DE DIKKE MAN

'EEN zelfingenomen klootzak', zo omschreef Henk Westbroek afgelopen zaterdag in Het Parool een oud-columnist van die krant, namelijk Ischa Meijer....

Volgens Westbroek staat het in de grachtengordel gelijk aan zelfmoord om je in negatieve zin uit te laten over de heilig verklaarde entertainer. Dit is wellicht wat overdreven. Wel, zo heb ik zelf ervaren, wek je een hoop Amsterdamse irritatie als je de aandacht vestigt op minder aantrekkelijke kanten van wijlen De Dikke Man.

Toen ik anderhalf jaar geleden op deze plek probeerde uit te leggen hoe provincialen zoals ik geneigd waren over hem te denken, werd mij te kennen geven dat je op doden geen kritiek mag leveren. Een eigenaardige stelregel die, als hij een algemene richtlijn zou worden, het werk van historici ernstig zou bemoeilijken.

Het mooie van I.M., Connie Palmens ode aan haar overleden man, is dat die onaantrekkelijke kanten ook aan bod komen. We leren de hoofdpersoon kennen als een theatrale druktemaker, die zich vaak overschreeuwt, mensen in zijn naaste omgeving herhaaldelijk schoffeert en zijn grote liefde continu bedriegt.

Al die onhebbelijkheden doen aan Palmens liefde geen afbreuk. Haar boek staat zo vol oprecht verdriet om haar gestorven minnaar dat het recensenten moeilijk valt onbevangen hun vak uit te oefenen. Wie durft op dit moment het fenomeen Connie Palmen te relativeren, zo vroeg Eveline Brandt zich af in De Groene Amsterdammer.

Meer mensen dan verwacht, luidt het antwoord, want de reacties op I.M. zijn niet onverdeeld enthousiast. In Trouw werd de felste kritiek uitgeoefend. De columniste Selma Schepel beschuldigde 'ragebolletje Connie' van chic vormgegeven lijkenpikkerij. De historica Henriëtte Boas kapittelde het gebrek aan onderscheidingsvermogen en algemene mensenliefde van de weduwe-schrijfster. En de criticus Tom van Deel sprak zijn afkeer uit van het dodelijk gepsychologiseer en gefilosofeer van Palmen en haar even dodelijke gejuich over de alles vervullende liefde.

Een aantal klachten komt in de recensies steeds terug. In de eerste plaats bestaat er inmiddels duidelijk merkbare ergernis over de, mede door haar uitgever gestimuleerde, populariteit van Spice Girl Connie en over de bewondering van iemand als Hanneke Groenteman, in wier tv- programma de schrijfster een uur lang mocht lallen. (Ik hoop dat ze toen een glaasje te veel op had, want als ze altijd zo praat, moet dat erg vermoeiend voor haar omgeving zijn.)

Nu benadert Groenteman in haar ons-kent-ons programma al haar gasten (behalve Joost Zwagerman) met genegenheid en respect. Verder valt het een uitgever moeilijk kwalijk te nemen dat hij zijn auteurs onder de aandacht van de media probeert te brengen. Dat er louter sprake is van een hype, van succes ten gevolge van overdadige promotie, ligt niet voor de hand, omdat teleurgestelde lezers dan al eerder afgehaakt zouden zijn.

Een andere klacht betreft het exhibitionistische karakter van I.M.. Van Deel bijvoorbeeld spreekt over 'voer voor voyeurs' en ergert zich aan de uitvoerige beschrijvingen van het gelukkige samenzijn van de hoofdpersonen. Het geluk van anderen kan inderdaad irriteren, maar intieme gevoelens en handelingen komen we nogal vaak tegen in de literatuur. Welke recensent heeft geklaagd over exhibitionisme toen Geerten Meijsing in Tussen mes en keel gedetailleerd zijn psychische problemen beschreef?

Het belangrijkste verwijt van de critici is dat I.M. niet tot de Literatuur gerekend mag worden, omdat het boek te autobiografisch aandoet, te reportage-achtig is, te weinig afstand neemt van de werkelijkheid. Maar ook hier lijkt weer met twee maten gemeten te worden. Waarom wordt de sterk autobiografische reeks romans van J.J. Voskuil wel bejubeld? Omdat de saaie mensen in zijn saaie verhaal op een saai kantoor werken en niet tot het gilde der bekende Nederlanders behoren? Omdat de auteur, in tegenstelling tot Palmen, de moeite heeft genomen voor zichzelf en zijn naasten andere namen te verzinnen?

Connie Palmen valt alleen maar te prijzen omdat ze de literaire conventies van de critici aan de laars heeft gelapt. Haar stelling dat bij de dood van haar man een schok door Nederland ging, is zeker overtrokken. Meijer, naar wiens tv-programma's praktisch niemand keek, was geen nationale, alom geliefde figuur zoals Simon Carmiggelt.

Meijer was een irritante grachtengordelheld, die het geluk heeft nu vereeuwigd te zijn met een meeslepend, ontroerend boek. Meeslepend en ontroerend ook voor de ongelukkigen die niet woonachtig zijn op die paar vierkante kilometers in Amsterdam waar de bevolking zich in het middelpunt van de westerse beschaving waant.

Meer over