De CPN en de vleespotten van Moskou

Zolang als de CPN heeft bestaan, deden geruchten de ronde over financiële steun uit Moskou. Lange tijd was daar geen bewijs voor te leveren, maar na de ondergang van de Sovjet-Unie in 1991 veranderde dat....

GERRIT VOERMAN

SEPTEMBER 1919. Bijna twee jaar na de Oktoberrevolutie die de bolsjewieken in Rusland aan de macht had gebracht, kwam in Moskou het Uitvoerend Comité van de pas opgerichte Communistische Internationale (Comintern) bijeen. Op de agenda stond de vestiging van een internationaal verbindingsbureau in Amsterdam. Vanuit het Nederlandse filiaal zou de Westeuropese communistische beweging worden gecoördineerd. Al te veel contanten bezat de Comintern echter niet. Wel beschikte ze over de rijkdommen van de Russische adel, die de bolsjewieken tijdens de revolutie hadden onteigend. Uit deze schat werd voor twintig miljoen roebel diamanten en edelstenen meegegeven aan de Nederlandse ingenieur Sebald Rutgers, een vertrouweling van Lenin. Hij nam bovendien een half miljoen roebel in kostbaarheden mee voor het partijwerk van de CPN.

De meeste kostbaarheden zouden Amsterdam nooit bereiken. Op de reis naar Nederland verbleef Rutgers enkele dagen in Berlijn. Tijdens deze tussenstop maakte de in grote financiële nood verkerende Duitse communistische partij zich op listige wijze van de rijkdommen meester. Rutgers was zeer ontdaan. Hij waarschuwde zijn opdrachtgevers in Moskou geen koeriers meer over Berlijn te laten reizen, vanwege het 'plundergevaar' van de kant van de Duitse kameraden.

Door de streek van de Duitse zusterpartij stond de CPN met lege handen. De partij had dubbel pech. Eerder dat jaar had een financiële missie Nederland wèl bereikt. Begin februari passeerde Bartha Rutgers, de vrouw van Sebald, in Oldenzaal de grens met vele kostbare sieraden in haar koffers. Ze moesten in Nederland verkocht worden. De opbrengst was niet voor de CPN bestemd maar voor de Westeuropese communisten die waren uitgenodigd op het eerste congres van de Comintern. Bartha Rutgers reisde door naar Bussum, waar de dichter en communist Gorter zich over de juwelen ontfermde.

De Comintern staakte al snel deze ongeregelde verzending van juwelen naar geestverwante groeperingen elders in de wereld. De risico's waren te groot: ettelijke keren maakte een koerier zich met de kostbaarheden uit de voeten. Een budgetcommissie werd ingesteld, die de financiële ondersteuning moest stroomlijnen. De revolutionaire romantiek maakte plaats voor een bureaucratische aanpak. Vanaf het begin van de jaren twintig kregen de communistische partijen een jaarlijks vast te stellen subsidie, uitbetaald in vier termijnen.

De CPN werd zo op haar wenken bediend. Begin 1920 klopte partijpenningmeester Ceton bij Rutgers aan om 'geregelde hulp van onze Russische vrienden'. De financiële toestand van het partijblad De Tribune was kritiek, aldus Ceton. 'Zonder een geregelde hulp van een paar duizend gulden per maand zullen we er niet meer komen.' Sebald Rutgers was doordrongen van de ernst van de zaak, maar vond het gevraagde bedrag te hoog gegrepen. Op zoveel geld uit Moskou viel niet te rekenen, 'behoudens een wonder'. Hij zegde toe zich sterk te maken voor een wekelijkse bijdrage van honderd gulden.

