De ‘burgertrots’ is terug in Saksen

Voor de vijfde keer sinds 1989 kiest Saksen, voormalig DDR-gebied, een nieuw parlement. In de gerenoveerde stadsstraatjes duikt het verleden steeds weer op.

Dit is het huis, zegt de burgemeester opgewekt. Hij stopt voor een bruin-grauwe woning midden in een winkelstraatje. Boven zijn de ruiten kapot, de muren zijn afgebladderd. ‘Zoals dit eruit ziet’, zegt hij, ‘zo zagen álle huizen eruit in 1990. Dit is het enige huis uit de DDR-tijd dat zo gebleven is’.

Burgemeester Markus Ulbig van het stadje Pirna heeft een mooi pak aan, donkerblauw met een bescheiden streepje. Hij loopt door een glanzend gerenoveerd stadscentrum. Barokke decoratie krult zich vrolijk langs fris geverfde muren. Hij schudt onvermoeibaar handen op de markt. Het is vier dagen voor de landdagverkiezingen in de deelstaat Saksen, voormalig Oost-Duitsland, en er is nu eenmaal nog veel te winnen.

Want vraag het de burgemeester, en hij noemt de ontwikkeling van zijn stadje van een krappe veertigduizend inwoners ‘een succesverhaal’. Hij signaleert zelfs niets minder dan de ‘terugkeer van de burgertrots’ in Saksen. Maar vraag het in de stad, en er zijn ook volledig andere geluiden te horen. Scholier Patrick (17) ziet het somber in: waar moet hij heen als hij klaar is met school? Hij wil heus blijven, maar denkt er sterk aan weg te gaan om een baan te vinden, zoals zoveel kennissen. Liefst naar München, naar het rijke Beieren.

Het tekent de situatie in Pirna, de ‘poort van Saksisch Zwitserland’, een uurtje rijden van de Saksische hoofdstad Dresden. Er zijn de idyllisch gerenoveerde straten – met veel geld uit het westen –, er zijn de nieuwe autofabrieken van VW en BMW in de buurt. En er is de werkloosheid, de snelle vergrijzing, stevige ontevredenheid. Van de stedelingen koos bij de landdagverkiezingen in 2004 11,5 procent voor de extreem-rechtse NPD.

Dieper de glooiende heuvels in verscherpen de contrasten zich alleen nog maar. Langs de weg verdubbelen zich de posters voor de NPD: ‘Wehrt euch’, klinkt het fel. Maar in een oud-Duitse villa, onlangs omgebouwd tot een gloednieuw ‘belevenisrestaurant’ met een Amerikaanse cowboytuin en een Kalaharikelder, wordt er vol overtuiging over de successen van de ‘nieuwe Duitse deelstaten’ gesproken.

In de rijkelijk gedecoreerde Mayazaal hebben ongeveer vijftig ondernemers uit Saksen zich verzameld. Ze hebben vragen: over imagoschade door de NPD, over de economie. Het antwoord komt van Stanislaw Tillich, oud-DDR-politicus, nu minister-president van Saksen voor de CDU. Tillich staat op van tafel en begint zijn rede: hij noemt extreem-rechts ‘een van de grootste handicaps van Saksen’, en heeft het over ‘in gesprek gaan’. Daarna gaat hij snel en lang verder over de voorspoed, en zegt: ‘Wie denkt dat het vroeger beter was, die wil ik onze scholen en ziekenhuizen laten zien.’

‘Weiter so’, is niet voor niets de verkiezingsleus in zijn campagne. Van een problematische situatie in het oosten, zoals in Duitse media vaak wordt geschilderd, wil hij niets horen – althans niet in Saksen. Tijdens zijn bliksembezoek aan Pirna duikt hij winkels binnen, en praat over nieuwe toeristenstromen. Hij poseert bij de enige jonge moeder met kind die er te zien is. ‘De tijd van de grote leegloop’, vertelt hij later in zijn campagnebus, ‘is een cliché geworden. Het is voorbij. We hebben nu juist arbeidskrachten nodig. Wij liggen tussen Holland en Tsjechië, en Saksen wordt hét logistieke centrum van het nieuwe Europa.’

