De brandweer is mijn levensweg

In Kees Bont zit de hele ramp van Volendam verknoopt. Hij was brand- preventiemedewerker en leidde de brandweer in de eerste uren van nieuwjaarsnacht....

HET is weer een fijne oudejaarsavond, 31 december 2000, in Huize Bont in Volendam. Bij Kees Bont, brandbestrijder in hart en nieren. Hij is 36 jaar oud, heeft twee jonge zonen en is getrouwd met Ageeth Bont-Jonk, die net als hij uit Volendam komt. De jaarwisseling wordt gevierd met oliebollen, een drankje en wat vuurwerk voor de deur.

Zijn halve leven, achttien jaar, zit Bont al bij de vrijwillige brandweer. Bij hun huwelijk kwamen zijn collega's het bruidspaar ophalen met een van de grote rode bluswagens. Hij kickt op een fik, hij gaat uit zijn dak voor een doossie lucifers, hadden ze gezongen op het huwelijk. Maar dat was gekkigheid, zegt Bont.

Bij de brandweer lever je een bijdrage aan de gemeenschap. Je zit in een vriendenploeg. En het is ook de spanning, het onverwachte, het nemen van beslissingen in seconden.

Zoals zoveel Volendammers ging Bont, na een opleiding tot uitvoerder, werken in de bouw. Maar er was een hoger doel dan de vrijwillige brandweer. Dat was een echte loopbaan in de brandbestrijding. Dus volgde hij, na zijn leerwerk voor de vrijwillige brandweer, de opleiding voor adjunct-hoofdbrandmeester.

En dus zat hij wéér de hele avond boven te blokken. Ageeth Bont: 'Ik zei weleens, stop er toch mee. Waar doe je het voor, als het toch je werk niet is. Maar Kees is fanatiek, een perfectionist.' Bont: 'De brandweer is mijn levensweg. Daar probeer ik alles uit te halen. Maar die motivatie heeft een deuk opgelopen.'

Eind 1999 wordt hij door de gemeente aangesteld als brandpreventie-ambtenaar. Bont: 'Ik stond daar met lege handen. Er was niks.' Hij becijfert dat het tien manjaren vergt voor de brandpreventie op orde is.

Het gemeentebestuur gaat akkoord met Bonts voorstel de grote horeca als eerste te controleren. Hij kent de stampvolle Volendammer cafés uit eigen ervaring. Het cafébedrijf van Jan Veerman is als tweede aan de beurt. 'Ik kende de reputatie van Veerman bij de gemeente', zegt Bont. Hij verwacht dat hij nog zal moeten getuigen tijdens een eventueel strafproces. Daarom wil hij maar kort ingaan op zijn contacten met de ondernemer.

'Veerman was coöperatief tijdens mijn bezoeken. We hebben samen rondgelopen in het bedrijf en gekeken naar oplossingen voor de tekortkomingen. In de brief waarin ik die vaststelde, heb ik voor de toenmalige situatie met opzet het woord ''levensgevaarlijk'' gebruikt. Om het hem nog eens duidelijk te maken.'

De beloofde verbeteringen laten op zich wachten. Bont: 'Daar heb ik me erg over opgewonden. We hebben er intern bij de gemeente veelvuldig gesproken. Dan belde ik en had Veerman het te druk en werd ik doorverwezen naar de architect. Al met al leidde de noodzaak de ernstige gebreken weg te nemen niet tot actie. Daar werd laks mee omgesprongen.'

Bont werd overstelpt met werk. Architecten, installateurs, iedereen wilde weten wat hij aanmoest met de achterstand in brandpreventie. 'Ik heb in december getwijfeld of ik die brief aan alle cafés over het impregneren met brandwerend middel van de kerstversiering niet volgend jaar zou sturen. Het was een vreselijk hectische maand. Maar als uitgaander had ik vroeger al een slecht gevoel over al die kersttakken in de horeca.'

