De dader zit in de genen

De eerste commerci tests voor oogkleur en etniciteit zijn er al. Uiteindelijk, denken forensisch genetici, maken we uit een DNA-spoor een tamelijk exact profiel van de onbekende verdachte....

Door Ben van Raaij

Op de plek van de moord treffen rechercheurs een sigarettenpeuk aan, vermoedelijk van de dader. De peuk gaat in een verzegeld zakje naar de forensisch geneticus, die er DNA-tests op loslaat. Uitkomst: de dader is een West-Europese man met fors postuur, blond haar en blauwe ogen. Op basis van dit signalement wordt een opgepakte Turkse jongen in vrijheid gesteld en de echte dader uiteindelijk gepakt.

Toekomstmuziek? 'Niet echt, de ontwikkelingen gaan snel', zegt dr. Peter de Knijff, antropogeneticus bij het Forensisch Laboratorium voor DNA-Onderzoek aan het Centrum voor Humane en Klinische Genetica van het Leids Universitair Medisch Centrum. Hij geldt als de enige onafhankelijke Nederlandse onderzoeker op dit terrein, en wordt regelmatig door justitie geraadpleegd.

Zijn eigenlijke specialiteit is evolutieen populatiegenetica; de studie van het ontstaan, de verklaring en implicaties van de genetische verschillen tussen bevolkingsgroepen (polymorfismen). Zoals huidskleur, haartype of postuur.

Die genetische verschillen worden tegenwoordig los gezien van het besmette concept ras. 'Dat begrip is niet valide, omdat er wereldwijd alleen graduele genetische verschillen zijn. Op het totale menselijke genoom zijn die verschillen miniem, maar soms wel relevant.'

Ze kunnen bijvoorbeeld medische consequenties hebben, zeker als mensen migreren, zegt De Knijff. Hij wijst op de toename van diabetes type II ('ouderdomssuiker') onder tweede en derde generatie migrantenkinderen, mogelijk gevolg van een subtiele genetische aanpassing aan het voedingspatroon in het land van herkomst die in Nederland tot een nadeel wordt.

Maar je kunt die genetische verschillen natuurlijk ook forensisch benutten, zegt De Knijff. 'De vraag is dan: kun je van genetische variatie gebruik maken om op basis van een DNA-spoor op de plaats van een misdrijf enig inzicht te krijgen in het uiterlijk van de onbekende verdachte? Welnu, dat kan dus.'

Hij maakt er meteen twee kanttekeningen bij. 'Het gaat bij zo'n fenotypereconstructie altijd om een omschrijving van een groep mensen. Aan het profiel blond en blauwogig voldoen veel mensen. Maar, en dat is punt twee, het sluit ook veel mensen uit en verkleint de groep potenti verdachten. Deze techniek is dus met name relevant in de opsporingsfase, niet voor het oppakken van een specifieke persoon.'

Dat uitsluiten van groepen is, vanwege de dreigende stigmatisering bij misdrijven, voor hem belangrijker dan het oppakken van iemand, zegt De Knijff.

Een waterdicht profiel is niet nodig. Het profiel moet stroken met de gemiddelde waarneming van ooggetuigen. 'Wat volstaat is een aantal genetische kenmerken dat een redelijk te categoriseren omschrijving van de persoon oplevert, vergelijkbaar met een signalement. Je maakt eigenlijk een compositietekening, niet via ooggetuigen maar op basis van een DNA-specimen.'

Dat kan direct en indirect. Indirect, door de geografische herkomst van de verdachte te typeren en dus een vermoedelijk bepaald uiterlijk. Direct, door in het DNA naar kenmerken te speuren voor huidskleur of oogkleur.

'Dit laatste is veel moeilijker, want geen enkel aspect van ons verschijnen is simpel genetisch te verklaren. Zo wordt huidskleur door belangrijk gen bepaald, maar ook door andere nog onbekende genen. Dat geldt ook voor oogkleur, hoewel er in de Verenigde Staten net een testkit op de markt is gebracht die oogkleur voorspelt.'

De fabrikant, DNAPrint, heeft ook veel succes met zijn 'etnische kit' - een biogeographical ancestry analysis die aangeeft hoeveel procent Europees, Afro-Amerikaans, Hispanic of Amerindiaans je bent. Maar, zegt De Knijff, forensische genetica in de VS is tamelijk simpel. 'Ze denken niet meer te hoeven weten dan die categorie In Europa is dat een subtieler, complexer verhaal.'

Etnische en geografische herkomst wordt standaard bepaald via het mitochondriaal DNA, dat via de vrouwelijke lijn overerft, of via een aantal kenmerken op het mannelijke Y-chromosoom, de betrouwbaarste en meest voorspellende van de twee. De Knijff werkt daar samen met het Nederlands Forensisch Instituut en het Erasmus MC ook mee, dankzij een database van vijftig etnische groepen, opgebouwd door het Human Genetic Diversity Project.

Het is nog behelpen. 'We weten nu al dat deze twee benaderingen niet volstaan voor Noord-en mediterraan Europa. Hier zijn de verschillen subtieler, en moet je de rest van het genetisch archief gebruiken. Er wordt nu gezocht naar de ideale set kenmerken om de problemen van de Nederlandse en Europese context op te lossen. Nu hebben we alleen maar educated guesses.'

De resolutie is nog een probleem. Genetische groepen kun je goed definin, individuen niet. Op basis van het Y-chromosoom kun je zeer kleine clusters maken, maar dat betekent niet dat je van persoon met zekerheid kunt zeggen in welk cluster hij hoort. 'Met andere woorden: Friezen verschillen genetisch van Zeeuwen, maar daarom kun je Fries DNA op grond van enkel Y-kenmerken nog niet onderscheiden van dat van een Zeeuw. Daarvoor heb je meer genetische gegevens nodig.'