Of hij gelijk heeft, hangt overigens af van de politieke kleur van de gesprekspartner. Honderd kilometer verderop, in het plaatsje Aue in het ertsgebergte, worden ook cijfers tevoorschijn gehaald, en die zijn allemaal anders. Op de Postplatz is André Hahn neergestreken, partijleider van de grootste oppositiepartij Die Linke. Hahn wil minister-president worden. Zíjn cijfers, zegt hij, tonen juist dat de situatie van voormalig Oost-Duitsland verslechtert. ‘De beste jaren liggen helaas achter ons’, vertelt hij bij zijn infostand. De emigratie naar het westen zet fiks door, extreem-rechts zal nog meer kunnen winnen dan eerst, en de rapporten dat het allemaal vooruitgaat, zijn politiek gekleurd, zegt hij, bedoeld om de CDU aan de macht te houden.

Zijn toehoorders zijn het er roerend mee eens. Een lerares gaat met hem in gesprek. Die nieuwe studie dat Saksen bovenaan zou staan op het gebied van onderwijs? Onzin, weet ze. ‘De scholen in de DDR’, zegt ze, ‘waren veel beter dan die van nu. Toen kwamen ze vanuit Scandinavië naar ons kijken’. Heus, ze wil niet terug, maar ‘een beetje dictatuur moet je toch hebben’. Hahn haast zich eraan toe te voegen: ‘Veel was niet goed in de DDR, maar in Saksen zijn nu zoveel mensen moedeloos. Het leven is te weinig sociaal geworden.’

Het is het enige punt dat opponenten Hahn en Tillich delen: de Saksische politici willen het niet meer over het verleden hebben, maar het verleden speelt vanzelf een grote rol in de huidige sociaal-politieke sfeer in Saksen – als positief of negatief referentiepunt.

Twee jonge vrouwen, begin twintig, op een zonnig terrasje op het marktplein van Aue, zien er zelfs de verklaring in voor de grote contrasten in de stemming van hun stadsgenoten. Wie in 1990 zijn baan verloor, is ontevreden, zeggen ze, en geeft het ook nog eens door aan hun kinderen. Zelf studeren ze in Jena, en komen erna graag terug naar Aue. Zeker, veel van hun vriendinnen zijn ook weggegaan. ‘Maar als je het niet over politiek hebt, is het hier zeer aangenaam.’ Het eind van de leegloop is daarom slechts een kwestie van tijd, menen ze.

Markus Ulbig, de positieve burgemeester van Pirna, zal het roerend met hen eens zijn. In Pirna, verklaart hij, is het verschil tussen economische realiteit en de psychologische beleving ervan zeer groot. Direct na de Wende gingen hier twaalfduizend arbeidsplaatsen verloren. De jaren erna is ingezet op nieuwe industrieën, zoals auto-onderdelen. ‘Twee- tot drieduizend banen zijn er bij gekomen.’

Dat resultaat is heus goed, zegt hij, alleen het líjkt zoveel minder dan het was. ‘Iemand die in 1990 45 was en werkloos werd, zal dat getal nog steeds als een achteruitgang ervaren’. Ook al was de planeconomie waarop de vele arbeidsplaatsen gebouwd waren, niet reëel. ‘Het systeem was bankroet.’

Daarom laat hij het enige vervallen huis in zijn stadscentrum, het resultaat van een eigendomsconflict met een ondernemer, graag zien. Het liefst aan iedereen die denkt dat het in de DDR allemaal zo goed geregeld was. Zodat ze niet vergeten, zegt hij, hoe het er in 1990 in werkelijkheid voorstond.

Meer over