Natuurlijk is er van de verhalen over de ons-kent-ons-cultuur in Volendam veel waar, zegt Bont. 'Maar nooit-never is er een beroep gedaan op mijn Volendammer-zijn om maatregelen te ontlopen. Ik houd ook niet van vriendjespolitiek. Je dient een zeer belangrijke publieke taak uit te voeren. Dat doe je zorgvuldig en consequent. Dat is mijn mentaliteit. Rechtuit. En zo is het.'

Zijn opleidingen, zijn eindscriptie over de brandpreventie, de bezoeken aan Veerman, de telefoontjes, de impregneerbrief. 'Ik heb het gevoel: ik heb m'n eigen naar die ramp toegeduwd. Onbewust heb ik hem voorspeld.'

In de nieuwjaarsnacht, om ongeveer tien over half een, gaat zijn alarm af. Het apparaat meldt: 'Brand in de Wir War Bar.' Kees: 'Mijn eerste opmerking was: het zal niet waar zijn.' Het is het begin van een nacht die hij omschrijft als 'diep-, diep-verschrikkelijk'.

Aangekomen op de Dijk moet Bont zich door een wanhopige mensenmassa wringen om de Wir War Bar te bereiken. Als eerste brandweerman staat hij op de uitbouw van het café. Daar ligt een meisje dat hij herkent. 'Een bloem van een meid', zonder hartslag. Collega's reanimeren haar. Ze zal een dag later alsnog bezwijken.

Als een van de eerste brandweerlieden is hij binnen in De Hemel. De achterblijvers, mensen in totale paniek, probeert hij naar de nooduitgang te krijgen. Mensen worstelen zich uit het raam van De Hemel, de huid van gezicht en armen hangt als lappen naar beneden. Een groep slachtoffers wordt door een brandweerman met een nevelspuit gekoeld. Overal radeloze ouders, op zoek naar hun kinderen.

Op de Dijk krijgt hij de leiding over de brandweer. Want de onder-commandant is uitgevallen. Die heeft zelf twee kinderen in de brand. Bont probeert de zaak in kaart te brengen. In de 'superchaotische fase' organiseert hij 'motorkapoverleg' met politie en medische hulpdiensten. Hij doorkruist het 'effectgebied' om informatie te verzamelen over 'gewondennesten' - brandweertaal voor plaatsen waar zich slachtoffers bevinden. Hij laat brandweer en politie arm in arm de Dijk ontruimen. Hij bepaalt de rijroutes voor de ambulances.

De coördinatie tussen de hulpdiensten is in die periode 'duidelijk op poten gezet', zegt Bont. 'En dat is anders dan de Commissie Onderzoek Cafébrand (de commissie Alders, red.) heeft beweerd. Bij dit soort rampen zul je altijd een chaotische fase houden.'

Tegen vijf uur maakt Bont zijn laatste ronde door De Hemel. Alleen, met niets dan het licht van zijn zaklantaarn, terwijl de wind door de kapotte ramen waait. Twee dode slachtoffers liggen nog op de cafévloer. Die aanblik, de duisternis, de stank, de onwerkelijke stilte, de herinnering aan de uren ervoor. Het grijpt hem bij de keel.

Even later komt hij de kazerne binnen, als laatste van zijn korps. 'Dat vergeet je niet meer, al die verslagen gezichten. Ik had gelijk al het gevoel: voor mij gaat het nu pas beginnen. Het is alleen vele malen zwaarder geworden dan ik ooit had kunnen vermoeden.'

Om kwart voor acht komt Bont thuis. Ageeth zit op hem te wachten. 'Je zei: wat ik nou heb meegemaakt, dat is niet te geloven. Je stonk verschrikkelijk. Je had je werk goed gedaan, zei je.'

Bont: 'Later ben ik gaan twijfelen. Heb ik genoeg gedaan? Heb ik fouten gemaakt? Had ik meer kunnen doen?' Hij kent de consequentie van een bevestigend antwoord. 'Was ik fout geweest, dan had ik van Volendam af gemoeten. In de wetenschap dat mijn familie achterblijft met de gedachte dat hún broer. . .'