De geldstroom kwam nu goed op gang. In augustus 1921 kreeg de CPN 10.000 gulden (tegenwoordig zo'n 70.000 gulden), zo valt op te maken uit een brief die Thomas, het hoofd van het West-Europees Bureau van de Comintern te Berlijn, stuurde aan Piatnitski, de penningmeester in Moskou. Een half jaar later pakte de budgetcommissie, bestaande uit de Fin Kuusinen en de Hongaren Bela Kun en Rákosi, weer uit. Besloten werd de CPN maar liefst 24.000 gulden (ruim 170.000 hedendaagse guldens) toe te kennen. Het geld was bedoeld voor De Tribune en voor de campagne voor de op handen zijnde Tweede-Kamerverkiezingen. Het royale gebaar ging vergezeld van de waarschuwing dat dat alles was waarop de Nederlandse communisten konden rekenen.

NIET VEEL LATER was de financiële nood alweer nijpend. In april 1923 trok partijvoorzitter Wijnkoop aan de bel bij Radek. Die maakte deel uit van de leiding van de Comintern. Moskou moest de tekorten van De Tribune voor zijn rekening nemen, anders zouden de persen stil komen te staan. Radeks antwoord is onbekend, maar bij de Russische communist was Wijnkoop niet aan het goede adres. Radek had bepaald geen hoge dunk van zijn Nederlandse geestverwanten, die hij ooit 'Hollandse ezels' had genoemd. Ook bij andere leidende Comintern-functionarissen had Wijnkoop weinig krediet.

Piatnitski was uitermate ontevreden over de Nederlandse partijvoorzitter. De CPN vroeg steeds maar geld, dat dan vervolgens in de bodemloze put van het partijblad verdween, aldus de Comintern-penningmeester.

Naar alle waarschijnlijkheid is de Comintern Wijnkoop en de CPN niet tegemoetgekomen. Mochten Radek en Piatnitski toch de hand over het hart hebben gestreken, dan was de steun in elk geval niet voldoende. In september 1924 belandde namelijk opnieuw een Nederlandse bedelbrief op de Comintern-burelen. Misschien omdat Wijnkoop niet zo goed bij de top lag, was partijpenningmeester Ceton dit keer de afzender. Hij vroeg 10.000 gulden voor De Tribune, waarvan de helft binnen drie weken moest zijn overgemaakt. Mocht ondersteuning uitblijven, dan zou het partijorgaan ten onder gaan.

Het verzoek werd ondersteund door Neumann, toentertijd de Comintern-vertegenwoordiger in Nederland. 10.000 was wat veel, maar 5.000 gulden was dringend nodig, aldus het advies van deze Duitse communist. In Moskou dacht men daar anders over. Het secretariaat van de Comintern wees het verzoek resoluut van de hand. De CPN had de gehele bijdrage voor 1924 al gekregen. De Nederlandse communisten moesten hun organisatie maar eens omvormen tot een 'proletarische, revolutionaire massapartij', meende Moskou, dan zou het met De Tribune ook wel goed komen.

Inmiddels was Wijnkoop het wachten moe. Om het bankroet van de partijkrant te voorkomen, had hij op eigen houtje 2.000 gulden (circa 18.000 gulden) uit de kas van de Nederlandse afdeling van de Internationale Rode Hulp gehaald. Dit geld was eveneens uit Moskou afkomstig, en bestemd voor de Indonesische kameraden op Java. Ongeduldig zonden zij op hun beurt telegrammen naar Amsterdam met de vraag waar hun geld bleef. Ook Ceton gebruikte gelden van de Comintern die waren bedoeld voor hulp aan de koloniale zusterpartij, ruim 500 dollar. Het hoofd van het Java-bureau in Amsterdam, de Indonesische communistenleider Semaoen, schreef een woedende brief aan de Comintern-vertegenwoordiger in Berlijn. Hij verlangde dat Ceton tot de orde zou worden geroepen.

