrale rol gespeeld in de Nederlandse cultuur en samenleving. Voorgangers, inderdaad, herders en leraren, en even later, samen met de dokter en de notaris, zelfs 'drievuldig beeld van al wat wijs en waar is' - desnoods in het broederlijk gezelschap van 'het klerkje dat vandaag wat vroeger klaar is'.

Maar die rol is niet altijd dezelfde geweest en in cultuurhistorisch opzicht vanaf de Dordtse Synode tot die van Lunteren zeker niet altijd dezelfde gebleven. Zoals talrijke van die kerkgebouwen, volgens de eigenaardige wetten van de architectonische transsubstantiatie, werden veranderd in tapijthallen, toneelzalen en appartementencomplexen, zo veranderde ook de rol van de dominees - totdat ze in onze tijd bijkans was uitgespeeld. De dominees van weleer, ze leven hooguit nog voort in anekdoten, uitdrukkingen, poëziebloemlezingen en in het leger hunner zonen dat zich vandaag de dag manifesteert in de seculiere varianten van hun vaders beroep, de journalistiek, de kleinkunst en de literatuur.

Wie geneigd is het verleden te beoordelen vanaf het eiland van nu, spreekt gemakkelijk met een zekere meewarigheid en zelfs met dédain over die dominees en hun plaats in onze cultuurgeschiedenis. Dat brengt altijd een valse voorstelling van zaken met zich mee en dikwijls impliceert het niet alleen een beoordeling, maar ook een veroordeling. Het werkelijke belang van die dominees raakt dan zoek, de veranderingen die hun positie in de samenleving mettertijd onderging en de grotere culturele veranderingen die zich daarin weerspiegelen, verdwijnen onder goedkoop misprijzen en domme spotzucht.

In zijn begin april als academisch proefschrift verdedigde studie In dienst van het Koninkrijk onderzoekt de socioloog en theoloog David Bos de Beroepsontwikkeling van hervormde predikanten in negentiende eeuws Nederland. Vanaf het moment dat de pas aangetreden koning Willem I in 1815 de positie van de kerk en haar dienaren opnieuw probeerde vast te stellen en de rigoureuze maatregelen die de Bataafse Republiek dienaangaande had genomen, ongedaan maakte, tot de grote breuk in de eenheid van de vaderlandse protestantse kerk met de Doleantie van 1886 - waaruit de Gereformeerde Kerk ontstond - voltrokken zich belangrijke veranderingen in het vak van de dominee, in zijn opleiding, in de organisatie van kerk en branche en in de samenleving.

Die veranderingen wilde Bos in kaart brengen en hij wilde ze bovendien gebruiken om iets aan de weet te komen over alles wat zich achter feitelijke en gedocumenteerde ingrepen bevindt. Hij is, als een in de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek van Abram de Swaan opgeleid geleerde, geïnteresseerd in de maatschappelijke positie van de dominees, in hun status, hun aanzien, hun anders dan uit hoofde van hun beroep alleen aangenomen en toegedichte rol. Zijn sociologisch ABC leerde hij van Max Weber en het sociaal-wetenschappelijk instrumentarium voor gevorderden kreeg hij van De Swaan aangereikt - en dat is een zegen. Word je van de meeste sociologische praatjes na een uurtje nieuwe woordjes leren wel duidelijk dat je die zelf op een regenachtige middag ook nog wel had kunnen verzinnen en je er bovendien niet veel wijzer van wordt, hier is de sociologie een instrument dat de historische werkelijkheid helpt verhelderen.

Niemand heeft de vraag van David Bos bondiger en duidelijker geformuleerd dan Conrad Busken Huet, zelf opgeleid in de theologie en praktiserend dominee geweest, maar mettertijd in de journalistiek, in de literatuur terechtgekomen en dus een voorbeeld van de ontwikkeling die Bos beschrijft. In een juweel van een opstel uit 1864 over de dominee-schrijver C.E. van Koetsveld - het staat in het tweede deel van de Litterarische Fantasien en Kritieken - roept hij het onderwerp onomwonden op: 'Doch heeft er (. . .) sedert vijftig, zestig jaren, ook in onze geestelijke kringen, niet eene hoogst merkwaardige emancipatie plaats gehad?'

