De buurt en de buren

IN Amsterdam-Noord ligt een gezin van vier mensen twee weken dood in huis, in Den Haag wordt op een zolderetage een driejarig kind ontdekt dat nog nooit buiten is geweest....

Deze schokkende gebeurtenissen geven al snel aanleiding tot cultuurpessimistische beschouwingen. Wat is er gebeurd met de Nederlandse buurt? Heeft de gemeenschap plaats gemaakt voor een verzameling individuen die niet op elkaar letten?

Deze gedachten moeten sterk gerelativeerd worden. In de gemiddelde buurt letten de bewoners wel degelijk op elkaar, passen zij op elkaars kinderen en verlenen zij onderlinge hand- en spandiensten. Het informele buurtfeest lijkt in opmars en op talloze plaatsen wordt dezer dagen gezamenlijk naar Oranje gekeken.

De solidariteit van vroeger was in sterke mate het product van armoede, schrijft de sociologe Blokland-Potters in een recente studie over de Rotterdamse achterstandswijk Hillesluis. De buurtbewoners waren afhankelijk van onderlinge hulp, omdat de inkomens laag waren en de verzorgingsstaat nog niet bestond. De keerzijde hiervan was een akelige sociale controle: wie niet wekelijks de ramen lapte, werd het slachtoffer van roddel en achterklap.

Vaak wordt vergeten dat mensen zelf voor een meer individualistische samenleving hebben gekozen. Zodra de welvaart het toeliet, ontworstelden zij zich aan de bemoeienis van buurt en kerk. Tegenwoordig leven de meeste mensen niet meer in een duidelijk herkenbare gemeenschap, maar in een informeel, zelf gekozen netwerk van familie, vrienden, buren en collega's.

Hierin wordt de behoefte aan vriendschap en contact bevredigd, zonder de benauwdheid van de traditionele gemeenschap. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste mensen hier heel tevreden over zijn. Zelfs in een enigzins problematische wijk als Hillesluis heeft 82 procent van de inwoners geen behoefte aan meer contact met de buren.

De tragedies in Amsterdam en Den Haag tonen echter ook aan dat deze ontwikkeling een schaduwzijde heeft. De netwerksamenleving is vooral aantrekkelijk voor mensen die zichzelf goed kunnen redden. Wie zich een plaats in een netwerk wil verwerven, moet voldoende 'sociale koopkracht' hebben. Mensen die minder aantrekkelijk worden gevonden, bijvoorbeeld vanwege een psychische stoornis of gebrekkige sociale vaardigheden, hebben het daardoor moeilijker gekregen.

Minder dan voorheen kunnen mensen schuilen onder de paraplu van familie, buurt of kerk. Voor het leeuwendeel van de bevolking is dat geen enkel probleem. Maar de buitenbeentjes rest slechts het vangnet der bureaucratische instanties dat, zoals in Den Haag bleek, niet altijd deugdelijk blijkt.

Meer over