De dandy die schrijvend het leven oversloeg

EERDER IN DE EREGALERIJ 1. P.W.A. Cort van der Linden 2. Hugo de Vries 3. H. Kamerlingh Onnes 4. Aletta Jacobs 5....

ALEID TRUIJENS

IN DUITSLAND publiceert Thomas Mann in 1901 zijn Buddenbrooks; in Engeland verschijnt vanaf 1906 The Forsyte Saga van John Galsworthy. Ook in Nederland komt tussen 1901 en 1903 zo'n monumentale romancyclus uit: De Boeken der Kleine Zielen van Louis Couperus. Deze familiegeschiedenissen beschrijven het leven van de hoge burgerij rond de eeuwwisseling. Zij zijn een rijke bron voor wie de moraal en de geestesgesteldheid van de elite in die periode wil leren kennen.

Couperus' vierluik, het portret van een Haagse familie in verval, is een hoogtepunt in zijn oeuvre. Van grote afstand beziet hij het geworstel van de 'kleine zielen': oud-Indië-gangers, hoge ambtenaren en hun 'nerveuze' vrouwen, geestelijk niet meer in staat hun stand op te houden. Als een vlijmscherp psycholoog ontleedt hij hun hypocrisie, hun leegte en zelfgenoegzaamheid, met hoon en mededogen.

Louis Couperus schreef veel meer dan die paar 'Haagse' romans. Ruim vijftig romans, een stuk of twintig bundels met verhalen en 'stukjes'. Toch zijn Eline Vere, Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan, De kleine zielen en De stille kracht (over een Haagse familie in Indië) de romans die een eeuw lang meegingen. Het zijn nog altijd favoriete 'lijstboeken' op de middelbare school. Honderd jaar lang leesbaar gebleven, door de combinatie van een tijdgebonden milieu en tijdloze psychologie - net als het werk van Flaubert en Tolstoj. Was in de vorige eeuw Multatuli de enige volbloed-romanticus in onze literatuur, Couperus is onze enige 'Europese' romancier van de vroege 20ste eeuw.

Het zou hem verdriet hebben gedaan dat juist de werken waaraan hij zijn hart had verpand, door het nageslacht glimlachend als 'verouderde woordkunst' terzijde werden geschoven. Zijn theosofisch geïnspireerde sprookjes, de keizersroman Een berg van licht, deze orgieën van beschrijvingslust en metaforiek zijn nu moeilijk te pruimen. Waar Couperus hoog wegvloog van het kleinzielige menselijke gedoe, verdween hij uit het zicht.

Hij was bepaald geen prototypische Nederlander. Een dandy, extravagant en koket, en een groot kenner van de klassieke oudheid. Hij was altijd op reis, weg uit het bekrompen Haagse, waar hij het niet langer dan een paar maanden uithield. Geen ernstige, sobere huisvader, maar een homoseksueel die lichtzinnigheid predikte.

Eigenlijk had hij een meisje moeten zijn. Geboren als elfde kind in het gezin Couperus, kreeg hij de namen Louis Marie Anne, naar zijn drie overleden zusjes - veel manlijkheid zat er van meet af aan niet in. Een dromerig jongetje, vertroeteld door zijn moeder en zussen. Tussen zijn negende en vijftiende woonde hij in Nederlands-Indië; een gelukkige tijd, waaraan hij een hang naar oosterse mystiek overhield. Terug in Den Haag bleek het leven doodsaai. Op de hbs wilde het niet lukken; in de vierde klas ging hij van school. Onder leiding van de letterkundige Jan ten Brink haalde hij zijn MO-akte Nederlands.

Couperus begint rond 1880 poëzie te publiceren, gekunstelde 'vaerzen' over aanbeden madonna's. In De Nieuwe Gids, hét literaire tijdschrift, wordt het dichtertje neergesabeld door de koning van zijn generatie. Volgens Willem Kloos beweegt Couperus zich 'in een fantasiewereld van affectatie en onwaarheid (...), zich suikeren tempeltjes bouwend met goud beplakt, rococo-sentimentjes uitkirrend met een stemmetje van was'. Aan poëzie waagt hij zich niet meer.

Zijn prozadebuut, de roman Eline Vere, die in 1888 als feuilleton verschijnt in Het Vaderland, verbluft echter zelfs zijn Amsterdamse vijanden. Lodewijk van Deyssel moet toegeven: de Haagse fat heeft een meesterwerk voortgebracht. Het is het levensverhaal van een 'zenuwzwakke' jonge vrouw, dat, zoals de literaire mode eiste, noodlottig eindigt. Het boek bezorgt hem een roem die hij met geen van zijn latere werken zou evenaren. 'Heb je het al gehoord? Eline is dood', fluisteren de Haagse dames na het verschijnen van de laatste aflevering.