Uiteindelijk wil je natuurlijk van een willekeurig persoon kunnen voorspellen tot welke groep hij hoort. Dat kan alleen door wereldwijd heel veel mensen te testen en de verschillen in een database te ordenen, zegt De Knijff. En zo'n persoon op heel veel onafhankelijke kenmerken te analyseren. 'Hoe meer kenmerken je kent, hoe betrouwbaarder je uitkomst zal zijn.'

Een stimulans voor De Knijffs vak was vorig jaar de wetswijziging voor het gebruik van DNA-sporen in strafzaken. Die bepaalt dat in de opsporing behalve naar het gewone DNA-profiel, de neutrale 'streepjescode', nu ook mag worden gekeken naar 'uiterlijk waarneembare persoonskenmerken'. De nieuwe wet is volgens De Knijff uniek: nergens anders ter wereld heeft dit type DNAanalyse wettelijke onderbouwing.

Een doorbraak was de zaak-Marianne Vaatstra in 1999, vertelt De Knijff. 'De vraag was: kun je op basis van het DNA-spoor uitsluiten dat de moordenaar afkomstig is uit een van de groepen die verblijven in het asielzoekerscentrum Kollum? Die vraag kon niet beantwoord worden op basis van het toen toegelaten DNA-onderzoek. We hebben het in overleg met de procureur-generaal uiteindelijk toch gedaan, om rust te scheppen in de lokale gemeenschap. Dat fait accompli was de aanleiding voor de nieuwe wet.

'De uitkomst van ons onderzoek, - waarbij Y-kenmerken uit het sperma werden vergeleken met onze database van toen vijfduizend profielen - was dat de dader vrijwel zeker g asielzoeker was, maar hoogstwaarschijnlijk een Noord-West Europeaan. Dat heeft de gemoederen bedaard. Daarom is dit onderzoek zo belangrijk: je stopt de stigmatisering van bepaalde groepen.'

De database van De Knijff en een groep Berlijnse collega's, de enige ter wereld in zijn soort, is nu 25 duizend profielen groot, allemaal geanonimiseerde vrijwilligers. Hij wordt voortdurend aangevuld door collega-genetici die monsters uit hun eigen populaties toevoegen. Het geheel is via internet vrij toegankelijk (www.yhrd.org): je tikt een profiel (Y-kenmerken) in, en krijgt een typering plus landkaart over de geografische herkomst retour.

Met al deze technieken is overigens in Nederland nog geen zaak opgelost. De Knijff noemt wel een voorbeeld uit de VS, waar in 2003 dankzij een DNA-kit in een moordzaak in Louisiana de dader is gepakt. De test wees op een Afro-Amerikaanse dader, terwijl de politie was uitgegaan van een blanke man.

Wat brengt de toekomst? Over vijf jaar weten we in elk geval precies wat we wel en niet kunnen voorspellen, zegt De Knijff. En dan kun je onderzoekslijnen uitsluiten. 'Vrij zeker is ook dat we een soort assay zullen hebben waarmee we de belangrijkste uiterlijke verschillen tussen bevolkingsgroeperingen in kaart kunnen brengen, met een test waarmee we mensen met een redelijk mate van zekerheid zullen kunnen uitsluiten of zelfs aanwijzen.'

Hoe fijnmazig zal die test zijn? De Knijff heft de handen ten hemel. 'Geen idee. Dat zal proefondervindelijk blijken. Mijn gevoel zegt me dat het niet mogelijk zal zijn met zekerheid te zeggen of iemand Nederlander of Duitser, Fries of Zeeuw is. Het zijn zulke subtiele verschillen. Maar we zullen wel zeker kunnen zeggen of iemands roots in Turkije of hier in Nederland liggen.'

In principe zijn de technologie en de kennis er al. Wat ontbreekt zijn tijd en DNA-monsters. 'Wat je nodig hebt voor betrouwbare voorspellingen is een database met daarin alle relevante groepen. Want wat er niet in zit, komt er ook niet uit. En het probleem is dat etnische groepen zeer terughoudend zijn om DNA af te staan voor dit doel. Zelfs de gemiddelde Nederlander zegt dan: waar heb dat voor nodig?'

Er is toch al een bestand met DNAprofielen? 'Ja, van elke veroordeelde wordt zo'n profiel gemaakt. Maar die monsters, van inmiddels vijfduizend personen, zijn niet afgenomen voor dit type onderzoek, en mogen daar ook niet voor worden gebruikt.' Als ze al bewaard zijn: als iemand zijn straf heeft uitgezeten of is vrijgesproken, wordt het profiel vernietigd. Alleen de streepjescode wordt bewaard. 'Hier liggen dus praktische en ethische bezwaren, die de politiek moet oplossen. Anders hebben we straks een fantastisch hulpmiddel waar we niks mee kunnen.'

Jammer is dat er zo weinig geld beschikbaar is. In Nederland moet genetisch onderzoek vooral (medisch) toepasbaar zijn. Dat maakt fundamenteel onderzoek zoals De Knijff doet, moeilijk. Anders ligt dat in de VS, waar vanwege de strijd tegen het terrorisme enorme fondsen zijn uitgetrokken voor forensisch genetisch onderzoek.

De Knijffs onderzoek kan intussen ook breder worden toegepast. Zo doet hij mee aan een project van Utrechtse theologen die aan de hand van DNA uit skeletten uit de Romeinse catacomben willen vaststellen uit welke regio's de vroege christenen afkomstig waren.

Meer over