De catacomben van de Amerikaanse ziel

HOE LANG gaat satire mee? In Nederland kennen we de Werdegang van Wim Kan. Van de Grote Drie die lange tijd het cabaret domineerden, gold hij als degene die actuele zaken het scherpst op de korrel nam....

In de Verenigde Staten bestaat cabaret naar Nederlands model praktisch niet, maar er is wel een rijke traditie van geschreven satire. Daarmee doet zich hetzelfde voor: ook die satire is niet altijd bestand tegen de tand des tijds en ondervindt de weerslag van conjuncturele schommelingen.

Neem Fear and Loathing - On the Campaign Trail '72 van Hunter Thompson, een van de meest hilarische verslagen die ooit zijn gemaakt van een Amerikaanse verkiezingscampagne. Het boek is nog steeds vermakelijk, maar het kan de lezer toch niet meer in dezelfde staat van verrukking brengen als een kwarteeuw geleden. Daarvoor zijn de figuren van George McGovern, Thomas Eagleton, Spiro Agnew en zelfs Richard Nixon - want om hen draaide de campagne van 1972 - te zeer verzonken in de geschiedenis.

Soms gaat het verval nog sneller. Drie maanden geleden las ik American Rhapsody van Joe Eszterhas, dat aan het begin van de zomer in de Verenigde Staten was uitgekomen. Hoewel zeker niet alle Amerikaanse recensenten enthousiast waren, was het boek een hit in politieke kringen en alles wat zich daaromheen beweegt. Zelf raakte ik bij het lezen ook al snel in de ban van deze burleske afrekening met de seksuele escapades van William Jefferson Clinton.

Eszterhas, die evenals Thompson en satiricus P.J. O'Rourke voortkomt uit de school van het blad Rolling Stone, is een generatiegenoot van de 42ste president van de Verenigde Staten en beschouwt zich tot op zekere hoogte als een soul-mate.

'Ik had het idee dat ik Bill Clinton kende en herkende, en ook wist wat hem dreef', schrijft hij in het voorwoord. 'Ik begreep de ambitie, het succes, de politieke onbetrouwbaarheid, de Hollywood-charme. Ik begreep de fallische obsessie die altijd de motor van zijn bestaan was geweest. Ik begreep de dwingende basritmen van zijn innerlijk leven, net zoals ik de schreeuwende demonen herkende en beminde in de innerlijke duisternis van de Stones, de Doors, de kunstenaar die nu weer bekend is als Prince.'

Dit boek is dan ook niet geboren uit moralistische bekommernis of politieke rancune, maar voornamelijk uit verbazing. Een zelfkritische verbazing: over de ontluistering van een man die Eszterhas en de zijnen aanvankelijk beschouwden als 'een van ons' en 'de eerste rock-'n'-roll-president in de Amerikaanse geschiedenis', maar die uiteindelijk bijna evenzeer verstrikt raakte in leugens als de door het Rolling Stone-milieu zo gehate Richard Nixon. 'Ik heb nooit een seksuele relatie gehad met die vrouw, Monica Lewinsky!'

Het verhaal van American Rhapsody gaat over Bill en Hillary Clinton, over Monica Lewinsky, Linda Tripp en Ken Starr. Maar het dieper liggende thema is het Amerikaanse ethos - en de vraag hoe de generatie van de jaren zestig en zeventig daaraan vorm heeft gegeven.

We zijn drie maanden verder, en American Rhapsody is thans in het Nederlands vertaald (behalve de titel). Wat blijkt: bij tweede lezing heeft het boek lang niet zo'n prikkelende uitwerking als de eerste keer.

Dat ligt niet aan de vertaling. De Nederlandse uitgever heeft drie vertalers op het boek gezet, en die hebben zich zeer behoorlijk van hun taak gekweten. Voor bijna alle typisch Amerikaanse begrippen en kwalificaties hebben ze een passend Nederlands equivalent gevonden. De wervelende schrijfstijl van woordkunstenaar Eszterhas gaat in de vertaling niet verloren. Wat in tweede instantie meer opvalt - en minder bekoort - aan American Rhapsody is de soms amechtige overdaad. Eszterhas stapelt scènes en genres onbekommerd op elkaar. Zijn boek is van alles wat. Het is een beetje onderzoeksjournalistiek, een beetje fictie, een beetje kroniek, een beetje zedenschets, een beetje ego-document, een beetje absurdistisch theater.

Voor de puur fictieve hoofdstukken wordt een apart lettertype gebruikt. Mooi: zo kan er geen misverstand over bestaan dat Willard, zoals de presidentiële penis op gezag van Gennifer Flowers heet, niet echt kan spreken. Maar per saldo gebeurt toch hetzelfde als bij de film JFK van Oliver Stone, die eveneens een semi-documentaire stijl hanteert: allengs vervaagt de grens tussen werkelijkheid en fantasie.

De vergelijking met JFK is temeer toepasselijk omdat Eszterhas vooral bekendheid heeft gekregen als scenarioschrijver (Basic Instinct, Showgirls, Sliver). Zijn boek heeft misschien ook wel het meeste weg van een filmscenario. Een scenario waarin de plot wordt opgesierd met enkele saillante cameo-optredens (Eleanor Roosevelt, Richard Nixon, George W. Bush) en waarin de verteller ons niet alleen naar de zondigste zijkamertjes van het Oval Office leidt, maar ook naar de catacomben van de nationale ziel.

Vooral op dit punt boet American Rhapsody met het verstrijken van de tijd in aan overtuigingskracht. Zijn dit wel de echte catacomben of zijn ze het product van Eszterhas' eigen obsessie? De affaire-Lewinsky heeft Clinton ontegenzeggelijk veel schade berokkend, maar de waardering voor zijn politieke en bestuurlijke prestaties is altijd op een verrassend hoog peil gebleven. Hollywood-charme? Na de afgelopen verkiezingsstrijd zullen weinig Amerikanen blij zijn dat ze de komende vier jaar daarvan een stuk minder krijgen voorgeschoteld. En met zijn recente bezoek aan Vietnam heeft Clinton nog eens gedemonstreerd dat hij in zo'n situatie beschikt over een unieke souplesse en uitstraling.

Voor het scenario van Showgirls (regie: Paul Verhoeven) heeft Eszterhas destijds de Hollywood Women's Press Association's Sour Apple Award ontvangen, zo brengt hij met gepaste zelfspot in herinnering. Na dit boek mag hij beslist op iets beters rekenen. Maar Willard heeft hij geen duurzame solopartij in de Amerikaanse rapsodie bezorgd.

Meer over