Het is bijna sneu voor Bos, maar Huet geeft het antwoord er meteen bij. Hij positioneert de dominee als waarnemer van 'kringen waar hij zich boven voelt staan' en als exemplarisch vertegenwoordiger van een nieuw opgekomen burgerij en een burgerlijk zelfbewustzijn. De schaduwzijde daarvan is het 'aangeboren wantrouwen ten opzigte van al hetgeen in de zamenleving tot de hoogere klassen behoort of zichzelven daartoe rekent'. In anderhalve pagina inleiding op een literaire beschouwing staat het allemaal, al het inzicht waar de onderzoeker honderddertig jaar later een polsdik boek over schrijft: er bestaat een brille van de ingeving die de schrijver onderscheidt van de wetenschapper, de kunst van de universiteit.

Het verschil zit hem niet alleen in de omvang en de gedetailleerdheid, het verschil zit vooral in de analyse en de opgaaf van redenen. Huet suggereert, Bos analyseert - en hij doet dat vorstelijk. Zo zou je willen dat meer, veel meer proefschriften gemaakt werden: overtuigende antwoorden geven op zinvolle vragen, met een waakzaam oog voor zowel het welsprekende detail als voor het weidsere perspectief, en dat alles op een aangename, onderhoudende manier opgeschreven.

Er wordt tegenwoordig door historici ijverig gecongresseerd over de ontwikkeling en karakterisering van de burgerlijke samenleving, er komt een verontrustende stroom op gang van bundels over die thematiek met plannen, beginselverklaringen en begripsbepalingen, maar David Bos heeft eenvoudig een van de kenmerkende factoren van die geschiedenis in kaart gebracht. Hopelijk krijgt hij gauw navolgers en verschijnen er vergelijkbare studies over die andere steunpilaren van de burgerlijke samenleving, de dokter en de notaris - 'voor wie de liefde zelfs zonder gevaar is' en 'geen probleem na zes te zwaar is'.

JE ZIET het al aan de inleiding op In dienst van het Koninkrijk: hier geen uitbundig methodologisch geouwehoer vol loze pretentieuze praatjes, maar een praktische verklaring van het onderwerp, de reikwijdte ervan, de afbakening in de tijd en het gekozen sociaal-wetenschappelijke perspectief. De negentiende eeuw begint voor de dominees wanneer de oorspronkelijk zo fiere, maar inmiddels gehavende Republiek een stapje terug moet doen en de achterlijke, zelfs enigszins gênante staatsvorm van het koninkrijk wordt ingevoerd. Dat nieuwe koninkrijk had baat bij een gedeeltelijke restauratie van de privileges van de protestantse kerk en haar dienaren, die hun twintig jaar eerder, bij de Bataafse Revolutie, ontnomen waren, en bovendien kon de nieuwe koning de gelegenheid aangrijpen om de inrichting van de herstelde kerk te centraliseren en onder staatsgezag te plaatsen.

De Nederlands Hervormde kerk was geboren - en het onderzoek van David Bos heeft een duidelijk gemarkeerd begin. Weliswaar treden er in de eenheid van die kerk en haar organisatie al vanaf de late jaren twintig scheuren op, het duidelijkst wanneer de Ulrumse dominee Hendrik de Cock en enkele van zijn collega's in 1834 besluiten zich aan het synodaal gezag te onttrekken en de Afscheiding een feit is, het duurt toch tot de grote, onder aanvoering van Abraham Kuyper geforceerde breuk van 1886, voor daar een duidelijk einde aan komt.

