De buit en de verdeling

Toen de Heren Negentien van de West-Indische Compagnie in januari 1629 de lading van de gekaapte vloot geïnventariseerd, de totale waarde bepaald en de verwervingskosten in mindering gebracht hadden, kon de verdeling van de buit beginnen....

door Jan Blokker

Men berekende dat Piet Hein de vijand bruto 11,5 miljoen door de neus had geboord. Van de 7 miljoen die daar netto van overbleef was het leeuwendeel statutair geoormerkt voor een vast aantal begunstigden. Voorop stadhouder Frederik Hendrik, die als admiraal-generaal recht had op 10 procent en die dus zeven ton toucheerde: mooie bijdrage aan het prille Oranjekapitaal dat zich vanaf het begin van de 17de eeuw snel begon te accumuleren. Elk van de Heren Negentien kreeg 1 procent, de aandeelhouders van de Compagnie 50 procent dividenduitkering. De aandelen WIC schijnen ook een poosje tot boven de 200 procent te zijn gestegen.

De beloning van Piet Hein en zijn eerste officieren werd aan de beleefdheid van de bewindhebbers overgelaten. Onze held zou een douceurtje van zesduizend gulden hebben ontvangen, afgezien van allerlei gouden of zilveren gedenkkettingen en diverse goedbedoelde, maar immateriële vormen van eerbetoon. Voor zijn scheepsvolk - een kleine vierduizend in getal - werd negen ton gereserveerd, wat neerkwam op een extraatje van iets meer dan tweehonderd gulden de man. Als alle uitbetalingen waren gedaan, kon de Compagnie het voor die dagen nog altijd riante restbedrag van anderhalf miljoen op haar rekening bijschrijven.

Tot zover de naakte feiten en cijfers, zoals aan het licht gebracht door de maritiem-historicus Ronald Prud'homme van Reine, die als biograaf al drie historische admiraals (De Ruyter en vader en zoon Tromp) had geschoren alvorens zich te wijden aan Piet Hein.

Hein (1577-1629) behoorde tot de vroegsten van de grote nationale zeehelden. In zijn generatie lag alle nadruk nog op de koopvaart - gevochten werd alleen als het niet anders kon. Onderweg naar Amerika, Afrika of Indië viel er weliswaar ook voor 'burger'-kapiteins gewapenderwijs altijd wel iets te verhapstukken met Engelsen, Portugezen of Spanjaarden, maar dat was niet de hoofdzaak, en het leidde ook nooit tot zeeslagen van het spectaculaire soort waar Willem van der Velde (de Oude) in de latere 17de eeuw zo perfect realistisch weg mee wist.

Ook Piet Hein is het grootste deel van z'n zeemansleven koopvaarder geweest: pas in dienst van de West Indische Compagnie werd hij, op z'n 46ste, vechtjas van beroep. Geen wonder dus misschien dat over z'n vroegere jaren weinig is overgeleverd en dat Prud'homme van Reine, intensief speurwerk in alle denkbare archieven ten spijt, vaker moet gissen dan kan verzekeren.

Voor z'n onsterfelijke 'heldendaad' heeft Hein intussen ironischerwijs nauwelijks een hand hoeven uitsteken, een schot hoeven afvuren of één matroos hoeven opofferen: de zilvervloot die hem beroemd maakte en over de geschiedenis waarvan alle wetenswaardigheden zijn overgeleverd, werd hem door z'n Spaanse tegenpartij (de admiraal Benavidez, die na een langdurig proces alsnog op last van zijn koning is onthoofd) bijna op een presenteerblad aangereikt.

Niettemin is de zeeman bij terugkeer in de Republiek gehuldigd als een Romeinse veldheer, of om dichter bij huis te blijven: zoals in later eeuwen zegevierende voetbalelftallen of losse dartskampioenen namens heel het volk door de burgemeester, de minister-president of zelfs de nazaten van Frederik Hendrik zouden worden gevierd.