Een week na de ramp staat burgemeester IJsselmuiden het actualiteitenprogramma Netwerk te woord. Hij richt de beschuldigende vinger onverwacht op Bont. 'Ik vind het nou vervelend om richting één ambtenaar te wijzen. . .'

In huize Bont komt de opmerking als een mokerslag aan. Kees: 'Ik wist: die uitspraak is niet rechtvaardig. Om het maar zacht te zeggen.' Ageeth: 'Je was erg verdrietig Kees. Dat had je niet verdiend.' Het huis stroomt vol met mensen die hun steun betuigen. Er zijn ook horeca-exploitanten bij.

Bont: 'Ik heb IJsselmuiden er de volgende dag direct op aangesproken. Hij gaf te kennen dat hij het niet zo had bedoeld. Maar het beeld was al bepaald.'

Het ambtenarengilde komt in opstand. De ambtenaren eisen van de burgemeester een publieke rectificatie. Een van hen verdedigt Bont anoniem op televisie. IJsselmuiden rectificeert. Bont: 'Onvergetelijk dat ze achter me gingen staan. En die ambtenaar die zijn baan op het spel zet door op tv te verschijnen. Daar heb ik echt respect voor.'

Bij de brandweer zien ze Bont de eerste weken nauwelijks. 'Ik was alleen maar bezig met gemeente, politie en Openbaar Ministerie. Het was een gemis dat ik toen bijna niet met m'n brandweermaatjes heb kunnen praten. Dat is me later opgebroken.'

Bont twijfelt dan of hij verder wil in het vak. 'Als je met zoveel enthousiasme ergens bent ingestapt en dan zo weinig steun hebt gehad. . . Niks ga je uit de weg en dan gebeurt er zo'n ramp... Ik heb vaak gedacht: ik geef de pijp aan Maarten. Ik wil niks meer met brandpreventie te maken hebben. Ik ga terug in de bouw, of iets anders doen. . .' Ageeth Bont: 'Je had nergens meer zin in. Je bent gewoon ingestort.'

Bont: 'Er is dan geen ruimte meer voor privé, voor kinderen of huwelijk. Het was 24 uur per dag de ramp, de ramp, de ramp. Tussen nieuwjaarsnacht en nu heeft de tijd stilgestaan.' Ageeth Bont: 'We hebben ons erg lang sterk gehouden voor de buitenwereld. Maar we zijn maar gewoon Kees en Ageeth. Je wordt preventiemedewerker en dan krijg je dit.'

Bont: 'Dit was te complex, te groot. Er waren te veel kinderen bij betrokken. Er waren te veel ernstige verwondingen. Het niet in de hand hebben. Het niet direct kunnen helpen. Dat het zo dichtbij is gekomen.'

IJsselmuiden treedt uiteindelijk af. Zijn vervanger, Bulte, gaat langs bij Bont. 'Hij zag heel goed hoe we ons voelden. Hij heeft het negatieve denken weggenomen. Hij gaf waardering. En hij had een duidelijke visie hoe we de zaak weer op poten kunnen zetten.'

Bont blijft. De brandpreventie-ambtenaar heeft goed werk verricht, concluderen de commissies Versteden/Polak en Alders. De eerste heeft 'bewondering' voor zijn eenzame arbeid. Alders ziet Bont als het type ambtenaar dat nodig is voor de 'culturele revolutie' waar na de vuurwerkramp in Enschede om werd geroepen. Het bestuur moet weer handhaven.

Over het gemeentebestuur wil Bont geen uitspraken doen. 'Over het bestuur hebben de commissies al geoordeeld. En over de gemeenteraad zal Volendam wel oordelen bij de komende verkiezingen.'

De eerste melding die Bont weer beantwoordt, is die over een eendje dat vastzit in het ijs. Kees: 'Dat was een mooie eerste uitruk.' Ageeth: 'En die eend, die heeft het nog gered ook.'

Meer over