Tussen die twee jaartallen ligt een epoche, een episode uit de cultuurgeschiedenis van Nederland - en de doorwerking van die cultuur strekt zich, meen ik, zelfs tot in de jaren zestig van onze eeuw uit. Wie de domineeswereld die David Bos beschrijft van nabij kent, zal ondanks de afstand van meer dan een eeuw veel herkennen in zijn boek.

Dat is vooral een mentaliteit, een geesteshouding die zich uitdrukt in gewoonten, omgangsvormen en rituelen - tot en met manieren van oordelen en praten toe. 'Nu het af is, is het uit', schrijft Bos om een geheel andere reden in zijn nawoord, maar die kernachtige formule slaat eveneens terug op zijn onderwerp: de maatschappelijke revolutie van de jaren zestig van onze eeuw heeft een einde gemaakt aan een kenmerkende trek van de Nederlandse burgerlijke cultuur, een karakteristiek die haar honderdvijftig jaar lang haar specifieke kleur en smaak heeft gegeven.

Je kunt het ook omdraaien, en zeggen dat de professionalisering van het domineesambt, die in 1815 in gang wordt gezet, wel moest leiden tot de onttakeling ervan. Zodra het pastoraat, de 'praktische zielzorg' en de begeleiding van mensen, kerkelijke gemeenteleden, er een steeds duidelijker plaats in krijgt, niet in termen van voorbereiding op het hiernamaals, maar met het oogmerk hun huidige welbevinden te vergroten, en dus het sociaal werk onderdeel wordt van een aanvankelijk met allerlei noties van priesterlijkheid en sacraliteit omkleed ambt en daarmee van dat ambt een min of meer normaal beroep maakt, is de weg ingeslagen die uiteindelijk uitkomt bij de huwelijkstherapeut, de streetcorner werker en het

RIAGG - of, in zijn krampachtige mengvorm, bij Jacobine Geel en Huub Oosterhuis.

Professionalisering is een sociologisch begrip; wie het hanteert probeert formalisering en rationalisering van onderwijs in een bepaald vak te beschrijven en te letten op de organisatievormen van een beroepsgroep, op regels van toelating en uitsluiting. De aanstaande dominees van de negentiende eeuw werden aanvankelijk in hun oude academische rechten hersteld en liepen hun studievakken ten dele mee met de studenten van andere faculteiten. Hun curriculum bracht hun de academische deeldisciplines van oudheidkunde, letterkunde en filologie bij, maar ook heel andere vakken als logica en landbouwkunde.

De kwestie was niet wat ze daar later allemaal mee moesten, als ze van de een op de andere dag vanuit Leiden, Groningen of Utrecht in de meest afgelegen provincieplaatsjes terechtkwamen en in koeterwaals kwakende armoeiige weduwen moesten troosten, de zaak was volwaardig geschoolde geleerden af te leveren. Dat resulteerde in veel verwarring en narigheid; de vervreemding die optrad nadat zo'n theologant zijn proponentsexamen voor de kerk had gedaan en het studentenleven verruilde voor de plechtstatigheid van een kille pastorie, is uitentreure beschreven door de dominee-dichters van de vorige eeuw, van de Schoolmeester tot Piet Paaltjens.

Dat is misschien wel de mooiste bron die David Bos ter beschikking stond: de veel gesmade domineesliteratuur van de negentiende eeuw, in kwade reuk gekomen door de spotlust van Cornelis Paradijs en de andere Tachtigers die van de literatuur een kunst maakten. In die talloze gedichten en novellen die de schrijvende dominees hebben nagelaten, bevond zich voor David Bos een goudmijn aan materiaal om erachter te komen wat de beleving is geweest van de veranderingen die hij aan de hand van almanakken, jaarboeken, regeringsbesluiten en synode-notulen kon vaststellen.