Was de buitgemaakte schat de voornaamste reden voor de collectieve hoerastemming? Allicht was er ook veel volks leedvermaak over het feit dat de vijand een kolossale poets was gebakken - het was tenslotte oorlog. Maar 'Spaanse matten', dus geld, maakten het nog net iets pikanter dan een louter militair huzarenstuk zou zijn geweest.

Dat er in de Caribische Zee iets van groot gewicht was gekaapt, was uiteraard meteen bij de bemanning bekend (de zeelui hadden ter plekke de kostbaarheden van de Spaanse schepen moeten overladen op de ruim twintig Hollandse vaartuigen), en drong in de loop van oktober, november 1628 ook tot het vaderland door. Maar hoe hoog was de waarde precies? Dat moet in de Nederlanden - nooit vies van centen geweest tenslotte - wekenlang het gesprek van de dag zijn geweest.

Al vóór de compagnieschepen allemaal veilig in de Hollandse havens terug waren (Piet Hein moet op de lange thuisreis slapeloze nachten hebben gehad bij het idee dat storm of piraterij z'n rijkdommen alsnog konden krenken), hebben ze in het West-Indisch Huis aan de Amsterdamse Haarlemmerdijk natuurlijk geweten dat Hein behalve (veel) zilver, ook behoorlijk wat goud en verder dure verfstoffen, zijde, huiden, honderden kisten suiker, hout en een rijk assortiment edelstenen en juwelen aan boord had laten hijsen. Maar het duurde even voor duidelijk was of het, in geld uitgedrukt, om tienduizenden, om tonnen, of om miljoenen ging.

En het duurde lang genoeg om de euforie te laten verlopen, het geruchtencircuit steeds kwaadaardiger te laten gonzen en bij Heins schepelingen een zekere grimmigheid te laten ontwikkelen. Zo gaan die dingen. Natuurlijk werd er algauw rondverteld dat er tientallen miljoenen waren verdiend, dat de admiraal inmiddels in goud was beslagen en dat de matrozen met een fooi zouden worden afgescheept. Dus toen de firma ten slotte met die provisie van een paar honderd gulden over de brug kwam, was de opstand algauw beraamd.

Het schijnt in de nacht van 12 februari 1629 behoorlijk onrustig te zijn geweest in de Amsterdamse binnenstad - maar het West-Indisch Huis (waar in ieder geval een deel van de zilverschat lag opgeslagen) is door de plaatselijke schutterij ten slotte met succes verdedigd tegen raddraaiers die het pand zelfs even met een kanon hebben bedreigd. Het was trouwens ook nog carnaval.

Vondel, hekeldichter des vaderlands, heeft er nog een versje aan gewijd, dat niet zozeer satirisch als wel allegorisch is. Kennelijk wilde hij geen 'standpunt' innemen - of hij had geen standpunt -, dus hij vluchtte in zinnebeeldigheid over de buit van 'Sint Pieter', ter bescherming waarvan 'Sint Andries' (naar burgemeester Andries Bicker) de hulp inriep van 'Sinter Klaas' (de schutterijcommandant heette Nicolaas Hasselaer).

Vondel die er niet eens een stevig, memorabel gedicht op kon maken: het zegt iets over de anticlimax waarin de nationale feestvreugde in bijna haar tegendeel was verkeerd. Net zo symbolisch is het misschien dat Piet Hein bij wijze van beloning (naast de zesduizend gulden) in maart 1629 door de stadhouder weliswaar benoemd werd tot luitenant-admiraal van Holland, maar dat hij amper drie maanden later in een schermutseling met kapers uit Oostende bij waarschijnlijk stom toeval door een achtpondskogel werd getroffen. Dood. Afgaande op Van Reines sobere beschrijving kun je het niet eens echt sneuvelen noemen.

Hij had z'n triomf nauwelijks weten te overleven.

Meer over