De brug van Jantje van Leiden

Nederland Leiden..

Het is rustig op het water van de grachten. Wat eenden, een paar futen, hier en daar een zwaan. De Hollandse winter leent zich niet voor een rondvaart of voor ontspannen varen met een sloep. Schepen die aanleggen voor reparatie bij de pekkerijen in de haven zijn er al tijden niet meer in Leiden, net zo min als de boten die de Nieuwe Rijn opvaren tot de Koornbrug om graan te verhandelen en de platbodems die wol afleveren op de Langebrug. .

Het leven speelt zich tegenwoordig af op het droge. Bussen jakkeren arrogant door het centrum, auto’s proberen de weg te vinden in het doolhof van eenrichtingsstraten, studenten fietsen daar op hun barrels tussendoor. Het water is niet meer dan een lastig obstakel dat zo efficiënt mogelijk moet worden overgestoken.

Liefst 88 bruggen zijn er binnen de Leidse singels. Iedereen wil er zo snel mogelijk overheen en vervloekt de steilte als die bijna tot afstappen dwingt. Irene Nieuwenhuijse heeft ze allemaal beschreven in Het Leids Bruggenboek. Ze was journaliste, ging met de vut en wilde wat om handen hebben. Een boek schrijven over Leiden, haar woonplaats, dat leek haar wel wat. En ze wilde het archief in, want daar mag je met ‘van die witte handschoentjes aan in oude dozen snuffelen’. Nu is elke kerk, elk hofje, elk kinderkopje in Leiden wel zo’n beetje beschreven, dus er was weinig meer over. ‘En toen, pats, midden in de nacht, dacht ik: de bruggen!’

Nieuwenhuijse is gaan houden van haar bruggen. Bij de Lourisbrug, die de oevers van de Herengracht verbindt, wijst ze op de natuurstenen gewelven, op de vorm van de drie bogen, op de witte gietijzeren reling, op de zwarte dukdalven: ‘Dit is toch een sieraad?’ Iets verderop ligt de Laatste Brug, die naar een begraafplaats leidt. Niet meer dan een loopplank, geeft ook Nieuwenhuijse toe, ‘maar de symboliek spat ervan af’. En kijk, op de Vreewijkbrug, die prachtige drie-armige straatlantaarns, de enige van heel Leiden.

Voor de leek is het soms moeilijk dezelfde mate van adoratie op te brengen. Het blijven bruggen; bouwsels waarvan de architectonische schoonheid ondergeschikt is aan de infrastructurele noodzaak.

Wat de Leidse bruggen interessant maakt, is dat ze er al een tijdje liggen. Ze hebben historie. En zo blijken achter de schijnbaar saaie bruggen verrassende verhalen schuil te gaan. Nieuwenhuijse heeft ze opgetekend.

De twee oudste bruggen van Leiden zijn de opnieuw beklinkerde Sint Jansbrug en de steile Visbrug met zijn houten onderdoorgang. Ze stammen uit het einde van de 12de eeuw en liggen op de plek waar de Oude en Nieuwe Rijn samenkomen. De Leidenaars, vanuit de Haarlemmerstraat op weg naar de Miss Etam of V & D, steken de bruggen gedachteloos over.

Dat was in 1204 wel anders. Een van de twee bruggen stortte in (welke, daar zijn de historici nog niet over uit), bezwijkend onder het gewicht van de vluchtende troepen van Willem van Kennemerland uit angst voor zijn 15-jarige nichtje, gravin Ada, met wie hij een dispuut had over de opvolging van de gestorven graaf van Holland Dirk VII.

Waar nu een marktkoopman zijn sokken slijt, lag eeuwen geleden de Witte Steen waar de baljuw van Rijnland rechtsprak en misdadigers onthoofdde.

Verder naar de plaats waar Rapenburg, Noordeinde en Breestraat samenkomen; een onoverzichtelijk kruispunt. Kom je aanlopen van de verkeerde kant, zou je bijna vergeten dat dit een brug is. Uit zes straten komt verkeer. Een groep studentenmeisjes met eendere jassen aan schiet nog net voor bus 31 langs. Soms komt bijna al het verkeer tot stilstand, omdat niemand weet wie hier nou voorrang heeft.

Maar volgens Nieuwenhuijse moet je van de andere kant, vanaf het Rapenburg, kijken. Want dan zie je het Gijselaarsbankje, een uit baksteen opgetrokken monument met twee smalle zuilen en paarse ornamenten erbovenop. En daar, schuin aan de overkant, op de hoek waar nu een informatiecentrum voor ouders met jonge kinderen zit (B4Kids), daar dreef dé Jantje van Leiden zijn uitspanning ‘In den Witte Lely’. De historische figuur die zich later tot Wederdoper zou laten dopen, en zichzelf in Münster tot koning uitriep. Niet voor lange duur overigens; hij werd afgezet, ter dood veroordeeld, en ter afschrikking in een kooi aan de Lamberti-kerktoren gehangen. Dat doet je voor even het verkeer vergeten.

En toegegeven, het voelt anders om de Vreewijkbrug over te steken nu je weet dat Einstein en Lorentz hier begin vorige eeuw ook wel eens liepen, als zij op weg waren naar natuurkundige studiebijeenkomsten. Dat straalt af op de brug. Die krijgt er iets zelfverzekerds van. Je voelt dat je niet de eerste bent die hem oversteekt.

Maar geen brug is Leidser dan de Sint Jeroensbrug, een van de drie bruggen over de Vliet. Iedere Leidenaar weet het: hier deelden de watergeuzen op 3 oktober 1574 haring en wittebrood uit aan de hongerige bevolking, nadat de Spanjaarden waren verjaagd na hun maandenlange belegering van de stad. Knijp je ogen wat toe, en je ziet ze zo weer binnenzeilen.

Meer over