Nadrukkelijk vroeg Semaoen om het het geld direct naar hem te sturen, en 'niet meer via de kameraden van de Nederlandse partij. . .' De Comintern nam de zaak hoog op. Ceton ontving direct de opdracht om het geld meteen terug te geven. Deze affaires deden de CPN geen goed. Toen Moskou in september 1925 770 dollar overmaakte voor de reis van vijf studenten naar een opleidingsinstituut van de Comintern, werd de CPN dringend meegedeeld het geld niet voor andere doeleinden aan te wenden. Mocht de partij het niet kunnen laten, dan zal 'de door u gebruikte som afgetrokken worden van uw budget'.

De partijkrant De Tribune hing de CPN als een molensteen om de nek. Aan het begin van de jaren twintig had het dagblad 5.000 abonnees. De redactie bestond in die tijd uit negen personen. Voor Wijnkoop, Ceton en hun opvolgers was het blad heilig. Het politieke prestige van de CPN zou er onder lijden wanneer het mes in het aantal pagina's werd gezet. Daarom werd de gehele financiële steun van Moskou aan het partijorgaan gespendeerd. Voor andere zaken bleef weinig meer over.

Tijdens de verkiezingscampagne van 1925 vroeg de CPN aan de Comintern-vertegenwoordiger in Nederland, Humbert-Droz, speciale hulp ter hoogte van 15.000 gulden. De Zwitser vond dit bedrag nogal aan de hoge kant en adviseerde de budgetcommissie 5.000 gulden ter beschikking te stellen. De commissie ging dit ook nog te ver en hield het op 3.000 gulden (nu ongeveer 27.000 gulden), uit te betalen bovenop de reguliere subsidie.

Aan het einde van dat jaar meldde de CPN zich weer voor een extra bijdrage. De Nederlandse communisten wilden graag de tekorten van de partij, de drukkerij en - uiteraard - De Tribune met de Comintern verrekenen. Van de in totaal bijna 5.000 gulden die nodig waren, nam Moskou de helft voor zijn rekening.

DOORDAT De Tribune vrijwel alle voor de CPN bestemde gelden uit Moskou opslokte, moest de partijorganisatie zich alleen met de lidmaatschapsgelden tevreden stellen. Deze inkomstenbron was niet groot, aangezien de CPN in de jaren twintig door de bank genomen slechts 1500 leden telde. Voorzover zij al niet werkloos waren, behoorde de overgrote meerderheid tot de laagstbetaalden.

Voor het organisatorische werk moest de partij het doen met de schamele 300 gulden die de leden maandelijks opbrachten. Hiervan moest ook de partijsecretaris worden betaald, de enige vrijgestelde in de partij. In 1930 werd Schalker in deze functie benoemd. Hij verzocht de budgetcommissie om de reguliere bijdrage voor 1931 met 6000 dollar te verhogen (in die tijd ongeveer 15.000 gulden; tegenwoordig het tienvoudige). Het geld wilde hij gebruiken voor de aanstelling van vier partijfunctionarissen.

De reactie van de budgetcommissie is onbekend. Het lijkt er echter op dat Schalker nul op het rekest heeft gekregen. Naar het zich laat aanzien, ontving de CPN in de jaren dertig van de Comintern een subsidie van ruim 500 gulden per maand (nu ruim 6.000 gulden). Bovenop deze som kwamen nog wel wat extraatjes. Voor het onderhouden van de verbindingen met Nederlands-Indië en voor de uitgave van een Indonesisch informatiebulletin ontving de CPN maandelijks dertig dollar. Ook de jongerenorganisatie kreeg regelmatig geld toegestopt. Verder verleende de Comintern incidenteel forse steun aan de immer noodlijdende drukkerij en kwam zij bij de verkiezingen vaak met extra geld over de brug. Bij de raads- en statenverkiezingen van 1931 bijvoorbeeld kreeg de CPN 300 dollar.