HET IS TOT op zekere hoogte ook het begin van een rehabilitatie van dat soort literatuur: uit de vele citaten lijkt die veel leuker, veel geestiger en scherper, dan je op grond van haar roep zou verwachten. Het is soms alsof in die literatuur de oorsprong ligt van het huidige columnistenwezen. Het zijn schetsjes, met een commentariërende, licht moraliserende ondertoon, net zo klein, parmantig en betweterig als de columns van nu, maar doordat de toenmalige aanleidingen er inmiddels minder toe doen, een stuk minder vervelend.

De schrijvende en publicerende dominees zijn een tijdsverschijnsel, maar ze zijn ook de manifestatie van een ontluikende taakopvatting. Dat is precies waar Busken Huet ze voor houdt: ze kijken naar beneden en willen naar boven. Ze schrijven over de mensen om hen heen en alleen daardoor al onttrekken ze zich aan hun gemeenschap, en door dat schrijven voegen ze zich bij een andere klasse en een andere stand. De koning die hun onderwijs en organisatie onder handen nam, had hen nodig, voor wat zo kernachtig een beschavingsoffensief heet én om bij te dragen aan de vorming van een Nederlandse natie. Herhaaldelijk zinspeelt David Bos op hun rol in die veel grotere ontwikkeling van de Nederlandse samenleving in de negentiende eeuw, maar het is jammer dat hij daar niet speciaal werk van heeft gemaakt.

De dominees waren ook door hun verbondenheid met het onderwijs lokale vertegenwoordigers van een bepaald soort Verlichting en een bepaalde trek van de Romantiek; niet voor niets reageren ze in hun ambtsuitoefening op dergelijke grotere culturele modes, in het genootschappelijk karakter van hun beroepsorganisatie en door de breedte van hun opleiding enerzijds, door al rijmelend en psalmodiërend spreekbuis te worden van sentimentaleit, burgerzin en een geïdealiseerd historisch besef anderzijds. De dominocratie die Nederland in de negentiende eeuw was, heeft zo haar eigen bijdrage geleverd aan de natiestaat die het werd.

Maar wat er wel is, is hier belangrijker dan wat er niet is. Er zijn, naast Bos' beschrijving van de domineesliteratuur, zijn besprekingen van de inrichting van de universitaire studie van de godgeleerdheid, die allengs verder werd opgesplitst in een op de praktijk gerichte domineesopleiding en een academische wetenschap, er is zijn beschrijving van de deelname en bijdrage van de aanstaande dominees aan het studentenleven, er is zijn ook voor de universiteitsgeschiedenis belangwekkende bespreking van de toenemende aanspraken op wetenschappelijkheid van de theologen.

Onder al die deelstudies zit die tendens van professionalisering, en of het nu gaat om de inrichting van de theologische studie of de gooi naar serieuze, controleerbare wetenschap die spreekt uit het toenemende aantal promovendi van de theologische faculteiten, telkens wordt duidelijk dat het Bos begonnen is om de ontwikkeling van een beroep waarin zich een maatschappelijke ontwikkeling weerspiegelt.

Daarmee levert hij een belangrijke bijdrage aan de sociaal-culturele geschiedschrijving. Hoe je er verder ook over denkt, het christendom en zijn instituties maken een belangrijk deel uit van de Nederlandse geschiedenis. Desondanks is de geschiedschrijving ervan lange tijd in handen geweest van kerkhistorici, die de kerk en haar leerstelligheden zo geïsoleerd mogelijk hebben beschreven: als van een fabriek van ideeën en interpretaties. Daar is in de jongste jaren weliswaar, door toedoen van de mentaliteitshistorici, de geschiedschrijving van de religiositeit, de door gelovigen beleefde godsdienst, bijgekomen, maar een aanpak als die van Bos is vrijwel uniek. Want zo belangrijk als de rol van de dominees in onze cultuur is geweest, behalve het proefschrift van G. Groenhuis van twintig jaar geleden over de predikanten in de Republiek tot 1700 en enkele verspreide artikelen, is er vrijwel niks over geschreven.

Daar is nu op een volwassen en heldere manier een begin mee gemaakt.

Meer over