Couperus schreef de roman naar eigen zeggen uit wraak. Diep gekrenkt was hij door de hatelijke ontvangst van zijn poëzie. Hij zou ook wel eens 'een lollig boek' maken, waar de meisjes mee zouden weglopen. Het werd een verkapt zelfportret. De teergevoelige, overbeschaafde Eline, die zich niet durft te geven aan een 'gezonde' man, heeft veel weg van de jonge schrijver zoals die uit de weinige beschrijvingen naar voren komt. Toen er in Den Haag druk werd gespeculeerd over de Haagse schone die model had gestaan voor de jong geknakte lelie, maakte de schrijver aan alle discussie een einde met 'Eline, dat ben ik zelf'.

Rond 1890 leed Couperus aan depressies die waarschijnlijk te maken hadden met zijn homoseksualiteit. Hij koos een andere uitweg dan het lokkende flesje gif: hij schreef. Noodlot, Extaze, Majesteit - minstens één titel per jaar. De hoofdpersonen in zijn vroege romans zijn niet bij machte twee soorten liefde, het 'lijfsverlangen' en de platonische 'zielsgemeenschap', te verenigen, en dat wordt hun noodlottig. Maar: 'Noodlot is een woord. Ieder mensch maakt zijn eigen noodlot', staat er in Eline Vere.

Aan het lot dat hem zelf boven het hoofd hing - een paria te worden in een maatschappij die 'uranisten' als ziekelijk ontaard beschouwt - ontsnapte hij door in 1891 te trouwen met zijn nichtje Elisabeth Baud. Het huwelijk bood hem status en bescherming. Elisabeth zou tot zijn dood in 1923 bij hem blijven. Veel kans om uit de band te springen had hij niet. De Italiaan Orlando, de zwartgelokte godenzoon met wie hij in veel verhalen dweept, is geënt op een bestaande figuur, zo heeft Couperus' biograaf F. Bastet aangetoond. Maar of die liefde ooit geconsumeerd is, moet worden betwijfeld. Wellicht heeft Gerard Reve gelijk, die in Het geheim van Louis Couperus beweert dat de schrijver 'maagdelijk de crematie-oven is ingegaan'.

Couperus stierf vrij jong, op zijn zestigste. Gezien zijn enorme productie moet hij dagelijks vele uren hebben geschreven. Hoewel hij zich voordeed als een leegloper en een flaneur, was hij een keiharde werker. Hij moest ook wel, mokte hij in brieven aan zijn uitgever Veen, want hij was de enige in zijn wijdvertakte familie die werkte voor de kost. De erfenis van zijn vader was voor het echtpaar bij lange niet toereikend om met hun stoet bedienden rond te trekken, en her en der een mediterraan villaatje in te richten. Couperus bedong bij Veen onwaarschijnlijk hoge honoraria. Voor Een berg van licht kreeg hij 4500 gulden (van 2000 gulden kon iemand een jaar leven). En sellers waren het bepaald niet: vooral zijn historische romans lagen hoog opgetast in Veens kelder.

Al het geklaag over geldgebrek was pose. Couperus moest schrijven. Hij kon niet anders. 'Ik leef een metamorfoze', laat hij Hugo Aylva zeggen, hoofdpersoon in de autobiografische roman Metamorfoze. Bij gebrek aan een 'echt' leven, waarin hij zich aan een geliefde kon wijden, smeerde hij zijn ik uit over vele personages. Zo kon de schrijver - die ervan overtuigd was dat hij een vele malen gereïncarneerde ziel was - vertoeven in de lichamen, op de plaatsen en in de tijdperken waarin hij zich thuisvoelde: vooral in Italië, tijdens het Romeinse keizerrijk. Hij kon zich verplaatsen in de lome, overspelige residentsvrouw Léonie in De stille kracht, of in de feministe Cornélie in Langs lijnen van geleidelijkheid, die zich uiteindelijk onderwerpt aan haar mannetjesbeest.

De schrijver hoefde slechts een doorgeefluik te zijn voor wat hij waarnam, een medium dat noteert wat de goden - zijn eigen, paganistische goden - hem influisterden. De Couperus uit de overlevering, die alleen een lezing wilde houden als er een Grieks zuiltje was klaargezet, die choqueerde met zijn kokette lakschoentjes en zijn kanten jabots, ook die man is een personage, iemand die een rol speelt in het toneelstuk van zijn leven. Misschien was de 'poseur' Couperus wel de echte Couperus.

Aleid Truijens

Dit is de elfde aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum).

Meer over