Voor 1934 en 1935 zijn de exacte bijdragen van de Comintern bekend. Per jaar kon de CPN toen ongeveer 11.000 gulden vanuit Moskou op haar saldo bijschrijven (omgerekend meer dan 130.000 gulden). Het geld werd in Amsterdam uitbetaald door Goulooze. Deze verbindingsman stond niet alleen in radiografisch contact met Moskou, maar beheerde ook een van de goedgevulde kassen waarover de Comintern in West-Europa beschikte. Soms nam partijvoorzitter Beuzemaker na een bezoek aan zijn broodheren in Moskou geld mee. In mei 1936 bijvoorbeeld had hij 2600 dollar in zijn portefeuille (ruim 80.000 hedendaagse guldens), grotendeels bestemd voor de op het randje van faillissement verkerende partijdrukkerij.

De geldelijke ondersteuning was voor de CPN van levensbelang. Wanneer de Comintern de geldkraan wat dichtdraaide, brak al snel paniek uit. In de eerste helft van 1936 pakten de maandelijkse bijdragen lager uit dan verwacht. Verontrust telegrafeerde Schalker aan Moskou dat er 945 gulden te weinig was overgemaakt. Nog groter was de schok toen bekend werd dat de Profintern, de communistische vakbondsinternationale, haar bijdragen zou staken. Schalker droeg de CPN-vertegenwoordiger in Moskou, Struik, op om zijn uiterste best te doen om per maand 150 gulden voor het vakbondswerk in Nederland en 75 gulden voor dezelfde activiteiten in Indonesië veilig te stellen.

De hulp aan de CPN liep door tot aan de Tweede Wereldoorlog. Aan het einde van 1939 telegrafeerde Goulooze dat de drukkerij en de krant in 1940 7.000 mark nodig hadden. Voor scholingsarbeid werd 2.000 mark gevraagd. 'De nieuwe situatie vereist een versterkte scholingsarbeid', zo deelde hij mee. Goulooze doelde hiermee op het niet-aanvalsverdrag tussen Stalin en Hitler, dat aan de partijleden moest worden uitgelegd. Voor het blad van de jonge communisten was 1.000 mark noodzakelijk.

Al met al liep de financiële steun van Moskou aan de CPN behoorlijk in de papieren. In de jaren tussen de beide wereldoorlogen verdwenen naar schatting enkele honderdduizenden guldens in de Hollandse partijkas. De huidige waarde van deze donaties bedraagt een paar miljoen. Deze hulp van de Comintern was voor de CPN van levensbelang. Zonder deze bijdragen had de partij amper kunnen functioneren. In ieder geval had De Tribune niet als dagblad kunnen blijven uitkomen. Uiteraard kende de financiële hulp uit Moskou een keerzijde. De geldstroom ondermijnde de onafhankelijkheid van de partij. Voor wat hoort wat, en de CPN liep steeds meer aan de leiband van Moskou.

VOOR Nederlandse begrippen was de steun erg hoog. Vergeleken met de donaties van de Comintern aan andere partijen stelde het echter niet zoveel voor. De Franse Communistische Partij bijvoorbeeld ontving tussen de beide wereldoorlogen bedragen die in de tientallen miljoenen guldens liepen. Ook de Duitse kameraden konden grote bedragen innen. Het was Lenin zelf die de basis had gelegd voor deze douceurtjes. Royale financiële bijstand vond de aartsvader van het communisme gerechtvaardigd zolang het de revolutie maar bevorderde. In oktober 1918 schreef hij aan zijn mede-revolutionair Berzin, die vanuit zijn standplaats Zwitserland het illegale partijwerk in Frankrijk financierde: 'U beschikt over veel geld. . . Wij zullen u nog meer geven, zonder het te tellen. . .'

Of de financiële bijstand na de Tweede Wereldoorlog werd voortgezet, is nog duister. De archieven van de internationale afdeling van de CPSU, die na de opheffing van de Comintern in 1943 de betrekkingen met de zusterpartijen onderhield, zijn tot dusverre hermetisch gesloten. Pas wanneer deze deuren open gaan, valt mogelijk het tweede hoofdstuk te schrijven.

Gerrit Voerman is directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Hij bereidt een proefschrift voor over de betrekkingen tussen de CPN en de Comintern.

Meer over